INGEZONDEN
Genesis 1 (I)
Dr.ir. J. van der Graaf plaatste in De Waarheidsvriend van 5 februari belangrijke kanttekeningen bij Darwin. Van harte onderschrijf ik genoemde kritiekpunten. Verder maant hij creationisten tot voorzichtigheid bij het interpreteren van Genesis 1. Deze is inderdaad geboden. Met een aantal vragen door Van der Graaf gesteld bij Genesis 1 heb ik echter moeite. Ik zal proberen duidelijk te maken waarom.
Dr. E.C. Gravemeijer betoogt in zijn Leesboek over de Gereformeerde Geloofsleer (1892) dat het in Genesis 1 gaat om letterlijke dagen. Samengevat zijn argumenten:
1. Het was avond geweest en het was morgen geweest. Dit wordt gezegd van de eerste dag, de tweede dag, de derde, de vierde, de vijfde, de zesde dag. In de eerste drie dagen waren zon en maan en sterren er nog niet. Maar er was wel licht, want dat is geschapen op de eerste dag. De afwisseling van licht en duisternis vormde de eerste scheppingsdagen.
2. De vijfde en zesde dag werden reeds door de zon geregeerd. Dit waren dus gewone dagen. Echter, Exodus 20 vermeldt dat de Heere in zes dagen de hemel en de aarde heeft gemaakt. De Heere maakt geen onderscheid tussen de eerste vier en de laatste twee dagen. Dan kunnen toch de eerste vier dagen geen grote tijdvakken zijn geweest?
3. God zegende en heiligde de zevende dag, die op de eerste zes volgde. Het is toch niet ‘logisch’ dat Hij een dag tot rustdag ingesteld heeft die volgde op zes onbepaalde tijdvakken? De rustdag is de zevende dag. Dus er is gewoon doorgeteld, oftewel zes van zulke dagen zijn er aan voorafgegaan.
Prof.dr. P.A. Siebesma merkt – in een dictaat Hebreeuws van de CHE – bij de beantwoording van de vraag of een dag in het Hebreeuws ook een tijdperk kan betekenen, op dat het Hebreeuwse woord jom, losstaand en niet verbonden met een voorzetsel, in alle gevallen ‘dag’ in de gewone betekenis van het woord betekent. Dus in de scheppingsdagen gaat het om letterlijke dagen. ‘Hoelang zo’n dag precies heeft geduurd (vergeleken met nu bijvoorbeeld 25 uur HvdK), valt natuurlijk niet meer na te gaan. Maar daaruit mag niet de conclusie worden getrokken dat de duur van zo’n dag dan wel gelijk aan die van een tijdperk moet zijn geweest.’
Tot slot nog iets over Genesis 1:1 tot en met 3. Kan het zijn dat er tussen vers 1, de schepping van hemel en aarde, en vers 3, de schepping van het licht, een lange tijd is verlopen? Is de zesdaagse schepping pas begonnen met Genesis 1:3? Exodus 20 leert dat de Heere de hemel en de aarde in zes dagen heeft geschapen. De uitdrukking hemel en aarde betekent in de Schrift altijd het heelal (Gravemeijer). Op grond van Exodus 20 en Genesis 2:1, ‘alzo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir’, moet Genesis 1:1 nauw verbonden worden met het verhaal van het zesdaagse werk. ‘Eenvoudig wil Mozes dit: dat de wereld niet aanstonds van den beginne zo sierlijk bewerkt is geweest als zij heden gezien wordt, maar dat er een ledige chaos van hemel en aarde is geschapen geweest’ (Calvijn).
Werd de aarde woest en ledig? Siebesma toont aan ‘dat men in Genesis 1:2 de werkwoordsvorm haja niet mag vertalen met ‘werd’ of ‘is geworden’. Genesis 1:2 geeft ons aanvullende informatie over wat er in Gen. 1:3 geschiedt: de eerste scheppingsdag. Zo vertalen al de oude vertalingen van het Oude Testament dit vers.’ En beter, aldus Siebesma, is het om in onze tijd het woord chaos niet te gebruiken, want dat heeft tegenwoordig een negatieve bijklank. Toen God in vers 3 met scheppen begon, was de aarde in een complete staat van verlatenheid en eenzaamheid.
H. van der Kooij, Kesteren
Genesis 1 (II, slot)
Wat zal ik nog nieuw zeggen in reactie op broeder Van der Kooij? We zijn het er wel over eens dat het evolutionisme een valse religie is, dat in de evolutieleer wetenschappelijk gaten zijn te schieten en dat we ons geloof in de schepping niet mogen laten wegredeneren door wetenschap van het platte vlak.
Anderzijds heeft de natuurwetenschap oneindig veel mogen blootleggen van wat God Zelf in Zijn schepping heeft gelegd. Dan moeten het openbaringswoord aangaande de schepping en de wetenschappelijke vindingen in de werken van Gods handen toch niet (kunnen) conflicteren?!
Ons verschil ligt in de wijze waarop we Genesis 1 lezen, een kwestie die al bij de vroegchristelijke theologen speelde en die de eeuwen door aan de orde was. Ik zeg met broeder Van der Kooij: geen eigenmachtige invulling (van Genesis 1). Maar doe dat dan ook niet. Waarop baseert hij bijvoorbeeld zijn vragende opmerking dat de dagen in plaats van 24 uur wel eens 25 uur kunnen hebben geduurd? Dat valt natuurlijk niet meer na te gaan, zegt (ook) hij er veelbetekenend bij. Mogen we dan echter ook verder vragen?
a. Van der Kooij betrekt (met anderen) de eerste twee verzen van Genesis 1 al op de eerste scheppingsdag. Dat is een redenering door wie die dan ook gebracht of aangehangen. Want dat staat er niet. Na ‘in den beginne’ broedde de Geest al op de wateren. Die wateren waren er dus al voordat het licht werd geschapen. Pas op de tweede dag worden de wateren vaneen gescheiden. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Wanneer was in de beginne, hoe lang lag de duisternis op de oervloed? Kunnen we met derhalve met zekerheid vanuit de Schrift de ouderdom van de aarde vaststellen?
b. Letterlijk lezen? Er staat inderdaad letterlijk dat pas bij de schepping van de zon en de maan op de vierde dag scheiding wordt gemaakt tussen de dag en de nacht en dat die hemellichamen zijn ‘tot gezette tijden, en tot dagen en jaren’. Letterlijk begint dus pas dan, in de bewoordingen van Genesis 1 onze tijdrekening. Is het dan een stap te ver om vragen te stellen bij de aard van de eerste drie dagen of over het kader waarin de dagen zijn geplaatst?
c. Maar er wordt toch in heel Genesis 1 over dagen gesproken? God heeft Zich in de beschrijving van de historie van Zijn scheppingwerk gericht naar ons beperkte, menselijke bevattingsvermogen, zegt Calvijn. Dus gewoon: dagen. En dat blijft zo in de Schrift, in het kader van onze tijdrekening. Dat menselijk spreken gebeurt toch de hele Schrift door? Heeft de Zon stilgestaan? (Joz. 10:12). Heeft God letterlijk biologische handen, voeten, een neus, ogen en oren? Laten we er ons tevreden mee stellen dat de Schepper een zodanige orde in Zijn schepping heeft aangebracht dat dag en nacht (arbeid en rust), zomer en winter (zaaiing en oogst) elkaar afwisselen.
c. Letterlijk lezen? Ook dat God op de zevende dag heeft ‘gerust’? Het is evenmin ‘logisch’ dat de eeuwige God een dag van 24 uur nodig had om te rusten, dan dat het ‘logisch’ is, om met Van der Kooij te spreken, dat die rustdag volgde op ‘zes onbepaalde tijdvakken’? Hier is toch sprake van een diep symbolisch spreken? We mogen er ons tevreden mee stellen en er ons in verheugen dat de eeuwige God Zelf een dag heeft afgezonderd om van onze werken te rusten en dat Hij die dag heeft geheiligd Hem te dienen en te eren.
d. Wat betekent het dat voor scheppen in Genesis 1 twee woorden worden gebruikt: scheppen uit niets en uit iets dat reeds bestond? Ook hier maar liever geen eigenmachtige (creationistische) invulling. De schepping van de mens wordt echter uniek vertolkt: ‘Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld en Onze gelijkenis.’ En zelfs toen het pronkjuweel van de schepping zijn Schepper afviel, liet de Schepper hem niet los maar gaf Hij Zijn Zoon. Daaraan hangt ons heil, niet aan een eigenmachtig zesmaal-24-uur-dogma.
Over één ding zijn we het eens: geen eigenmachtige invulling! Maar dan komen juist de vragen.
J. van der Graaf, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 maart 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's