De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Spreken over de ziel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Spreken over de ziel

Gezelschapsleven in Nederland is voorbij

6 minuten leestijd

Orthodoxe christenen kwamen in Nederland lange tijd in gezelschappen samen. Vandaag bestaat dat niet of nauwelijks meer. Hoe komt dat en wat missen we eraan? Is er iets voor in de plaats gekomen?

De bekende Jacobus Koelman, predikant te Sluis, weigerde zich te onderwerpen aan het gebod van de overheid om zich letterlijk aan de voorgeschreven formuliergebeden te houden. Dit leidde eerst tot een preekverbod en daarna tot verbanning uit Zeeland. Hij begon samenkomsten te houden in woonhuizen en gaf daarbij leiding. Hij schreef en vertaalde Engelse puriteinse geschriften voor deze gezelschappen en trok het hele land door om de conventikels – zoals de gezelschapen ook heten – van materiaal te voorzien.
Zo heeft Koelman een grote invloed op het gezelschapsleven uitgeoefend. Hij was een vurig voorstander van samenkomsten waar gelovigen van gedachten wisselden over geloof en ervaring, maar dan niet tegen of naast de kerk. Koelman heeft zich met grote kracht gekeerd tegen elk streven naar afscheiding, getuige zijn geschriften tegen de stroming van de labadisten.
Twee andere vaders van het conventikelwezen zijn Voetius en Van Lodenstein. Ook Wilhelmus à Brakel waardeerde gezelschappen en nam er zelf deel aan.

Vrouwen
De belangstelling voor het ingekeerde of innerlijke leven hangt samen met de theologische ontwikkeling in de zeventiende en achttiende eeuw. Hoewel de gereformeerden in ons land de band met de Reformatie probeerden vast te houden, is er toch een verschuiving. Die treedt aan de dag in de (onder)scheiding tussen theologia dogmatica, leerstellige godgeleerdheid, en theologia practica, theologie die gericht is op de vragen van het hart en het innerlijke leven en de uitwerking daarvan op het leven. In de gezelschappen komt vooral de persoonlijke of subjectieve heilsweg aan de orde. Merkwaardig is dat daar over de eigen ervaring vaak niet in de ik-vorm wordt gesproken, maar over ‘de ziel’, over ’hij’ en ‘hem’. Een niet ingewijde zou denken dat het over een ander ging.
Naast het geloof komt het gevoel naar voren en verdringt het geloof. In de Reformatie zelf was deze scheiding ongekend; de theologie van de rechtvaardiging van de goddeloze was direct toegespitst op de heiliging van het leven, de levenspraktijk.
De gezelschappen begonnen aanvankelijk na de gewone kerkdiensten, maar kwamen er allengs meer naast te staan. De prediking was te schraal. Er ontstond een conflict tussen geest en ambt, evenals in de eerste eeuwen van de kerk. Predikanten werden, ook als zij orthodox waren, als letterknechten beschouwd. Het eigenlijke vond niet plaats in de dienst van Woord en sacrament, maar in de uitwisseling van geestelijke ervaringen. In de gesprekken hebben vrouwen een grote rol gespeeld; zij werden nu immers niet gehinderd door de bekende tekst van Paulus (1 Kor. 14:34). Een voorbeeld was Anna Schlatter in St. Gallen, Zwitserland. Zoals er ook onder de bijbelheiligen profetessen geweest zijn.

Hoogmoed
Hoewel de opbouwende waarde van de gezelschappen werd erkend, hebben ambtsdragers en meerdere vergaderingen geprobeerd het gezelschapsleven in de goede baan te houden. Het was gezond en opbouwend zolang de ambtelijke bediening van Woord en sacrament in ere bleven, maar toen het gezelschapsleven zich daarvan verwijderde, ontstond een onbijbels en ongezond mysticisme.
Smytegelt in Middelburg waardeerde de onderlinge bijeenkomsten als een Schriftuurlijk goed, maar bestreed fel de misstanden, omdat de ‘oefeningen’ werden tot ‘queektuinen van zonde’. De zonde heeft altijd te maken met hoogmoed en daar zijn maar weinig mensen tegen bestand als ze in de hoogte worden gestoken.
Een verhaal kan dit verduidelijken. Een man die van de kroeg tot de kerk bekeerd werd, brak met de kerk toen men niet voor zijn heerszucht opzij ging. Hij verbood zijn vrouw naar de kerk te gaan. Maar zij stond erop en hij liet haar gaan, al had hij geen goed woord voor haar geestelijke staat. Totdat zij op haar sterfbed een helder getuigenis gaf van haar vaste hoop en zij daarbij tegen haar man zei: ‘Dat heb ik niet van jouw praat, maar dat heb ik te danken aan mijn plaats onder het Woord daar in de kerk’.

Bewaard
Al in de achttiende maar vooral in de negentiende eeuw legde rationalisme en liberalisme beslag op de kansels, waardoor de gemeenten verkommerden. Het Réveil kwam op. Het begon met Bilderdijk. Da Costa trad op met zijn protest tegen de geest van de eeuw en hield zijn réunions, zijn bijbellezingen aan huis. Het Réveil was voornamelijk aristocratisch. Gezelschappen hadden een andere sociale achtergrond. Deze mensen ‘van de nachtschuit’ (niet meer van deze tijd) werden door de leiding van de kerk en door de overheid met verachting bejegend. Het grote gevaar was geestdrijverij en mystiekerij van vromen en fijnen. Pallandt van Keppel, directeur voor de zaken der Hervormde Kerk, liet een onderzoek instellen, aangezien de regering ‘een wakend oog [moest] houden op lieden die door hun neiging tot scheurmakerij, voor de rust van de Staat en het welzijn der kerk gevaarlijk zouden kunnen worden’. Overheden en kerkbestuurders hadden geen feeling en geen begrip voor wat er leefde aan geestelijke nood op het grondvlak.
Intussen floreerde het gezelschapsleven. Vele predikanten gaven er leiding aan. Er was geestelijke honger naar het levende brood en sommigen liepen meer dan twee uur om de rechte prediking te horen, zoals blijkt uit wat dr. G.A. Wumkes schrijft in Het Friese Réveil in portretten. Ondanks gevaren die eraan kleven, heeft het gezelschapsleven velen bij het evangelie bewaard.

Bijbelkringen
In de twintigste eeuw kwam er een grote plaats voor bijbelkringen. Dit kan worden beschouwd als een terugkeer naar de reformatorische praktijk: Prophezei van Zwingli in Zürich, christelijke gemeenschappen van Bucer in Straatsburg en congrégations van Calvijn in Genève, waaraan predikanten samen met gewone gemeenteleden deelnamen. De bespreking van een bepaald bijbelgedeelte werd voorbereid door één van de predikanten. Hier staat niet de uitwisseling van geestelijke ervaringen voorop, maar het onderzoek van de heilige Schrift. Menig predikant heeft aan de bijbelkringen de beste herinneringen. Soms leidt het groothuisbezoek tot het vormen van een bijbelkring aan huis en het is goed dat de wijkouderling erbij betrokken blijft. Actieve deelname aan het bijbelkringwerk is zeker aan te bevelen voor de vorming van de aanstaande predikanten.

Verdwenen
Het gezelschapsleven is niet typisch Nederlands geweest. Het bestond ook in Duitsland en Zwitserland en vooral daar waar het piëtisme wortel had geschoten. Dat het gezelschapsleven in de twintigste eeuw langzamerhand is verdwenen, heeft vooral te maken met de enorme toename van de communicatiemogelijkheden en de media, die een totaal beslag leggen op de mens. Dit heeft een grote veruiterlijking van het leven meegebracht en weinig tijd voor verinnerlijking in de zin van bijbelse verdieping.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Spreken over de ziel

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's