Vraag is of wij goed zitten
Pamflet dr. Meijering verlangt antwoord
Als dr. E.P. Meijering schrijft over de neergang van de kerken in Nederland, steekt hij de hand diep in eigen boezem. Zijn pamflet 'Het roer moet om!' dwingt ook hervormd-gereformeerden tot zelfonderzoek. Moet ook onder ons het roer niet om?
Vorig jaar las ik Het Nederlands christendom in de twintigste eeuw van dr. Meijering (1940). Een boek dat wat met je doet. Allereerst door wat je leest over alles wat er gebeurd is in die mooie, verschrikkelijke twintigste eeuw, waarvan je zelf bijna een halve eeuw deel hebt uitgemaakt. Maar ook omdat je je telkens genoopt voelt positie te kiezen: hoe zou ik gereageerd hebben op wat zich voordeed?
Om iets te noemen: wereldse vermaken, die ons volk steeds meer gingen bekoren. De seksualisering – een rooms-katholiek auteur schrijft al in 1930 dat door moderne klederdracht en gewaagde affiches het schaamtegevoel meer dan in vroeger dagen reeds op jonge leeftijd afgestompt wordt. De ontmanteling van christelijke organisaties. Het verdwijnen van God uit de Tweede Kamer. En vooral de grote theologische vragen over God en het lijden, het God-zijn van Christus, Schriftgezag, geloof en wetenschap, theocratie.
Er ís in dezen steeds positie gekozen. Bisschoppen en synodes reageerden dikwijls waarschuwend, althans in de eerste helft van de vorige eeuw. Veel van hun reacties zijn samen te vatten in het apostolisch appèl: ‘Houd wat gij hebt.’ Meer dan eens dacht ik: maar zo zou ik ook gereageerd hebben! Net als die behoudende rooms-katholieke bisschoppen en de vroegere gereformeerde synodes. En het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond zou tot op de dag van vandaag eender reageren. Het is immers niet niks: de teloorgang van het christelijk gewaad van onze samenleving en de doorwerking van de ideeën van de Franse Revolutie. ‘Houd wat gij hebt!’
Ontwikkelen
Dr. Meijering, een remonstrants theoloog die tot zijn pensionering lector in de theologiegeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden was, onthield zich in Het Nederlands christendom van commentaar. Enige tijd geleden echter publiceerde hij Het roer moet om! Daarin neemt hij de vrijheid om wat er in de tweede helft van de vorige eeuw gebeurd is van persoonlijke kanttekeningen te voorzien. Het zijn indringende notities, niet het minst voor het smaldeel van de kerk waartoe wij behoren.
‘Onze’ gemeenten ontwikkelen zich namelijk volop. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de bezinning op liturgie, die in veel plaatsen gaande is. En uit het uiterlijk van de gemeente, met name ’s zondags. En misschien wel met name uit de prediking. Wat is hierin een koers die bijbels verantwoord is? Zou het pamflet van dr. Meijering ons daarbij kunnen helpen? Hij zegt namelijk dat wij als feilbare, zondige mensen telkens moeten bijsturen, omdat wij ten opzichte van God nooit goed zitten. Welke koerscorrecties stelt hij voor?
Mengelmoesgeloof
Diep steekt hij de hand in eigen boezem als het gaat om de neergang van de kerken in Nederland: ‘Mijn generatie, die sinds de jaren zestig leiding heeft gegeven aan het kerkelijk leven, heeft daarin verregaand gefaald.’ Vanuit een herbezinning op het erfgoed van de Reformatie doet dr. Meijering, acht hoofdstukken lang, aan een komende generatie enkele suggesties, zodat de schade nog enigszins gerepareerd kan worden.
Hij wijst op het ongenoegen waar Barth een eeuw geleden mee zat, omdat hij merkte dat het in de theologie niet meer ging om een werkelijk sprekende en handelende God. Men verloor zich in psychologie. Is het nu veel beter? Houden we ons niet slechts bezig met de mens en zijn (religieuze) gevoelens? Wel hebben we geprobeerd iets te doen aan allerlei wantoestanden in de wereld. We hebben het voortouw genomen in de demonstratie tegen kernwapens. Maar spraken we over het eigene (!) van het christelijk geloof ? Dát hebben we te doen! En geen discussies over het bestaan van God. Die laten slechts zien dat de kerk stuurloos is.
Het gaat om het geloof in die God Die tot ons komt in Christus. Van al het andere geloof, het mengelmoesgeloof, moeten we in de kerk bevrijd worden. En als mensen afhaken? ‘Liever een kleine kerk van concreet gemotiveerden dan een steeds kleiner en grijzer wordende kerk van ‘religieus breed geïnteresseerden’.’
Uit het slop
Op een eenzijdige manier is de Bijbel gelezen. Vanuit de vraag: wat moeten we doen? Daardoor raakte het evangelie ondergesneeuwd onder een moralisme dat dacht de wereld te kunnen verbeteren. Toen dat niet lukte, las men de Bijbel vanuit de vraag: wie ben ik? Dat leidde tot psychologisch navelstaren.
Mede n.a.v. E.P. Meijering:
‘Het roer moet om!’;
Uitg. Meinema, Zoetermeer; 75 blz.; € 9,90.
Het typisch reformatorisch spreken over de Bijbel als het Woord van God kan ons uit het slop halen. Dat weet van het centrum van de Schrift: Gods genade, ons verschenen in Christus. Wil deze kern oplichten, dan dient de verkondiging een gebéuren te zijn. Dat hebben we zelf echter niet in de hand. Daarvoor zal de Geest van God over ons vaardig moeten worden. We kunnen Hem alleen niet programmeren.
Nieuwe doordenking
Dr. Meijering heeft het ook over het geschenk van de schepping. Maar we hebben geen vreugde in onze Schepper en zoeken daarom ons vertier in de schepping zelf. Of we doen aan mystiek, maar laten liggen wat daaraan de eeuwen door verbonden is geweest: soberheid. Uitgebreid spreekt hij over de zonde. Weten wij nog wat goed en kwaad is? We hebben een tijdlang scherp gekeken naar de omstandigheden die menselijk feilen veroorzaken. Of we legden de vinger bij de aanleg van de mens. We stelden maatregelen voor ter verbetering. Maar waren we niet veel te optimistisch in onze visie op de mens? Wij richten meer kwaad aan dan de dieren en die doen het nog onbewust. Meijering pleit voor een nieuwe doordenking van de erfzondeleer. We hebben God nodig om met onze feilbare, zondige natuur te leven en om die niet uit te leven. We hebben Christus nodig.
Idealen
Scherp gaat Meijering in tegen de visie op Jezus die velen sinds de jaren zestig hebben: een persoon gegrepen door het visioen van het Koninkrijk Gods. Zijn inzet dienen we na te volgen: verbetering van de wereld. Echter, wie verbetert óns? We hebben zelf verzoening nodig. De kloof tussen God en ons moet overbrugd worden. Dat doet God, in Christus. ‘De kern van het christelijke geloof blijft dat het heil van Godswege al in Jezus onder ons is verschenen. Ons innerlijk leven moet gericht worden op God, zoals hij in Jezus tot ons komt.’ Meijering spelt ook de reformatorische – beter: de bijbelse – grondwoorden rechtvaardiging en heiliging. Slechts Gods onverdiende genade kan de voedingsbodem van onze activiteiten zijn. Niet dat we daardoor Jezus’ idealen kunnen realiseren. Hij had geen idealen voor een betere wereld, maar wilde mensen bij God brengen. Wat wij wel kunnen doen is als christenen een hechte gemeenschap vormen. Daarin plaatst God ons, wanneer Hij ons heiligt. Zo ontvangen we onze identiteit.
Wat velen ook overboord gooiden, was het geloof in de hemel en de hel. Het hier en nu werd het een en al. Echter, het Nieuwe Testament getuigt dat God ons tot in der eeuwigheid niet loslaat. ‘Als we dit niet meer mogen geloven, dan is het christelijke geloof een irrelevante illusie’, aldus Meijering.
Emancipatieproces
Misschien hebben wij als hervormd-gereformeerden in het tijdvak waarover dr. Meijering spreekt wel goed gezeten. De vraag is echter of we nú goed zitten. Moet ook onder ons het roer niet om? Dat is de toepassing die ik voor mezelf maak aan de hand van het pamflet van de vroegere Leidse lector. Of hij het voor ons bedoeld heeft?
Laten we in elk geval zo eerlijk zijn onszelf af te vragen of we niet in het emancipatieproces zitten dat twee generaties geleden de Gereformeerde Kerken kenmerkte en nu bezig is bij de gereformeerd vrijgemaakten. En dat onderhuids ook in de afgescheiden kerken ter rechterzijde gaande is.
Is dat een heilzaam proces? Veel wordt georganiseerd. Veel wordt gedaan om van onze gemeenten een aantrekkelijke gemeente te maken. Maar veranderen we niet ongemerkt van koers? Hoe scherp (s)preken we over de zonde? Verwachten we het voluit van Gods genade? Geloven we dat Gods Woord het echt doet en dat we ons dus voor onze kerkdiensten niet hoeven te schamen?
Niet terugschrikken
Het is goed naast het indringende geschrift van dr. Meijering een vergelijkbaar geschrift te leggen, dat een halve eeuw ouder is, namelijk Crisis der middenorthodoxie van prof.dr. H. Berkhof. Slaan zijn verwijtende woorden van toen in de richting van het grote midden der kerk nu niet op ons? Hij constateerde dat het met de prediking van de wet niet klopte. ‘Ik waag de stelling, dat onze drukke, bijna amerikaans aandoende, kerkelijke activiteit ontspringt aan een opvatting van de wet los van het evangelie, die samenhangt met het feit, dat ’s Zondags een evangelie los van de wet verkondigd wordt. (...) Weinigen worden er door geërgerd en weinigen gewonnen.’ Telkens wanneer ik deze woorden lees, ervaar ik dat ik ze mij moet aantrekken. Grijp ik al prekend de mens voldoende in zijn kraag? Of ben ik bang hem pijn te doen? Veelzeggend is ook dat uit veel kansel- en consistoriegebeden de schuldbelijdenis is weggeëbd. We mogen niet terugschrikken voor een markante prediking van wet en evangelie. Ik weet, een appèl om helder en eigentijds zonde en genade te verkondigen klinkt geijkt. Of mogen we geloven dat zulke prediking, hoe onbeholpen soms gebracht, het ijk van de Heilige Geest draagt? Nochtans!
Van Hèm hebben we het te verwachten. Uiteindelijk gooit Híj het roer om. Of wacht Hij er nog mee, omdat we nog niet verlegen genoeg om Hem zitten? Zwingli dichtte: Heer, stuur Zelf het schip der kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's