Een brandend hart
Vijfde zaligspreking verwijst naar goede Palestijn
'Waar liefde woont, gebiedt de HEER de zegen, daar woont Hij Zelf, daar wordt Zijn heil verkregen.' Wij zingen het vaak en graag, maar wat een opgaaf om er werkelijk uit te leven.
Als in de tijd van het Oude Testament iemand iets had waar hij dankbaar voor was, een redding of genezing bijvoorbeeld, dan ging hij daarmee naar Gods huis. In de tempel, of eerder de tabernakel, vertelde hij de priester wat hem overkomen was en vroeg de priester namens hem de Heere een offer te brengen.
Zo had de God van Israël dat Zelf ingesteld. Direct na de openbaring van de heilige wet in Exodus 20 spreekt de Heere: ‘Maakt Mij een altaar van aarde en offert daarop uw brandoffers en uw dankoffers, uw schapen en uw runderen.’ (vs. 24) Toch waren er ook in die tijd profeten die predikten dat de Heere andere offers welbehaaglijker vindt dan die van dieren of dingen. En de allerhoogste Profeet zegt het zo: ‘Doch gaat heen en leert wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande’ (Matth. 9:13). De Heere Jezus zegt daarin dus eigenlijk: ‘Je moet geen dieren in de brand steken, maar je eigen hart.’ Barmhartig betekent namelijk letterlijk: met een barmend (dat is: brandend) hart. En sinds Christus op Golgotha hét offer bracht, hoeft er helemaal geen bloed meer te vloeien en is oprechte dankbaarheid: barmhartigheid.
Gelijkenis
Waarom spreekt de Heiland – na iets gezegd te hebben over het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid – in de vijfde zaligspreking over de barmhartigheid? Omdat leer en leven bij Hem onafscheidelijk zijn. Hoe zou iemand kunnen hunkeren naar Gods genade zonder daarbij zelf genadig en liefdevol te zijn? Wie om vergeving verlegen zit, moet immers zelf ook vergevingsgezind zijn.
Zijn woorden ‘Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden’ heeft de Heere voor mijn gevoel Zelf uitgelegd in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Wij lezen in Lukas 10 dat er een wetgeleerde bij Hem komt die de vraag heeft wat hij doen moet om het eeuwige leven te beërven. Jezus geeft hem het antwoord dat hij de wet moet houden. Wie immers zalig wil worden door wat te doen, moet zich bij de wet vervoegen. De Heere laat hem dan zelf die wet samenvatten. De man geeft, volkomen terecht, spontaan het antwoord dat het eerste gebod liefde tot God is en dat het tweede gebod liefde tot de naaste is. Maar als Christus dan antwoordt: ‘Doe dat en gij zult leven’, dan zegt de wetgeleerde niet: ‘Maar ik kan Gods gebod niet volbrengen’. Nee, hij gaat volkomen onterecht zichzelf rechtvaardigen en stelt de discussievraag: ‘Maar wie is mijn naaste?’ Op die vraag gaat de Meester een antwoord geven in de indrukwekkende gelijkenis.
Palestijn en Israëliër
De meesten van ons kennen de gelijkenis zo goed dat het haast een geschiedenis is geworden. Zo levensecht tekent de Heere wat echte liefde is. Het is op school en zondagsschool één van de meest vertelde bijbelgedeelten: Een man op reis van Jeruzalem naar Jericho wordt in de eenzaamheid van de woestijn overvallen en blijft hulploos langs de wegkant liggen. Een priester en een leviet, die na elkaar langskomen, zien hem allebei, maar ze lopen snel door. Eigenbelang weegt hen meer dan de nood van de man die op hun weg ligt. Maar een passerende Samaritaan stapt wel van zijn rijdier af en is hartelijk bewogen met het lot van de hulpeloze man. Hij loopt niet met een boog om hem heen, maar knielt bij het slachtoffer van geweld neer en is bewogen met het lot van deze hulpeloze man, die hij op zijn weg gevonden heeft. Hij verzorgt hem met alles wat hij voorhanden heeft. Wat olijfolie in de wonden geeft verzachting. Een beetje wijn helpt ter ontsmetting. Hij tilt de geslagen man op zijn ezel en gaat er zelf naast lopen. Dat is nogal wat. In onze tijd zouden wij in dit geval zeggen: ‘Een Palestijn, die het voor een Israëliër over heeft om zelf te gaan lopen, terwijl de voormalige vijand een goed plekje op zijn rijdier krijgt’
Omgekeerd
Bovendien, die bewogen behulpzaamheid is er niet maar voor even. In de herberg, waar ze eindelijk aankomen, zorgt de Samaritaan aanvankelijk persoonlijk voor het slachtoffer van het roversgeweld. Daarna geeft hij de herbergier een behoorlijk geldbedrag en de opdracht: ‘Draag zorg voor hem!’ Ten slotte belooft hij ook nog dat voor zijn rekening te zullen nemen wat de verpleging van de gewonde eventueel nog meer gaat kosten. Dat is toch zeker onbaatzuchtige liefde uit een warm hart.
Als de Heere Jezus is uitverteld, kijkt Hij de wetgeleerde en de omstanders aan en zegt: ‘Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn van degene, die onder de moordenaars gevallen was?' De vraag waarmee de gelijkenis begonnen was, wordt door Hem nu omgekeerd. De wetgeleerde wilde weten wie zijn naaste is. En Christus zegt nu tussen de regels door: ‘Dat moet je niet vragen. Het gaat niet om de vraag wie je naaste is. Maar om de vraag: ‘Van wie ben ik de naaste?’
Barmhartigheid is dus: zien dat de Heere God mensen op onze levensweg plaatst, aan wie wij niet onbewogen mogen voorbij gaan. Ik mag hen doen wat ik wilde dat zij mij in die situatie doen zouden.
Als toepassing laat de Heere na de gelijkenis deze woorden horen: ‘Ga heen en doe desgelijks!’ Wie Hem danken wil, Die uit enkel barmhartigheid Zijn bloed en leven gaf, die hoeft geen offerande te brengen. Die moet zijn hart warm laten worden door het vuur van Zijn liefde.
Belofte
Christus’ liefde werkt aanstekelijk. Hij roept Zijn gemeente tot de barmhartigheid van de Samaritaan. Dat is dus liefde die geen onderscheid van persoon maakt. En het is ook: niet jezelf, maar de ander zoeken. En in stilte doen wat je doen mag en kunt om anderen van dienst te zijn. Barmhartigheid neemt de tijd in een druk bestaan om er te zijn voor een medemens. Dat warme hart is ook maar niet voor even bewogen, maar dat blijft tot het eind toe branden. Liefde houdt vol tot het zoete einde.
Ook aan deze zaligspreking van de barmhartigheid is een heerlijke belofte verbonden. De Heere zegt niet: ‘Je kunt er wat mee verdienen.’ Ook zegt Hij niet: ‘Het is dankbaar werk.’ Hij zegt: ‘U zal barmhartigheid geschieden.’ Wat is dat? Als straks het Koninkrijk komt, dan is er geen naaste meer op onze weg die liefde, hulp en zorg behoeft. Dan is immers alle leed voor eeuwig geleden en er is geen woestijn met rovers meer. Dan is het Paradijs weer terug met in God verblijde mensen. Als de Grote Barmhartige komt, gaan de barmhartigen binnen in de vreugde van hun Heere. En zij vragen verwonderd: ‘Wanneer zijn wij barmhartig geweest?’ Zij weten zelf niet wanneer zij die beker koud water aan een dorstige te drinken hebben gegeven, wanneer zij de gevangenen hebben opgezocht en wanneer zij met zieken en mensen met een handicap hebben meegeleefd en voor hen gezorgd. Zij deden het toch ook niet om er iets mee te verdienen, maar om de Vader, Die zo’n warm hart heeft dat Hij Zijn Zoon heeft gegeven, daarvoor te danken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 maart 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's