De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Augustinus, onze zielzorger

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Augustinus, onze zielzorger

Openingswoord predikantencontio 2009

11 minuten leestijd

Graag wil ik enkele ogenblikken met u verwijlen bij de kerkvader Augustinus. Ik doe dat aan de hand van het boek van Frits van der Meer, 'Augustinus de zielzorger'. Een studie over de praktijk van een kerkvader.

Van der Meers werk is een van de mooiste boeken die vorig jaar verschenen zijn. De eerste druk zag het licht in 1947. Dat was – zo lezen we in het voorwoord van de nieuwe uitgave – toentertijd een sensationele gebeurtenis, die veel enthousiasme losmaakte. Ik kan me dat voorstellen. Er zijn namelijk niet veel biografieën die zo van nabij en tegelijk met de nodige distantie hun ‘held’ schetsen – etsen, moet ik zeggen. Door toedoen van Van der Meer gaat Augustinus voor je leven. Je gaat van hem houden. Hij wordt een pastor pastorum voor je. Allereerst omdat zijn figuur je verootmoedigt. Als voorgangers willen we immers nog wel eens last hebben van enige eigendunk. Ieder waant zijn eigen uil een valk te zijn. Word je echter vicaris van Augustinus, loop je in zijn parochie rond en sta je in zijn basiliek tussen de opeengepakte menigte naar hem te luisteren – dan blijk je een krullenjongen.
Maar je wordt door hem vooral bemoedigd. Want al is hij bisschop, hij zetelt in geen trots paleis. Zijn hele manier van doen, zijn prediking, zijn openstaan voor de mensen, zijn leidinggeven – het gebeurt allemaal op een natuurlijke en innemende manier. Je voelt je daardoor uitgenodigd het ook te proberen, op jouw manier, met jouw gaven. Bezig zijn met Augustinus via Van der Meer stimuleert en opent perspectieven, zodat je ook anno 2009 voorganger durft te zijn.
Graag haal ik enkele momenten uit het boek naar voren die ons heden ten dage kunnen inspireren in ons ambtelijk werk en iets bieden van de consolatio (troost) van de Heilige Geest voor armlastige dienaren des Woords.

Een zondag in Hippo
De eerste van het viertal etsen dat ik met u wil bekijken, is die – hoe kan het anders – van de prediking. Zo toch kennen we met name Augustinus: als prediker. Dat was zijn passie. Is de prediking niet ons aller passie? Van der Meer beschrijft ons een koele zondagochtend, waarin de witte havenstad Hippo bruist van gedempt lawaai. De slaven draven door de achterstraten, de winkels zijn open, de muilezeldrijvers sporen hun dieren aan. Intussen ziet men de gelovigen opgaan naar de Grote Kerk. De bronzen deuren staan naar binnen open en wie daardoor het godshuis betreedt, komt in één keer vanuit de felle zon in de schemer van het schip terecht.
Prachtig zoals Van der Meer ons de opgekomen schare tekent van vissers en matrozen, kooplieden en veteranen, grondbezitters en vreemden op doorreis. Vooraan staat een roerige groep kinderen, apart de godgewijde maagden en de weduwen in hun donkere sluiers. En ook weer apart de boetelingen evenals de catechumenen, die over anderhalf uur weg moeten. Iedereen luistert. De commandant van de kustwacht en de rijke, met sieraden omhangen vrouwen, de huisslaven die de kinderen vergezellen en de pedagogen die de kwajongens het nodige moeten bijbrengen.
Na de groet is er een jonge voorlezer die met zijn heldere jongensstem een perikoop uit de Schrift declameert. Vervolgens wordt een psalm gezongen. Daarna zet Augustinus zich op de cathedra en begint te preken. Ruim een uur lang.

Geheim
Wat het geheim van zijn preken is, valt amper te analyseren. Wie ze leest, raakt onder de bekoring ervan. Hoeveel te meer moet dat het geval geweest zijn, toen ze viva voce gehouden werden. Er zijn op dit moment zo’n zeshonderd geschreven preken van Augustinus bekend. Dat is waarschijnlijk tien procent van het aantal keren dat hij gepreekt heeft. Ze bekoren. Door hun eenvoud, door hun diepzinnigheid. Ze staan dichtbij de Schrift en tegelijk ook dichtbij de mensen, met wie Augustinus voortdurend in gesprek is.
Dat laatste is het wat homiletisch gezien zijn preken zo sterk maakt. Wellicht dat wij ons daar ook meer op moeten toeleggen: de dialogische opbouw van onze verkondiging. Nu ben ik de eerste om te zeggen dat retorica er níet toe doet. Mijn gereformeerde geweten speelt danig op, wanneer een preek wordt afgeserveerd vanwege een saaie voordracht. Niet voor niets relativeert Calvijn in zijn commentaar op 1 Korinthe 1 krachtig de welsprekendheid. Ook Augustinus zelf zegt dat de regels der retorica niet onontbeerlijk zijn; zeker in die dagen een stoutmoedige opmerking. Toch moeten we ook aan de andere kant van het schip durven te hangen door te stellen: wie in dezen niet bij de bisschop van Hippo in de leer gaat, dient zichzelf de gang naar de cathedra te ontzeggen.
Augustinus schroomde niet om het over de hel te hebben, en over hellestraf. Ook een leermoment? In elk geval, wanneer hij zich verplicht voelde bestraffingen uit te delen, wilde hij zelf niet vrijuit gaan. Wat hij uitdeelde, was zijn eigen leeftocht: ‘Ik geef u het voedsel waar ik zelf op teer. Ik zet u voor waar ik zelf van leef. Medeknecht ben ik, geen vader des huizes.’
Als de preek ten einde is, deint de ontspanning door de menigte, die stijf is geworden van het staan. Het is tevens het moment dat de catechumenen, de ‘profanen’, moeten verdwijnen, al worden ze in vrede heengezonden. Wanneer ze buiten zijn, duwen de wachters de zware bronzen deuren dicht en gaan de grendels erop. Want nu ‘is het goed – zoals in één van de apocriefen staat – het geheim des Konings te verbergen.’ Vervolgens begint het goddelijk mysterie van het offer.

Liefdesvuur
De tweede ets. Wat mij vaak fascineert, is de allegorische uitleg die we bij Augustinus aantreffen. En niet alleen bij hem, maar in een groot deel van de kerkgeschiedenis. ‘Uit allerlei schepsel trekt men een gelijkenis om de goddelijk geheimen af te beelden.’ Daarom heet Christus lam en leeuw en rots. De kerkvader beargumenteert zijn wijze van uitleg niet; zozeer was men in die dagen overtuigd van de voorrang van de geestelijke boven de letterlijke zin. Voor ons rust daar een zeker taboe op en ik denk veelszins terecht. De werkelijkheid kan door allegorese vervluchtigen. Niettemin, kunnen – ruw geschat – vijftien eeuwen zinnebeeldige exegese zomaar aan de kant geschoven worden? En vooral, zou onze platte tijd en onze tweedimensionale geloofsbeleving – die we ook in ons domineeshart aantreffen – niet geholpen zijn met de gedachtegang áchter de allegorese? De geestelijke zin wil onze ziel omhoogtrekken naar de aanschouwing Gods. Dat kan filosofisch opgevat worden, om precies te zijn neoplatoons. Maar schuilt er ook niet een volop Schriftuurlijke trek in, namelijk dat we – om het met een bekend Augustinuswoord te zeggen – christenen voor de eeuwigheid zijn? Het symbool en de letter zijn voor de kerkvader tekenachtige middelen die een hogere werkelijkheid oproepen en zorgen voor de ‘aanraking Gods’. Het is zijn verlangen God en de ziel te kennen en anders niets. Ik herken dat voor mijzelf en u wellicht ook. Een legitiem verlangen? Ja. Althans, voor zover het uit de buurt blijft van de egocentrische en egoïstische zelfverwerkelijking, die veel hedendaagse spiritualiteit beoogt. Dat is onzuivere mystiek, maar op dat punt was Augustinus beslist besneden. Hij droeg immers het besef met zich mee van eigen onmacht en wist zich volstrekt afhankelijk van de goddelijke genade. Díe zag hij overal in afgebeeld, niet het minst in de Schrift zelf. Zij is voor hem een onmetelijk woud van profetie; nergens is het kaal, de dichtheid der inspiratie is overal gelijk, en dat ganse woud ruist met alle kruinen het ene woord Christus.
Daarom vind ik ook in deze ets het nodige van mijn gading en begrijp ik dat Augustinus de Schrift juist op dit punt zo welsprekend vond, omdat ze ons gemoed in beweging zet van het zichtbare naar het onzichtbare, van het lichamelijke naar het geestelijke, van het tijdelijke naar het eeuwige. ‘Het is een feit dat al wat ons op allegorische wijze wordt verkondigd, warmer aandoet, dieper ontroert en meer ontzag wekt dan wanneer het open en bloot zo direct mogelijk gezegd wordt.’ Waar het vooral om gaat, is dat de geestelijke zin het liefdesvuur wil voeden en aanblazen, zodat we worden opgevoerd naar de echte, nimmer eindigende sabbatsrust.

Desem
De derde ets: Augustinus’ houding tegenover het donatisme. Hoezeer heeft dit schisma zijn ambtelijk bezig-zijn beheerst. Godzijdank heeft hij het kunnen weerleggen. Bij mijn weten is dat ons tot nog toe niet gelukt met wat wij aan afscheidingen en uittredingen en verenigingen hebben meegemaakt. Helaas.
Augustinus bleek in elk geval door zijn weerlegging van het donatisme een hamer der ketterijen en een zuil der catholica. Niemand heeft aangrijpender de rampzaligheid beschreven van degenen die omwille van een ervaring of een denkbeeld of een smaak of wat dan ook de kerk verlaten. Niemand heeft overtuigender de onontbeerlijkheid doen gevoelen van de kerk als de alleenzaligmakende arke der behoudenis in de zondvloed van allerlei subjectieve godsdienstige ervaringen. U proeft de actualiteit. ‘O! – riep hij eens uit in een overvolle basiliek, waar hij een verstokt schismatiek bisschop had binnengetroond en preekte voor vele andersdenkenden – buiten de kerk kan hij alles krijgen: het ereambt kan hij krijgen, het sacrament kan hij krijgen, het halleluja kan hij zingen, het amen antwoorden, het evangelie preken, maar de zaligheid buiten de kerk, die vindt hij nergens.’
Het is Augustinus geweest die de kerk van Afrika en van alle tijden geleerd heeft dat niemand God tot een genadige Vader kan hebben die de kerk niet in ere houdt als zijn moeder.
Toch heeft hij nog iets groters verricht. Want hij heeft niet alleen gekerfd en gesneden, maar ook geheeld; niet alleen wolven verdreven, maar de verstrooide kudde vergaard. Roerend was zijn zorg juist voor de partij van de donatisten. Uiteindelijk bleek hij ten opzichte van hen een echte pastor en zodoende heeft hij het nageslacht geleerd in andersgezinden niet zozeer de schurftige als de verdwaalde schapen te zien, schapen voor wie de rechtgelovige bisschop niet minder verantwoordelijkheid draagt dan voor de zelfbewuste en even onverdienstelijke kudde die zich thuis weet in de veilige kooi. Wanneer deze trek ons gereformeerd-zijn en ons predikantschap doordesemt, zijn wij waarlijk katholiek.

Smekeling
De laatste ets: die van zijn heengaan. We schrijven het jaar 430. Hippo is belegerd door de Vandalen. In de stad zelf ligt de bisschop, oud en zwak, op zijn ziekbed. En meer dan wie ook gefolterd door het falen van het Imperium Romanum, door het lijden van de kerken en door de geweldige ontreddering vanwege het ineenstorten van het rijk. De clerus, die om zijn bed heen staat, hoort hem bidden of God Zich verwaardigen wil de stad te ontzetten, of, als Hij anders beschikt heeft, Zijn dienaren te sterken om Zijn wil te doorstaan, maar hém uit deze wereld tot Zich te roepen.
In de derde maand van het beleg werd hij doodziek. Nog eenmaal groette hij hen allen. Toen verzocht hij hem verder alleen te laten en niet meer binnen te komen, tenzij voor lafenis of met een arts. Meer dan eens moest hij denken aan de stervende Ambrosius, die de omstanders troostte met de woorden: ‘Ik heb niet zo geleefd dat ik mij zou schamen nog langer onder u te leven. Maar ik schroom ook niet om te sterven, want wij hebben een goede Vader.’
Voor zichzelf durft Augustinus deze woorden niet te herhalen. Want – zei hij – ook goede christenen en priesters mogen zonder boete niet uit dit leven scheiden. Boete was in die dagen geen vrome devotie, maar een zwaar woord voor een erge zaak: het was datgene wat uitsloot van de tafel des Heeren. Zulk een boete volbracht nu deze ootmoedige kerkvader, in stilte. Hem restten slechts geloof, hoop en liefde. Maar hoe zwaar waren deze goddelijke deugden gesluierd door de rouwmantel der boetvaardigheid. Hij dacht niet aan zijn vijf talenten, aan zijn honderden geschriften. Wat dat aangaat was hij niet als de kinderen die soms zo argeloos en tevreden van hier gaan.
Tien dagen lang lag hij alleen, telkens zijn ogen gericht op de katerntjes van perkament met daarop de boetepsalmen, die hij aan de muur had laten nagelen. Voortdurend herhaalde hij de woorden daarvan en dan weende hij. Zo stierf hij, als een smekeling, en zo verscheen hij voor Gods troon.
Dat is de bedelaarsgestalte, die ook Luther zo lief was, en onze Heidelberger, en zovele andere kinderen Gods, van wie wij er ook (hebben) mogen kennen. De gestalte die ook u en mij lief is, omdat ze zo helemaal bij ons past. Moet je het niet, juist als theoloog, hebben van de rechtvaardiging van de goddeloze?
Daarachter schuilt het primaat van de goddelijke liefde, waarvan Augustinus zo hoog kon opgeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Augustinus, onze zielzorger

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 januari 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's