Hoofd en/of hart
God kennen is niet alleen iets van het verstand
De tijd waarin we leven vraagt om ervaringen. Of nog sterker: als ik ergens een goed gevoel bij heb, dan is het goed. Kunnen we op die manier belijdenis van het geloof afleggen? Of is hier ook nog geloofskennis noodzakelijk? En welke dan?
Als we over deze dingen nadenken, zijn er twee uitersten waarvoor we moeten oppassen. Aan de ene kant kunnen we verleid worden om te zeggen dat kennis niet per se hoeft. Het is immers veel belangrijker dat ik merk dat de Heere bij mij is? ! Als ik dat maar zo voel, dan kan ik ook belijdenis doen. Want dat is voor mij het belangrijkste. Zoals wel gezegd is: ‘Niet de leer, maar de Heer.’ En als we Hem maar bij ons voelen, dan is het goed. Dan kan ik dus ook belijdenis van het geloof doen. De vraag is dan: hoe weet ik nu dat de Heere werkelijk bij mij is? Liever nog: ín mij woont?
We kunnen ook helemaal aan de andere kant gaan zitten. Dan verwordt onze belijdenis tot het opdreunen van datgene wat wij aan kennis geleerd hebben. Zoals het vroeger de gewoonte was tijdens belijdeniscatechisatie: je leert je vragen en antwoorden. Hopelijk weet je de vraag die er gesteld wordt tijdens de aannemingsavond. En dan kun je belijdenis doen. Daarin schuilt het gevaar dat je geen belijdenis van je geloof in Christus aflegt, maar alleen van de kennis die je in je hoofd gestampt hebt. Het hoeft dan helemaal niet zo te zijn dat dit geloofskennis is. Zoals altijd willen we als hervormd-gereformeerden de gulden middenweg bewandelen. Laten we daarom tussen de twee uitersten dat goud zoeken en de weg bewandelen van Hem Die gezegd heeft: ‘Ik ben de Weg.’
Stil
Het is soms erg stil. Als we dan toch in een ervaringstijd leven – dit is míjn ervaring. Het kan nogal eens erg stil zijn. Ik bedoel dan de stilte rond de derde doopvraag. Niet dat daar geen antwoord op gegeven wordt wanneer ouders een kind ten doop houden. Volmondig wordt er ja geantwoord. Ik heb alleen de gewoonte mijn catechisanten te vragen of dit 'ja' ook in praktijk wordt gebracht. Niet alleen onder mijn huidige catechisanten, maar ook in de vijf andere gemeenten waar ik catechese heb gegeven. In verschillende jaargroepen van het basisonderwijs en voortgezet onderwijs kwam het ook nogal eens ter tafel.
Na zo’n vraag blijft het stil. En daar word ik dan weer stil van. Hoe zit het met het onderwijs in de leer, zoals die in het doopformulier aan ons voorgehouden is? Hoe wordt er thuis over de rijke beloften gesproken die we als kind en jongeren meedragen in het teken aan ons voorhoofd? Wat betekent de Heilige Doop voor jou? Wordt daar thuis wel eens over gesproken? De stilte overheerst. Met dankbaarheid kom ik uitzonderingen tegen.
Maar het zijn wel uitzonderingen. Ik hoor soms ouders of ouderen klagen dat jongeren nog zo weinig kennis hebben. Dan weet ik het ook niet meer. Dat er iets niet helemaal goed gaat met de kennisoverdracht, dat is echter (helaas) wel duidelijk. Catechese is dan ook geen overbodige luxe. Alleen, als we daar pas voor het eerst over de dingen van de Bijbel horen, dan is het wel erg laat. Ik meen me uit mijn onderwijstijd te herinneren dat een mens rond zijn zesde levensjaar het snelste en gemakkelijkste kennis opneemt. Laten we dat gegeven in het christelijke gezin en gemeente ter harte nemen. De gesprekken aan tafel zijn onmisbaar. Wat een rijke taak hebben we dan in onze gezinnen, (zondags)school en jeugdwerk. Het gaat immers om het eeuwig behoud van de volgende generatie. En daarbovenuit: om de eer van God in Christus.
Van a tot z
Uit de rijke schat van onze belijdenisgeschriften hebben we geleerd dat het ware geloof uit twee onderdelen bestaat: een zeker weten of kennis en een vast vertrouwen (zie vraag en antwoord 21 van de Heidelbergse Catechismus). De geloofskennis in dit antwoord wordt vooral betrokken op het voor waarachtig, betrouwbaar houden van Gods Woord. We moeten daar daarom ook niets aan toe of af doen. Maar waarom zou Gods Woord waar zijn en daarom betrouwbaar? Het antwoord op die vraag is eenvoudig: omdat de Auteur van de Bijbel betrouwbaar is. Er is niemand binnen of buiten de schepping te vinden die meer betrouwbaar is dan Hij! Niet voor niets heet Hij: HEERE. Ik ben Die Ik ben. De Onveranderlijke.
Het valt op dat juist in dit antwoord de kennis voorop geplaatst wordt. Als in onze gevoelstijd de Heidelberger herschreven zou worden, dan zou het goed mogelijk zijn dat dit niet zou gebeuren. En toch deden de mannen van de catechismus het in de zestiende eeuw wel. Het zou ook een bewijs van gebrek aan kennis zijn als we het zouden omdraaien of misschien wel helemaal weglaten. Het ‘voor waarachtig houden van Gods Woord’ heeft alles te maken met het ‘kennen van de Heere’, de Auteur van het Woord. Bij Hem ligt immers de grond van de betrouwbaarheid en de zeggingskracht van de Schrift.
Het bijbelse kennen is niet alleen de Bijbel van a tot z kunnen opzeggen. Het is ook niet dat je de hele catechismus uit je hoofd kent, of het Kort Begrip. Het gaat er daarbij ook niet om dat je de heilsorde helemaal kunt navertellen van roeping tot heerlijkmaking, met alle mogelijke onderverdelingen. Deze kennis is wel waardevol, laten we dat niet vergeten. En de Heere God wil dit soort kennis nogal eens gebruiken om Hem te leren kennen. Leven we in het geloof, dan zal ook deze kennis toenemen, wanneer we bewust de gehele wapenrusting van het geloof aandoen (Ef. 6). Denk bijvoorbeeld aan de gordel of het zwaard van de Geest.
Maar God kennen is meer dan alleen met het verstand. Dit andere ‘kennen’ is noodzakelijk om werkelijk belijdenis te doen van het geloof. Om welke kennis gaat het dan?
Relatie
De farao van Egypte kent de HEERE niet (Ex. 5:2) en laat daarom Israël niet trekken. De duivel kent de Heere Jezus wel (Mark. 1:24) en wil daarom niets van Hem weten. Salomo wordt opgeroepen om de God van zijn vader te kennen (1 Kron. 28:9) en Hem te dienen met een volkomen hart en een gewillige ziel. En de apostel Petrus roept de lezers op om op te groeien in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus (2 Petr. 3:18). Als het over dit bijbelse ‘kennen’ gaat, dan gaat het niet alleen over verstandskennis. Het gaat om een relatie, om omgangskennis. Je zou het kunnen vergelijken met een verkeringstijd en huwelijk. Een verkeringstijd is ervoor bedoeld om elkaar beter te leren kennen. Dat leren gaat in het huwelijk nog steeds door, want ‘onbekend maakt onbemind’. Soms hoor je iemand zeggen: ‘Ik ken hem zo langzamerhand.’ Of komt het zelfs zover dat er twee zielen zijn met één gedachte.
Verbonden
God kennen is niet alleen weten dat Hij er is. Het is: werkelijk met Hem verbonden zijn. In het geestelijk huwelijk met Christus ga je Hem kennen, met Hem leven. Het gaat om de kennis Wie God de Vader, Wie Christus, Wie de Heilige Geest is voor ons. Daarbij is Christus het Middelpunt. Immers, door Hem hebben wij weer vrede bij God?! Hij is het Rustpunt van mijn hart. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons, en zijn wij (Hand. 17:28). Hij is mijn Verlosser en Heiland.
Toen een ouderling ooit op een aannemingsavond een vraag moest stellen aan een minderbegaafde catechisant, dacht hij het zo eenvoudig mogelijk te doen. Hij vroeg: Waar is de Heere Jezus geboren? Het antwoord was: In mijn hart. Er was duidelijk geen sprake van een geestelijke handicap. Hier werden de beloften van God, bij de Heilige Doop gedaan, verstaan en beaamd. Dit noemen we geloofservaring. ‘Als ik Hém maar kenne!’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 april 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's