Evolutie en maakbaarheid
Je levensbeschouwing funderen op het evolutionistisch denken heeft allerlei consequenties. In de special Darwin: permanente evolutie van het weekblad De Groene Amsterdammer (9 januari) schrijft de wetenschapsfilosoof van de Radboud Universiteit Nijmegen dr. Chris Buskes een artikel waar hij boven zet: De evolutie is nooit af . Met nieuwe technieken kan de mens steeds dieper ingrijpen in zijn eigen evolutie, aldus Buskes. Hij schreef daar in 2007 al een studie over onder de titel Evolutionair denken. De invloed van Darwin op ons wereldbeeld en ontving daar de Socrates Wisselbeker voor, een prijs die elk jaar wordt uitgereikt voor het meest prikkelende Nederlandstalige filosofieboek.
In het hier geciteerde artikel verwerkt hij gegevens uit een studie van een Engelse hoogleraar bio-ethiek, de filosoof John Harris. Deze houdt een pleidooi voor mensverbetering: door de evolutie bewust te sturen, kunnen we een nieuwe ‘verbeterde’ mens laten ontstaan. Ik citeer: ‘Harris’ ethische uitgangspunt is het utilitarisme: het idee dat de morele waarde van een handeling wordt bepaald door het nut (utilis) ervan. Een utilitarist streeft naar het hoogste haalbare geluk voor de mensheid als geheel en het lijdt volgens Harris geen twijfel dat dit ideaal dichterbij komt wanneer we de mens intelligenter, gezonder en sterker maken.’
Buskes stelt heel radicaal dat wie vindt dat een biologische soort niet veranderd mag worden, niet meer van deze tijd is. Darwins evolutietheorie betekent immers concreet: biologische soorten zijn niet statisch maar veranderlijk.
Het idee dat de samenleving door ‘genetische manipulatie’ kan worden verbeterd, is letterlijk ouder dan de weg naar Rome. De Spartanen in het Oude Griekenland hadden bijvoorbeeld al de gewoonte om zwakke of gehandicapte baby’s in het ravijn te gooien opdat de bevolking gezond en sterk zou blijven. Eugenetische ideeën vinden we ook bij de filosoof Plato. In zijn dialoog De staat (459-460) stelt de wijsgeer voor om het vrije huwelijk af te schaffen. Om de kwaliteit van het ras te waarborgen, dienen de heersers er volgens Plato zorgvuldig op toe te zien dat enkel mannen en vrouwen met ‘goede eigenschappen’ zich voortplanten. Mochten er desondanks inferieure borelingen ter wereld komen, dan moeten die ‘stil en in het geheim’ uit de weg worden geruimd. Soortgelijke ideeën duiken in latere eeuwen telkens opnieuw op.
Aldous Huxley’s roman Brave New World uit 1932 is een briljante en afschrikwekkende satire op dit vooruitzicht van de maakbare mens. Huxley beschrijft een toekomstige ‘heilstaat’ waarin de overheid kunstmatig mensen kweekt en in verschillende klassen onderverdeelt. Alleen de eliteklassen mogen hun eigen persoonlijkheid behouden: zij zijn voorbestemd om het totalitaire systeem te leiden. De lagere klassen zijn geprogrammeerde arbeiders zonder individualiteit, initiatief en emotie. Tijdens het naziregime in Duitsland werd het kweken van de nieuwe mens het verst en het gruwelijkst doorgevoerd. Volgens de perfide nazi-ideologie moest ‘inferieure’ individuen en rassen het recht op voortplanting worden ontnomen, en moesten die op de lange termijn worden vernietigd.
Harris laat zich door deze doemscenario’s echter niet afschrikken. Iedereen zal uiteindelijk profiteren van de nieuwe ontwikkelingen. ‘Mooiere, betere en slimmere mensen vormen geen bedreiging maar een belofte.’
Hoe kijkt een christen aan tegen deze ontwikkelingen? In Opbouw (2 januari), opinieweekblad van de Nederlands Gereformeerde Kerken, staat een gesprek te lezen dat dr. Ad van der Dussen heeft met de filosoof van de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding Jan van Riessen. Van der Dussen gaat vooral in op de studie van Van Riessen die in 2007 verscheen onder de titel: Vreemdgang. Filosoferen aan de grens. Zonder overigens Darwin en het evolutionistisch denken te noemen, komt de hier genoemde vraagstelling wel aan de orde. Er wordt aan Van Riessen gevraagd: U zegt niet alleen dat het nooit zal lukken om een volmaakte wereld te realiseren. U zegt ook dat het gevaarlijk is om dat te willen. Waarom?
Omdat we op die manier een wereld aan het maken zijn waarin we ons niet meer thuis kunnen voelen. Want dat is aan de hand: in het najagen van hun dromen vervangen al die idealisten de bestaande wereld door hun zelfgemaakte wereld. Maar dat is geen leefbare wereld. Denk aan het gevoel van mensen in een ziekenhuis, dat ze te midden van anonieme apparaten in een fabriek terecht zijn gekomen. En wat worden we niet gemanipuleerd door de media: een mens weet langzamerhand niet meer wat echt en wat niet echt is. Alle gevoel van vastheid gaat daarmee verloren. Denk ook aan de hardhandige manier waarop mensen met beperkingen in dat zelfgemaakte paradijs van ons naar de rand worden geduwd: mensen die dement zijn, sociaal onaangepaste mensen, geesteszieken.
En hoe komt het dat zoveel mensen depressief zijn? Doordat ze onder de pressie staan van het streven van volmaaktheid. In alle opzichten breekt ons dat streven naar een volmaakte wereld op. Wij kunnen niet straffeloos de grenzen negeren die aan ons gesteld zijn. In die zelfgemaakte volmaakte wereld, die de bestaande wereld met haar beperkingen vervangen moet, slaat de vervreemding toe.
‘Waar leg je de grens?’, vraagt Van der Dussen. ‘In Den Haag werd een fel debat gevoerd over embryoselectie. Zie je inderdaad gevaar in die technologie?’
Ik ben vooral wantrouwend. Zolang men met embryoselectie bezig is om lijden te verzachten, vind ik het een vorm van het verleggen van grenzen die bespreekbaar is. Maar echt vertrouwen doe ik het niet. Ik verdenk voorstanders van embryoselectie ervan dat ze onder het mom van therapie erop uit zijn het ideaal van perfectie na te streven. Is er op deze weg nog de bereidheid om mensen met beperkingen voluit te aanvaarden?
Van der Dussen noemt theologen als Kuyper en Schilder die in hun dagen, eerste helft twintigste eeuw, hoog opgaven van het zogeheten ‘cultuurmandaat’: wij hebben de verantwoordelijkheid om uit de schepping te halen wat erin zit. Van Riessen vindt dat veel te optimistisch. Hij zegt pessimistischer tegenover onze cultuur te staan en hij meent daar alle reden voor te hebben.
Maar, zo vraagt Van der Dussen verder, sta je dan ook kritisch tegenover de charismatische vernieuwingsbeweging binnen het christendom. Daar zit toch ook een zeker optimisme in?
Dat is waar, en daarom ben ik ook hier beducht voor addertjes onder het gras. Als het christenen er bij gebedsgenezing om te doen is de volmaaktheid binnen te halen haak ik af. Ook aan hen stel ik de kritische vraag: ‘Aanvaarden jullie de eindigheid van het leven wel, of worden jullie gedreven door een afkeer van het onvolmaakte?’ Ook de charismatische beweging dient bescheiden te blijven en de mensen geen paradijs hier op aarde voor te spiegelen. Wanneer charismata een plek krijgen binnen dat kader en dienstbaar zijn aan de liefde voor zwakke en kwetsbare medemensen, ben ook ik er blij mee.
Chr. Buskes en J. van Riessen: een wereld van verschil. Het maakt duidelijk dat het evolutionistisch gedachtegoed voor een christen minder onschuldig is als het bij oppervlakkige kennismaking misschien lijkt. Om met Van Riessen te spreken: er zitten vele adders onder het gras.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's