Tucht of niet
Voortgaande bezinning op de kinderdoop [4, slot]
Welke consequenties moet het hebben voor zijn plaats binnen de gemeente wanneer een gemeentelid zich laat overdopen? Of wanneer hij zijn eigen kind niet ten doop wil brengen? Het zijn de vragen naar beleid, pastoraat, tucht en ambt.
Een aantal belangrijke aspecten speelt hier een rol.
In de eerste plaats staat de kerk op grond van de Schrift en haar belijdenis pal voor de eenmaligheid en de onherhaalbaarheid van de doop. Dit bleek onder andere tijdens de septemberzitting van de protestantse synode, waarin met name vanuit lutherse kring gewaarschuwd werd tegen alle rituelen waarin de doop ‘bijna herhaald’ zou worden. Wie hieraan tornt, schudt aan wezenlijke fundamenten van de kerk. De doop verwijst immers naar het eenmalige en onherhaalbare offer van Christus.
In de tweede plaats moeten we bedenken dat de Reformatie huiverig was voor een doorgeslagen tuchtoefening, zoals die bij de wederdopers te zien was. Omdat het rond de tucht heel nauw luistert, zullen wij ook goed moeten luisteren naar beweegredenen en achtergronden van degenen die de kinderdoop weigeren of overdoop begeren. Willen wij met tucht trekken en niet afdrijven, dan zullen we uiterst behoedzaam en zorgvuldig hierin onze weg moeten zoeken.
Niet eensluidend
Ten derde moeten we eerlijk constateren dat er geen eensluidendheid bestaat tussen de kerken van gereformeerd belijden als het gaat om beleid en tucht. Wordt in de kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken de overdoop genoemd in het artikel over de ban, in Nederlands Gereformeerde Kerken is van tuchtoefening op dit punt zelden sprake. Zowel in de Nederlandse Hervormde Kerk als in de Protestantse Kerk is door colleges van visitatoren, opzicht en tucht en bezwaren en geschillen nooit beleid aangereikt. Het is daarom niet vreemd als kerkenraden in het duister tasten wanneer zij met de onderhavige kwesties te maken krijgen.
Als laatste bepalende gedachte herhaal ik wat ik in Genade als erfgoed schreef: we moeten overdoop en de weigering van de kinderdoop beschouwen en behandelen als dwaling, niet als zonde. Dit onderscheid is tot heden door niemand ter discussie gesteld. Het is ook een oud onderscheid, onder andere te vinden bij de gereformeerde kerkjurist dr. H. Bouwman (1934). Het helpt ons om de dingen in hun juiste proporties te zien en te behandelen. Het vraagt extra veel wijsheid om een gemeente te leiden die op het punt van de doop in verwarring wordt gebracht.
Praktijk
Wat betekent het bovenstaande voor de praktijk? De allereerste roeping van een kerkenraad is dat hij helder blijft spreken over de kinderdoop. De eerste en belangrijkste tuchtoefening is nog altijd de verkondiging van het Woord. Door deze verkondiging worden allen die dwalen, vermaand. Op persoonlijk niveau zoekt de kerkenraad het gesprek over de doop gaande te houden, om vanuit het Woord van God de onzekeren en dwalenden te onderwijzen en te overtuigen.
Wij moeten dus niet meteen naar de wapenkast van de tuchtmaatregelen vluchten. Hoewel dwaling op het punt van de (kinder)doop ernstig is, hoeft zij op zichzelf geen belemmering te vormen voor deelname aan het Heilig Avondmaal. Dit kan ook gelden voor gemeenteleden die bijvoorbeeld uit een baptistische gemeente zijn overgekomen. De afhouding van het avondmaal (censuur) is een ingrijpende regel, waarmee het gemeentelid verkondigd wordt dat hij buiten het rijk van Christus verkeert zolang hij in een zonde volhardt. Dat oordeel durf ik niet te vellen.
Wel kan een kerkenraad, zolang de kwestie speelt, een gemeentelid adviseren zich van de tafel des Heeren tijdelijk te onthouden. Dan is het geen tuchtmaatregel, maar een middel om de onrust in de gemeente niet onnodig sterker te maken. En wanneer gemeenteleden hun kinderen (nog) niet laten dopen, is de situatie anders dan wanneer gemeenteleden zich laten overdopen. In het eerste geval is de onherhaalbaarheid van de doop niet in het geding, in het tweede geval wel, en dus is de situatie dan ernstiger.
Ambtsdrager
Bij ambtsdragers ligt het anders. Van ambtsdragers mag worden verwacht dat zij zich conformeren aan het beleid en het belijden van de kerk en de kerkenraad. Een ambtsdrager die dwaalt in de leer van de doop, maakt zichzelf ongeloofwaardig in de gemeente. In de ambtelijke vergaderingen geldt de regel dat ambtsdragers hun eigen standpunt ondergeschikt maken aan het gezamenlijke standpunt van de kerkenraad. Wie dat om des gewetens wil niet kan, moet (helaas) de consequentie trekken door zijn ambt neer te leggen. Hier mag een kerkenraad een betreffende broeder om verzoeken.
Wanneer een ambtsdrager dit weigert, kan een kerkenraad niet zelfstandig tot tuchtmaatregelen over-
Dit is de laatste bijdrage in deze reeks, die in zijn geheel is te downloaden via www.gereformeerdebond.nl (De Waarheidsvriend > Verschenen series en artikelen).
gaan. Hier moeten de hogere kerkelijke organen bij betrokken worden, met name de regionale commissie voor het opzicht. Het is inmiddels enkele keren voorgekomen dat predikanten die de kinderdoop weigerden te bedienen, geschorst werden. Maar of dat ook bij andere ambtsdragers gebeurde, is mij onbekend.
Eveneens is mij onbekend wat de kerk in deze gevallen wél doet. Ik zou de kerk daarom ook van harte willen oproepen om vanuit de generale colleges duidelijke richtlijnen op te stellen waarmee kerkenraden en regionale commissies hun handelen kunnen bepalen. Het lijkt me in ieder geval klip en klaar dat gemeenteleden die de kinderdoop niet voor hun rekening willen nemen, geen ambtsdrager kunnen zijn. En geldt dat niet tevens voor leidinggevenden in het jeugdwerk, werk dat zijn fundament heeft in de bediening van de Heilige Doop aan de kinderen van de gemeente?
Nieuwe situatie
Wanneer gemeenteleden de afwijzing van de kinderdoop en het voorstaan van overdoop in de gemeente gaan uitdragen, ontstaat een nieuwe situatie. De eenheid van de gemeente staat onder druk, aan het belijden van de gemeente wordt geschud. Een dergelijke opstelling leidt tot afbraak van de gemeente en tot verwarring van de zielen. De avondmaalsgang wordt dan wel problematisch.
Ik vind dat zulke gemeenteleden zelf eerlijk moeten zijn en zich moeten afvragen of zij nog in één geloof met de gemeente om de Tafel kunnen zitten. En kerkenraden moeten eerlijk zijn en hier een grens stellen. Naast het motief van afwijking van de leer van de doop speelt hier sterk het motief van afbraak en verwarring van de gemeente. Ik hoop dat een regionale commissie van bezwaren en geschillen een kerkenraad hierin niet zal afvallen. Daarom nogmaals: kerkelijk beleid gevraagd!
Los verkrijgbaar
Aan gemeenteleden die zich elders laten overdopen maar wel met de eigen gemeente verbonden willen blijven, moet de vraag gesteld worden of de doop zomaar los verkrijgbaar is. Betekent het ontvangen van de doop niet tegelijkertijd de inlijving in de gemeente waarin de doop bediend wordt? Is het zuiver en correct om als in een supermarktcultuur hier de preek en daar de doop te halen? Getuigt het van eerlijkheid om wél de avondmaalstafel maar niet de doopvont te delen? Hier liggen belangrijke elementen voor het pastorale gesprek.
Laten we deze gesprekken tegelijkertijd ook zodanig in de liefde van Christus voeren dat mensen na hun overdoop terug kunnen keren tot de gemeente. Dat betekent dat wij nooit zelf de gesprekken afbreken en contacten verbreken. In verband met het Calvijnjaar is het leerzaam dat de reformator van Genève huwde met de weduwe van een wederdoper. Deze vrouw was zelf ook overgedoopt, maar keerde blijkbaar op haar schreden terug en zo heeft zij een belangrijke rol in Calvijns leven mogen vervullen.
Handschoen
Ik sluit af met twee gedachten. De eerste heb ik min of meer al verwoord waar het ging om de rol van de kerk en haar organen. De overdoop is in de gemeenten van de Protestantse Kerk geen incident meer. Er is zoveel verwarring rond kinderdoop en overdoop, dat de kerk met duidelijke richtlijnen moet komen over beleid en pastoraat rond deze vragen. Laat de kerk duidelijk maken, welke ‘termen’ er zijn voor kerkelijk handelen. Hiermee kunnen kerkenraden, visitatoren en andere gremia zeker hun winst doen. Wie neemt deze handschoen op?
Als tweede en laatste gedachte geef ik aan kerkenraden het advies om helder beleid te maken over wat kan en niet kan in de gemeente. Zoals in vele andere situaties moeten wij ook hier beslissingen nemen die het persoonlijke, geestelijke leven van gemeenteleden raken. Meer dan eens voeren wij een ad hoc-beleid, wat vaak ervaren wordt als een voor-het-blok-beleid. Geeft een kerkenraad op voorhand duidelijk aan welke wegen al dan niet begaanbaar zijn in de gemeente, dan weten gemeenteleden welke consequenties het kan hebben als zij rond de doop een ander standpunt innemen. Dat voorkomt onnodige geestelijke beschadiging. Voorkomen is tenslotte beter dan genezen. Ongetwijfeld kan een gemeenteavond of een bredere bezinning op de (kinder)doop een goede aanzet tot zulk beleid geven. Gelukkig ken ik situaties waarin gemeenteleden uiteindelijk toch, en overtuigd, hun kinderen lieten dopen en hun eigen doop leerden verstaan. Wat een les: doopwater droogt nooit op!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's