De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vaste kaders voorbij

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vaste kaders voorbij

Jong en christelijk in 2009 [3]

7 minuten leestijd

De kijk op de godsdienstige vorming van jongeren is de afgelopen jaren helemaal verschoven. Niet de leer maar de jongere staat centraal. Iets waar de kerkelijke gemeente, scholen en gezinnen zich bewust van moeten zijn.

Met het oog op de christelijke vorming van jongeren functioneerde tot ver in de twintigste eeuw de zogenoemde triangel: de driehoek van gezin, kerk en school die samen en in samenhang optrokken in de vorming van christenjongeren. Die samenhang kon er zijn, omdat religieuze vorming nog werd opgevat als een systematische inleiding in de boodschap van evangelie en traditie. Daarbij hoorde ook een inlijving van de jongere in de leer en het leven van de plaatselijke christelijke gemeente. Gezin, kerk en school waren belangrijke pijlers van die gemeenschap.

Leefstijlmaatschappij
Vanaf halverwege de twintigste eeuw zijn er echter meer en meer scheurtjes ontstaan in de verbindingen van deze triangel. Deze scheurvorming heeft te maken met het ontstaan van een leefstijlmaatschappij. Met die verschuiving verschoof ook de visie op religieuze vorming.
In een leefstijlmaatschappij vormen de school, het gezin en de kerk niet meer de vaste kaders die de identiteit van een christenjongere verregaand bepalen. In plaats daarvan ontwikkelt het individu, de jongere, een eigen leefstijl en (godsdienstige) identiteit en dat doet hij min of meer onafhankelijk van de zogenoemde triangel. Allerlei vormen van christelijk geloof onder jongeren zijn nog springlevend, maar de geloofsopvoeding wordt niet langer langs de traditionele patronen gestalte gegeven. Jongeren voelen zich minder gebonden aan een kerkgenootschap en gaan meer hun gevoel achterna. Bovendien kunnen er behoorlijke verschillen in opvatting tussen gezinnen, kerken, scholen en leraren en natuurlijk onder de jongeren zelf zijn.
Terwijl religieuze vorming in het ‘triangeltijdperk’ gericht was op inwijding in een specifieke religieuze traditie, sluit de religieuze vorming in een modern tijdperk meer aan bij de individualisering van het geloof. De kijk op religieuze vorming verschuift van een deductieve (van het algemene naar het bijzondere) naar een inductieve (van het bijzondere naar het algemene) benadering. Ik zal dit toelichten.

Eind van de straat
De deductieve benadering van religieuze vorming kan gekarakteriseerd worden als dogmatisch: de juiste leer staat centraal. Het gaat om een systematische inleiding in de boodschap van evangelie en traditie, en de vorming is gericht op deelname aan het leven van de geloofsgemeenschap. Zo word je geboren in een gereformeerd gezin, je groeit op en gaat elke zondag mee naar de gereformeerde kerk, je bezoekt de gereformeerde lagere school en blijft tot je volwassen bent op allerlei manieren participeren in dit gereformeerde milieu. De inductieve benadering van religieuze vorming kenmerkt zich daarentegen meer door een existentiële dan een dogmatische benadering; de autonomie van het kind of de leerling staat centraal. Je wordt nu weliswaar geboren in een protestants gezin, maar je gaat in je kinderjaren naar de rooms-katholieke school aan het einde van de straat. Je ouders gaan wel regelmatig naar de kerk, maar jij hoeft niet per se mee. In je puberjaren laten je ouders je helemaal vrij in waar je je op religieus vlak mee bezighoudt. Ze waarderen het enorm dat je belangstelling hebt voor vragen rond de zin van het bestaan en stimuleren je om daar op je eigen wijze antwoorden op te vinden.

Losjes naast elkaar
Met een verschuiving naar een inductieve benadering van godsdienstige vorming is de aansluiting bij de individuele leefstijlen van jongeren een belangrijk thema geworden. Die leefstijlen zijn veel sterker verbonden met een leefwereld van jongeren zelf, waarop kerken, scholen en gezinnen veel minder invloed hebben dan in het ‘triangeltijdperk’. Scholen, kerken en gezinnen functioneren losjes naast elkaar, op zoek naar een stukje verbinding met deze leefwereld.
Dit is in de kern wat de consequenties van de moderniteit en modern geloven voor de drie instituten kerk, gezin en school zijn. Ik loop ze alle drie afzonderlijk langs.

Relimarkt
Kerken weten zich naast heel veel andere aanbieders geplaatst op een ‘markt’ van religieus aanbod. Deze marktpositie van het instituut kerk staat op spanning met de deductieve benadering van waaruit de kerken eeuwenlang hebben gewerkt. Marktwerking op de zogenaamde relimarkt is sinds een aantal decennia realiteit in Nederland en typisch een modern fenomeen. In de Nederlandse situatie lijkt er vooral veel marktwerking te zijn binnen een dominante kerk of religie.
Individuele keuzes van zinzoekers op deze markt hebben vaak te maken met zoeken naar meer beleving. Daar proberen kerken zo goed mogelijk op in te spelen. Iets wat kenmerkend is voor een inductieve benadering van religieuze vorming.
Het belang van beleving, vooral voor de huidige jongerengeneratie, zien we bevestigd in het rapport God in Nederland 1996-2006. Het motief van geloofsbeleving blijkt zeker bij jongeren een belangrijk motief om kerkelijk betrokken te zijn. Het rapport maakt duidelijk dat jongeren in vergelijking met alle Nederlanders minder kerkelijk en kerks zijn, maar wanneer ze op de kerk betrokken zijn, zijn ze dat wel intenser dan bij ouderen het geval is. Dit laatste houdt ongetwijfeld verband met de tendens dat betrokkenheid bij een kerk veel meer dan vroeger een persoonlijke keuze dan een sociaal wenselijke vanzelfsprekendheid is.

Christelijke identiteit
Onderwijsinstituten hebben een grote rol in de vorming van jongeren. Als een school een christelijke school is, zou dat consequenties moeten hebben voor de wijze waarop die vorming gestalte krijgt. De laatste decennia lijkt de betekenis van die christelijke identiteit op vele scholen echter in te boeten. Uit onderzoek van G. van Hardeveld (2003) blijkt dat de identiteit van christelijke scholen op schoolniveau heden ten dage niet sterk ontwikkeld is en dat de identiteit van docenten op een en dezelfde school sterk kan variëren. Een typisch modern fenomeen.
Het instituut christelijke school worstelt met de opdracht tot (godsdienstige) vorming van haar leerlingen te midden van een multireligieuze samenlevingscontext en soms ook klassencontext en bovendien in een tijdperk van een ‘gebroken triangel’. Buurt, kerk en gezin, de aloude vaste kaders, sluiten minder dan vroeger op elkaar aan en zijn minder en minder op elkaar betrokken als het gaat om de opvoeding en vorming van kinderen en jongeren.

Verlegenheid
Zo ontstaat vooral op school een verlegenheid om God ter sprake te brengen. ‘God kan in die ruimte van de schoolwereld niet ter sprake komen, hooguit als materiaal voor zelfverwerkelijking, als een beheersbare bron van antwoorden op vragen van het zelf. God kan hooguit ter sprake komen als leverancier van zingeving voor de zichzelf verwerkelijkende mens. Dat herleidt God tot een laatste leverancier van zingeving’, schrijft A. van Harskamp in S. Miedema (red.), Religie in het onderwijs. Zekerheden en onzekerheden van levensbeschouwelijke vorming (2006).
God als ‘leverancier van zingeving voor de zichzelf verwerkelijkende mens’ weerspiegelt het marktdenken op het religieuze veld. Het geeft ook blijk van de inductieve benadering van godsdienstige vorming, waarbij niets vanzelfsprekend is en alles van persoonlijke voorkeur afhangt. Ook in het onderwijs dus.

Eigen keuzes
In vroeger tijden had het gezin naast een basis in de wederzijdse liefde van het ouderpaar een multifunctionele basis: in economisch en politiek opzicht, maar ook op het gebied van de sociale zekerheid.
In de tweede helft van de twintigste eeuw vormt naast de liefde vooral de zelfverwerkelijking de basis van een gezin. Het gezin wordt steeds meer een soort projectorganisatie, waarin liefde en autonomievergroting de kernwaarden zijn. Ik noem het een projectorganisatie, omdat gezinsleden steeds onafhankelijker van elkaar opereren en steeds minder een kleine op elkaar betrokken gemeenschap met elkaar vormen. In plaats daarvan treffen ze elkaar slechts op momenten dat dit strikt noodzakelijk is.
Deze ontwikkeling heeft zijn weerslag op de godsdienstige vorming van jongeren. De nadruk ligt op het faciliteren van eigen keuzen, en niet op voorhand op een verbinding met een (plaatselijke) geloofsgemeenschap of een inwijding in een specifieke geloofstraditie van de familie of het gezin.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De vaste kaders voorbij

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 februari 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's