Nogal filosofisch begin
Prof.dr. G. van den Brink geeft college over NGB [2]
De termen waarmee God in het eerste artikel van de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt omschreven zijn vrij filosofisch. Waarom deed Guido de Bres dat?
Wanneer we letten op de inzet van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dan valt meteen al een verschil op met veel andere belijdenisgeschriften. Beginnen die met de vraag wat de bestemming van het menselijk leven is (zo bv. de Catechismus van Genève) of wat onze enige troost is (de Heidelbergse Catechismus), de NGB zet in met de vraag wie God is. Het eerste wat aan de orde gesteld wordt, is wat het inhoudt om in God te geloven. Dat wordt verwoord in termen die voor ons gevoel nogal afstandelijk overkomen. De Heere wordt omschreven als ‘een enig en eenvoudig geestelijk wezen, dat wij God noemen’. Deze God is bovendien eeuwig, ondoorgrondelijk, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig, volkomen wijs en rechtvaardig. Het lijkt wel of het in artikel 1 niet over de God van de Bijbel maar over de god van de filosofen gaat.
De heidense filosoof Aristoteles bijvoorbeeld geloofde ook in zo’n onveranderlijk en onbewogen goddelijk wezen. Dat de God van de Bijbel ook barmhartig is en zeer genadig, dat Hij bovendien met ons mensen in relatie wil treden, dat alles horen we in artikel 1 niet. Het enige wat De Bres nog laat volgen, is dat God ook goed is. Op een latere synode (in 1566) vond men dit kennelijk wat al te zuinigjes. Want daar heeft men eraan toegevoegd dat God toch wel ‘een zeer overvloedige fontein van al het goede’ is. Dat klinkt al anders: God is iemand die voortdurend het goede om zich heen verspreidt, zoals een fontein die continu water geeft. Van zo’n God mogen we veel verwachten! Maar De Bres zelf verwoordde het dus wat soberder, door zich grotendeels te beperken tot begrippen die de grote afstand tussen God en mens benadrukken.
Franse Geloofsbelijdenis
Hoe is Guido de Bres erbij gekomen om zijn geschrift op deze manier in te zetten? Bij het schrijven van zijn belijdenis heeft hij intensief gebruik heeft gemaakt van een vergelijkbaar geschrift dat twee jaar eerder was verschenen, namelijk de Franse Geloofsbelijdenis uit 1559. Deze was opgesteld op een generale synode te Parijs en opende met een artikel dat niet alleen dezelfde strekking had, maar ook vrijwel dezelfde bewoordingen als die welke De Bres zou kiezen.
De Bres nam dus in feite, afgezien van een paar kleine veranderingen, gewoon over wat er in het eerste artikel van de Franse Geloofsbelijdenis stond. Daarmee verschuift onze vraag dus naar dit geschrift: Hoe zijn de opstellers van de Franse Geloofsbelijdenis er dan toe gekomen om hun verwoording van het reformatorische geloof op zo’n tamelijk filosofische manier in te zetten?
Deze vraag is minder eenvoudig te beantwoorden. We weten dat de Franse Geloofsbelijdenis op haar beurt sterk geïnspireerd is door Johannes Calvijn. Calvijn leverde er in 1559, vlak voordat de Parijse synode begon, zelfs een complete concepttekst voor aan. Daar werd op de synode ook grotendeels aan vastgehouden. Het merkwaardige feit doet zich nu echter voor dat de Franse Geloofsbelijdenis juist in het openingsartikel sterk afwijkt van dit door Calvijn aangeleverde concept. Als Calvijn zijn zin had gekregen, dan was de Franse Geloofsbelijdenis – en wellicht dus ook de Nederlandse! – als volgt begonnen:
Omdat het fundament van het geloof, zoals Paulus zegt, door het Woord van God is, geloven wij dat de levende God zich bekendmaakt in zijn wet en door de profeten en ten slotte in het Evangelie. Hij heeft daarin getuigenis gegeven van Zijn wil, voor zover dat dienstbaar was aan het heil der mensen. Daarom houden we de boeken van de heilige Schrift (…) voor de samenvatting van de enige onfeilbare leer, uitgegaan van God, die men niet tegen mag spreken. Evenzo, omdat de volmaakte regel van alle wijsheid hierin vervat is, geloven wij dat het niet toegestaan is er iets aan toe of af te doen, maar dat we er in alles en over de hele linie mee moeten instemmen. En omdat deze leer haar gezag niet ontleent aan mensen of engelen, maar aan God alleen (…) geloven we ook dat Hijzelf hier zekerheid over geeft aan Zijn uitverkorenen, en deze leer in hun harten verzegelt door Zijn Geest.
Robuust
Dit eerste artikel in het ontwerp van Calvijn bevat dus een robuuste belijdenis van de Bijbel als enige bron en norm van ons geloof. Het sola Scriptura van de Reformatie klinkt er krachtig in door. Pas in het tweede artikel stelt Calvijn aan de orde wie de Heere God is. Daarbij schrikt ook hij weliswaar niet terug voor scholastiek aandoende termen, als hij spreekt over ‘één eeuwig God, geestelijk van wezen, oneindig, onbegrijpelijk en eenvoudig’. Maar hij voegt daar meteen aan toe dat het hier gaat om de drie-enige God. Het is dus geen grote onbekende over wie hier gesproken wordt. Het is ook niet een wezen dat iedereen wel vaag kent, en waarvoor we de naam ‘God’ hebben bedacht. Het is God de Vader, Zijn Zoon Jezus Christus, en de Heilige Geest. Deze drie. Er kan dus geen misverstand over bestaan dat Calvijn hier die God op het oog heeft, die zich in de Bijbel heeft geopenbaard.
Bewerking
Maar waarom hebben de opstellers van de Franse Geloofsbelijdenis het voorstel van Calvijn nu niet opgevolgd? Zijn invloed en gezag waren immers groot. Een mogelijk antwoord is dat men Calvijns inzet eenvoudig te gevaarlijk vond. De calvinisten werden in Frankrijk op dat moment immers van tijd tot tijd zwaar vervolgd. In zo’n geval was het wellicht verstandiger te beginnen met een artikel waarover protestanten en katholieken het in elk geval eens waren, in plaats van met het typisch reformatorische sola Scriptura.
Toch is daar niet alles mee gezegd. Eventuele rooms-katholieke lezers van de Franse belijdenis zouden zich immers echt niet tot artikel 1 beperken, maar ook het vervolg wel lezen met zijn volop reformatorische inhoud. Nu is algemeen bekend dat op de Parijse synode een zekere Antonius Sadeel (1534-1591) een belangrijk aandeel heeft gehad in de bewerking van het door Calvijn aangeleverde concept. Deze Antoine de la Roche-Chandieu, zoals hij officieel heet, staat bekend als een van de leidende vertegenwoordigers van de protestantse scholastiek. Hij zou een van de eersten zijn geweest die de bijbelse erfenis van Calvijn in het vat wilde gieten van de aristotelische denkvormen die destijds aan de universiteiten gangbaar waren. Op die manier wilde hij de reformatorische leer algemeen bespreekbaar maken en er systematisch over kunnen argumenteren.
Detail
Hier moeten we waarschijnlijk het antwoord op onze vraag zoeken. Sadeel heeft ervoor gekozen om in artikel 1 Calvijns reformatorische inzet om te buigen naar een meer scholastieke verwoording van het geloof. Heeft De Bres zich daar dan vervolgens klakkeloos bij aangesloten? Nee. Dr. J. van Eck heeft in zijn boekje En toch beweegt hij (1997) gewezen op een in dit verband belangwekkend detail. De Bres heeft het aantal tekstverwijzingen onder artikel 1 drastisch ingekort. Vond hij de meeste misschien niet erg overtuigend? Eén tekst heeft daarentegen juist hij toegevoegd, namelijk een verwijzing naar Jesaja 40 en 44.
Wie nu deze hoofdstukken uit de Bijbel rustig doorleest, zal merken dat vrijwel alle eigenschappen die artikel 1 aan God toeschrijft hierin voorkomen. Maar dan op zo’n manier, dat volstrekt duidelijk is dat het gaat over de God van Israël, Die het werk van Zijn handen niet loslaat en al Zijn eigenschappen inzet om Zijn volk te redden en genadig te zijn. Op die manier heeft De Bres ons vermoedelijk een leeswijzer mee willen geven bij de inzet van zijn belijdenis: lees artikel 1 alstublieft niet als een abstracte formule over een filosofische God, maar lees het vanuit het bijbels getuigenis aangaande de grootheid van God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's