In of uit huis
Zicht op jeugdzorg [1]
Beeldvorming over de jeugdzorg is er genoeg. Een Kamerlid heeft het al snel over wachtlijsten en langs elkaar heen werkende instanties. Met welke dilemma's wordt de jeugdzorg echt geconfronteerd?
Sinds 2005 is de term jeugdzorg in zwang. Tot die tijd spraken we over jeugdhulpverlening en daarvoor over jeugdwelzijn of hulp aan jeugd en gezin. ‘Zorg’ wijst als regel op ziekte of handicap. In ons land wordt die zorg bekostigd via de WMO, de zorgverzekering of de AWBZ. Dat geldt niet voor de jeugdzorg. Doorgaans zijn kinderen en ouders die een beroep op jeugdzorg doen niet ziek of gehandicapt. Ze hebben (ernstige) problemen bij opgroeien en opvoeden. Therapie is dan ook niet de juiste aanduiding voor de hulp. Jeugdzorg helpt met gesprekken en aanwijzingen de verstoorde relatie weer op gang of neemt tijdelijk de opvoeding van kinderen over. Provincies financieren dit alles.
Anders dan bij ziekte of handicap gaat het in de jeugdzorg meestal over onmacht, over gebrek aan pedagogische draagkracht. Ziekte en handicap komen min of meer van buiten, problemen bij opgroeien en opvoeden niet. Daar is de eigen verantwoordelijkheid sterker in het geding. Jeugdzorg zet zich in voor het herstel van het gewone leven tussen ouders en kinderen. Als de jeugdzorg in actie komt, richt ze zich op ouders en kinderen in een fase waarin de harmonie tussen beiden vaak ver te zoeken is. Dat maakt jeugdzorg boeiend, maar ook complex.
Vrijwillig of gedwongen
Cliënten voor jeugdzorg melden zich meestal – in 75 procent van de gevallen – zelf aan. De opvoedingssituatie geeft daartoe aanleiding. Soms blijkt een stoornis of (lichte verstandelijke) handicap de veroorzaker van de problematische opvoedingssituatie te zijn. Kinderen krijgen dan ook hulp van de jeugd-GGZ of de jeugdgehandicaptenzorg.
In al deze gevallen vindt de hulpverlening plaats in vrijwillig kader: ouders en kinderen zijn gemotiveerd hun problemen op te lossen. Meestal volstaat ambulante hulp of gezinsondersteuning. Soms is het beter een kind (tijdelijk) op te nemen in een pleeggezin of een behandelgroep.
Ingewikkelder wordt het wanneer niet de jeugdige en/of diens ouders maar de kinderrechter om jeugdzorg vraagt. Dat gebeurt wanneer de rechter, daartoe geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming, oordeelt dat de veiligheid van de jeugdige in het gezin bedreigd wordt. Ook moet duidelijk zijn dat hulp in vrijwillig kader niet meer werkt. Er wordt in zo’n situatie een beschermingsmaatregel (OTS, ondertoezichtstelling) opgelegd.
Jeugdzorg voert de maatregel uit en wijst daartoe een gezinsvoogd aan. Deze krijgt de lastige opgaaf toezicht te houden en hulp te bieden. Er is niet veel fantasie voor nodig te bedenken dat de gezinsvoogd zijn handen vol heeft aan het wegwerken van allerlei weerstand. Hier hebben we de tweede complicerende factor voor de jeugdzorg te pakken.
Savannah
Soms is de opvoeding thuis tijdelijk of definitief geen reële optie meer. Jeugdzorg plaatst dan kinderen uit huis. Liefst met goedvinden van ouders en kind(eren). Dat kan als alle partijen beseffen dat de situatie onhoudbaar is. De uithuisplaatsing is pijnlijk, maar geeft snel daarna ook gevoelens van opluchting en kansen op verbetering.
Moeilijker wordt het wanneer ouders en kinderen de noodzaak van plaatsing in een pleeggezin of jeugdinrichting niet inzien, terwijl de gezinsvoogd de situatie niet langer verantwoord vindt. Tussen dat moment en de werkelijke uithuisplaatsing ligt een traject van afwegingen in het zogeheten multidisciplinaire team van jeugdzorg. Uiteindelijk volgt een verzoek tot ‘machtiging uithuisplaatsing’ aan de kinderrechter. De laatste neemt de beslissing.
Geprikkeld door verschrikkelijke incidenten met dodelijke afloop (zoals Savannah en het Maasmeisje), is de kwaliteit van dit cruciale traject in de laatste jaren sterk verbeterd. Meer dan een discipline is bij de afweging betrokken en het gebruik van instrumenten, zoals vragenlijsten, is sterk toegenomen. Hoezeer ook met waarborgen omringd, toch blijven dit de moeilijkste afwegingen. Te vroeg of op verkeerde gronden ingrijpen is dramatisch. Te laat ingrijpen is soms dodelijk.
Dader
In zekere zin is het nemen van de beslissing tot uithuisplaatsing gemakkelijker in situaties waarin sprake is van kindermishandeling. Zoals uit recent onderzoek is gebleken, komt kindermishandeling veel vaker voor dan gedacht werd: geen 70.000 maar 110.000 tot 160.000 nieuwe gevallen per jaar.
Het is duidelijk: de mishandeling moet ogenblikkelijk stoppen. Helaas is het nog steeds regel dat de slachtoffers en niet de daders uit huis geplaatst worden. Binnenkort wordt een wet van kracht die het mogelijk maakt dat de dader zijn biezen moet pakken.
Een acute uithuisplaatsing is voor de betrokkenen een heftige ervaring: kinderen worden uit de klas gehaald of als het niet anders kan van bed gelicht. De dader wordt gearresteerd. Hiermee is een derde complicatie geschetst: de zware afweging uithuisplaatsing of niet, en de uitvoering daarvan.
Lage drempel
Jeugdzorg richt zich op het herstel van het gewone (gezins)leven. Kinderen zijn het best af in het gezin van hun ouders. Dat hoeft beslist geen ideaal gezin te zijn. Werkers in de jeugdzorg lopen het risico de lat op de hoogte van hun eigen gezin(sideaal) te leggen. Daarmee overvragen ze gezinnen en kinderen.
Wel moet de ondergrens steeds in beeld zijn. Jeugdzorg kiest met overtuiging voor de veiligheid van het kind. Zo lang het kan in zijn eigen gezin, als het moet daarbuiten. De cijfers over kindermishandeling en de al genoemde tragische incidenten zetten de toon in de jeugdzorg. De minister van Jeugd en Gezin zegt ingrijpen tot achter de voordeur niet te schuwen. Dat is moedig.
Tegelijkertijd maakt het de jeugdzorg agressiever dan haar lief is en wordt de drempel voor die zorg hoger. Dat is jammer. Veel kinderleed kan worden voorkomen wanneer ouders met hun machteloosheid (dé oorzaak van mishandeling) vroegtijdig hulp inroepen. Het taboe daarop, dat vooral in gesloten gemeenschappen taai is, moet worden doorbroken.
Opvoeden is deze tijd is verre van eenvoudig. Niemand doet dat er wel even bij. Jonge ouders nemen hun opvoedingstaak hoog op en zijn daarbij dikwijls onzeker. Hulp zoeken is dus geen teken van zwakte, maar van lef. De minister voor Jeugd en Gezin zet in op laagdrempelige hulp dichtbij huis: het centrum voor jeugd en gezin. Het ministerie van onderwijs wil in 2010 zorgzame scholen (Passend Onderwijs).
Aldus is de vierde factor getekend. De twee gezichten van jeugdzorg: actief beschermend en tegelijk vriendelijk en behulpzaam in een fase waarin hulp het best werkt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 maart 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's