INGEZONDEN
Ambt en dienst (I)
Mijn geachte collega ds. W.G. Hulsman wil ik danken voor zijn recensie van mijn boek Van ambt naar dienst in De Waarheidsvriend van afgelopen 4 december. Ik wil daarop reageren, omdat ik vind dat hij vertekeningen geeft van wat ik heb geschreven en mij meningen toeschrijft die ik in genen dele heb geuit. Ik beperk me tot de hoofdzaken. Er is bij mij in mijn schrijven over diensten in plaats van ambten geen aanpassing aan een tijdgeest van nivellering van het ambt. Geen gedachte aan egalisering noch beïnvloeding vanuit charismatische hoek heeft mij geleid. Een jarenlange studie en een mij ingraven in het bijbelse spreken over de diensten in de kerk hebben mij tot dit schrijven gebracht. Ds. Hulsman stelt zelf dat ’het waar is dat het woord ambt in de Bijbel praktisch niet voorkomt en pas later in de kerk is ingeburgerd’. Dit ‘praktisch niet’ moet zijn ‘helemaal niet’, wanneer we de grondwoorden in het Hebreeuws en Grieks nagaan. Wel in vertalingen wordt het woord ambt gebruikt, maar dan ten onrechte (zie mijn boek blz.130vv). Hét woord voor een taak in kerk en koninkrijk is diakonia (dienst).
Wanneer ds. Hulsman het begrip ambt blijft handhaven, loopt hij altijd het gevaar een rangorde, een zekere hiërarchie in te voegen. Bovenaan komt dan de predikant, daarna de ouderling en zo verder naar beneden. De prediker is dan de belangrijkste ambtsdrager in de kerk. De koster, de organist, de notulist enzovoort bungelen dan er zo wat bij. Deze hiërarchische geleding kennen de Bijbel en het gereformeerde kerkrecht niet. Ieder die een taak verricht in de gemeente van Jezus Christus, vervult een dienst en is dienaar of dienares. Dat is de fundamentele gelijkheid van allen in het dienen. Binnen dit dienen is geen meer of minder, maar alleen anders. De predikant vervult een andere, een anders geaarde dienst dan de koster. Niet door het begrip ambt is er het verschil, zoals ds. Hulsman stelt, maar binnen het dienen naar de Bijbel is er verschil en veel verscheidenheid.
Ds. Hulsman stelt dat ik bij het spreken over ‘dienen’ geen gezag meer overhoud. Hij wil het gezag gezant van Christus te zijn ook niet losmaken van de persoon. ‘In het gewone dagelijkse leven doen we dat ook niet. Persoon en taak zijn daarvoor te veel met elkaar verbonden.’
Hier trekt ds. Hulsman een lijn uit het sociale bestel naar het ecclesiologische terrein. Daar zijn al vraagtekens bij te zetten. Maar ik wil in dit verband ook wijzen op wat Calvijn schrijft: ‘Daarom moet men hier bedenken dat alle gezag en waardigheid, die de Geest in de Schrift hetzij aan priesters, hetzij aan de profeten, hetzij aan de apostelen, hetzij aan de opvolgers der apostelen toekent, in haar geheel niet eigenlijk gegeven wordt aan de mensen zelf, maar aan de dienst, waarover zij gesteld zijn; of (om duidelijker te spreken) aan het Woord, welks bediening hun is toevertrouwd’ (Institutie IV, 8.2.). Calvijn spreekt in het spoor van de Schriften steeds over ‘dienst’ en ‘bediening’. Zo doen ook de vroege classes en synoden van de kerken der Reformatie in de Nederlanden. Het Woord dat wordt bediend, is het enige ‘tegenover’ in de gemeente en voor ieder gemeentelid. Alleen dit Woord heeft gezag (zie blz.139). In het spoor van Calvijn ligt deze mijn visie.
Ten slotte schrijft ds. Hulsman dat in mijn boek ‘zijdelings (...) verschillende keren de kwestie van de vrouw in het ambt aan de orde’ komt. Inderdaad, bij de weergaven van de gedachten bij andere theologen over deze kwestie (zie hfdst. 3 en 4). Hij stelt daarbij dat ik op het standpunt zou staan dat ‘aangezien de Heilige Geest zowel aan mannen als aan vrouwen gaven geeft, het ambt ook open staat voor de vouw’. Nergens wordt dit door mij geschreven. Kan ik dit uit mijn boek zelf aangetoond krijgen? Trouwens, omdat ik niet meer over ambten spreek, hoe zou ik dan zijn voor de vrouw in het ambt? Wel schrijf ik op bladzijde 34: ‘Zo zet de Heilige Geest in opdracht van zijn Zender, de verhoogde Christus, broeders en zusters (zie onder andere Rom.16) in tot het ontstaan, de bewaring en de uitbreiding van de kerk van Christus in deze wereld en in alle komende tijden.’ En op bladzijde 140: ‘Gekeken moet dus worden welke diensten bij wie horen, bij de mannelijke of vrouwelijke leden, bij de jongere of oudere leden. Hiervoor worden ons lijnen en normen in de Schriften aangereikt. De toewijzing van diensten door de leidinggevenden zal mogen gebeuren binnen het verband van de Bijbelse gegevens over de schepping van vóór de zondeval en over de herschepping na de intrede van de zonde in het totale bestaan van ons mensen.’ Er is dus bij mij geen spreken over de vrouw in het ‘ambt’, hoe dan ook, maar wel over de ‘diensten’ van de vrouw in kerk en Koninkrijk. Zo spreekt ook onze synode in haar rapport van 2002.
Graag had ik nog wat willen zeggen over het ‘regeren’ in 1 Timotheüs 5:17, waar ds. Hulsman zijn spreken over het ambt mede op baseert (zie mijn boek hierover op blz.142), en over nog meer, maar dan overschrijd ik de mij toegestane ruimte.
T. Brienen, Hoogeveen
Ambt en dienst (II, slot)
Ik zal kort ingaan op de verschillende punten die dr. Brienen in reactie op mijn bespreking van zijn boek Van ambt naar dienst noemt. Dr. Brienen benadrukt dat hij alleen vanuit het Woord tot zijn gedachten over de diensten in de kerk gekomen is. Volgens mijn inzicht blijven er daarbij – zoals ik de recensie heb aangegeven – elementen vanuit de Bijbel liggen. Daarom kan ik de kritiek op de aanduiding ‘opzienersambt’ in 1 Timotheüs 3:1 (zowel in de Statenvertaling, Leidse vertaling, NBG 1951 en Naardense Bijbel) niet meemaken.
Mijn bedoeling is niet om een hiërarchie te verdedigen waarbij de predikant bovenaan staat, gevolgd door de ouderling en zo verder naar beneden. Allen vervullen diensten. Maar daar is niet alles mee gezegd. Dr. Brienen spreekt over ‘anders geaarde dienst’. Inderdaad is de dienst van diakenen, ouderlingen en predikanten zo ‘anders geaard’ dat daar de naam ‘ambt’ aan gegeven is. Gezag en persoon worden ook in de Schrift met elkaar verbonden, wanneer er in Hebreeën 13:17 gezegd wordt dat we de voorgangers moeten gehoorzamen en dat we hen onderdanig moeten zijn. Het citaat van Calvijn is wel zeer sprekend, maar staat duidelijk tegen de achtergrond van misstanden in de Rooms-Katholieke Kerk van die dagen. Dat het ambt voor Calvijn wel meer dan alleen dienst was, geeft hij aan als hij schrijft (Institutie IV, III, 3): ‘Daarom heb ik er boven aan herinnerd, dat God met alle mogelijke lofwoorden de waardigheid van dat ambt ons dikwijls aangeprezen heeft, opdat het bij ons als een zaak, die alle dingen te boven gaat, in de hoogste eer en aanzien staat.’
Helaas is er bij de correctie van mijn artikel iets weggevallen. Ik had namelijk niet geschreven dat op deze wijze het ambt, maar het ‘ambt’ (met aanhalingstekens) open staat voor de vrouw. Inderdaad is er in uw visie straks niet meer een ambt. En daarmee is volgens u de problematiek van de vrouw in het ambt opgelost, zoals u beaamt in een interview met het blad CV Koers. Bij mij blijven er toch nog wel wat vragen staan. Waarom koos de Heere Jezus dan mannen om discipel en apostel te zijn? Waarom werden er mannen aangesteld in Handelingen 6? Waarom werden er mannen tot opzieners en oudsten aangesteld? En zo is er nog wel meer.
W.G. Hulsman, Genemuiden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's