De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Teken om naar te leven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Teken om naar te leven

Samenwonen en doop [1]

7 minuten leestijd

Kan ons kindje gedoopt worden? Een vraag die kerkenraden – vooral van gemeenten met een volkskerkkarakter – meer dan eens van een samenwonend paar krijgen. Wat te doen als je het ongehuwd samenwonen als onbijbels afwijst?

Wanneer het gesprek ontstaat over het al dan niet dopen van een kindje van ouders die ongehuwd samenwonen, komt naast de vraag of je de bediening van de doop kunt weigeren nog een voornamer vraag, namelijk: wie behoorden niet tot het verbond middels besnijdenis dan wel doop? Kortom: wie werden in het Oude Testament niet besneden? Wie werden in het Nieuwe Testament niet gedoopt? Voor een goede afweging van argumenten luisteren we eerst naar de Schriften als maatgevend.

Mozes
In het Oude Testament vinden we de opdracht dat al wat mannelijk besneden behoort te worden op de achtste dag (Gen. 17:12). Dit geldt ook voor jongens uit relaties waar we vragen bij kunnen stellen. Een voorbeeld hiervan is Ismaël. Hij is weliswaar geboren uit een relatie die in die tijd juridisch gezien in orde is, maar vanuit Gods richtlijnen ligt dit toch anders. De meisjes en vrouwen worden geacht in de man begrepen te zijn.
Doorgaans voert de vader de besnijdenis uit (Gen. 17:23). Later in de geschiedenis vinden we de moheel, een rituele besnijder. Daarbij zien we dus dat de besnijdenis wat meer gereglementeerd is geworden. De besnijdenis wordt alleen uitgevoerd door hen die daarvoor aangesteld zijn.
In noodgevallen voert de moeder de besnijdenis uit (Ex. 4:25). Met dat ik dit noem, komen we gelijk aan een belangrijk punt. We zitten met dit voorbeeld in de geschiedenis van Mozes die teruggaat naar Egypte. Onderweg komt de HEERE hem tegen om hem te doden, omdat hij zijn zonen niet besneden heeft. Het niet uitvoeren van de besnijdenis neemt de HEERE dus hoog op. We mogen op grond van de bijbelse gegevens concluderen dat in Israël elke man besneden werd en dat vrouwen in de mannen begrepen zijn. Dat ieder man besneden is zien we bijvoorbeeld ook in de tijd van de koningen. Er zijn koningen die hun kinderen aan de Moloch offeren (2 Kon. 16:3 en 17:17; 2 Kron. 28:3). De ouders van deze kinderen gedragen zich als godlozen, terwijl hun kinderen toch verbondskinderen zijn en ook het verbondsteken gedragen hebben. We zien dat terug in koningen als Manasse en Hizkia.
Vermengd In het Oude Testament is het dus een verschrikkelijk iets om niet besneden te zijn. Wie niet besneden is behoort niet tot het verbond van God. Filistijnen heten onbesnedenen.
Hoewel dit oordeel klinkt, zien we tegelijkertijd dat heidenen tot het volk van God kunnen gaan behoren door bekering. Tot de bekering behoort de besnijdenis als teken van het verbond. We lezen in Exodus 12 dat met Israël veel vermengd volk meegaat Egypte uit, het Beloofde Land tegemoet. We hebben bij dit vermengde volk te denken aan Egyptenaren en slaven uit andere volken die met Israël meegaan. Zij zijn op de HEERE en Zijn dienst betrokken geraakt. Ook zij behoren tot de kinderen Israëls, in dit geval de kinderen van Jakob. Zij zijn weliswaar niet zijn natuurlijke kinderen, maar zijn geestelijke kinderen.
Ook later in het Oude Testament zien we van tijd tot tijd heidenen zich tot de God van Israël keren.
Zij worden in het volk opgenomen. Een bekend voorbeeld hiervan is Ruth. Waar het op dit punt misgaat is wanneer heidenen in naam behoren tot het volk van het verbond, maar feitelijk heidense elementen bij Gods volk inbrengen. Ik denk hierbij aan de persoon van Izebel.
Dit spanningsveld treffen we reeds direct na de uittocht uit Egypte aan. We horen al vrij spoedig na de exodus over een zoon van een Israelitische en een Egyptenaar, die de Naam van de HEERE door het slijk haalt (Lev. 24:10-23).
In elk geval is duidelijk dat het uitgangspunt is dat ieder manspersoon besneden behoort te zijn. Wie onbesneden is, heet een heiden. Het kenmerk van een heiden is dat hij buiten het verbond van God staat.

Hart
Hoewel de besnijdenis van grote betekenis is, reikt de Schrift ons ook een paar nuanceringen aan. Vóór Abraham is niemand besneden. Mensen als Henoch en Noach wandelden met God zonder besneden te zijn. We spreken hier wel van het scheppingsverbond. Belangrijker dan het uiterlijke teken van de besnijdenis is het hebben van een besneden hart. De boodschap van de besnijdenis vraagt dus om meer. Zowel Mozes als de profeet Jeremia beklemtonen dat het teken van het verbond in het vlees niet voldoende is. De besnijdenis van het vlees dient gepaard te gaan met de besnijdenis van het hart (Deut. 10:16 en 30:6; Jer. 4:4 en 9:15).
Het komt dus aan op geloof. Dat het geloof allesbepalend is zien we ook in het Nieuwe Testament in Romeinen 4. Abraham is als heiden gerechtvaardigd. Ofwel: God rechtvaardigt de goddeloze. Want tussen Genesis 15 en 17 liggen zo’n 29 jaren.

Teken
Vroegen we ons af in hoeverre de besnijdenis geweigerd is, dan moeten we concluderen dat dit niet zal zijn voorgekomen bij hen die tot het volk Israël behoren en ook niet bij hen die in Israël zijn ingelijfd. Vast staat dat alleen diegenen besneden werden die tot het volk van het verbond behoorden. Dit geldt ook toetreders tot het verbondsvolk. We spreken dan over wat we nu een zendingssituatie zouden noemen. Uiteraard gaat de besnijdenis in dit soort situaties nooit en te nimmer samen op met de belijdenis van de Baäls en Astartes.
Daarmee wordt de hoofdlijn duidelijk: besnijdenis van hart is belangrijk. Ofwel: geloof en bekering zijn zaligmakend. We zien dat ook bij het werk van de profeet Jona. Hij roept op tot bekering. Over de besnijdenis van Ninevieten geen woord.
De besnijdenis is een teken van Gods zoekende liefde. Hij zoekt contact. De besnijdenis zegt veel, maar niet alles en zeker niet het allerbelangrijkste. Wel duidt de besnijdenis het allerbelangrijkste aan: dat besnijdenis van het hart nodig is.

Nieuwe Testament
In de evangeliën vinden we in het Nieuwe Testament de besnijdenis. De Heere Jezus is besneden. Wat in het Nieuwe Testament opvalt is dat bij de besnijdenis ook gelijk de naam gegeven wordt (Luk. 1:59 en 2:21). Verder horen we in het Nieuwe Testament niet zo heel veel over de besnijdenis, omdat de Heere Jezus Zijn discipelen de wereld inzendt met het bevel om de volkeren te onderwijzen en te dopen (Matth. 28:19).
Wanneer na de eerste zendingsactiviteiten de vraag opkomt of heidenen ook besneden moeten worden, besluit het apostelconvent dat de besnijdenis van heidenen niet verplicht is (Hand. 15:24 i.c.m. 15:29). Het mag wel, maar het hoeft niet.
In het Nieuwe Testament ligt alle nadruk op de Heilige Doop. De doop heet zelfs de christelijke besnijdenis of de besnijdenis van Christus (Kol. 2:11). Het geloof treedt op de voorgrond. Filippus antwoordt op de doopvraag van de minister uit Ethiopië: ‘Indien gij van harte gelooft …’ (Hand. 8:37). We spreken hier van een zendingssituatie. Desalniettemin worden ook kinderen gedoopt. We horen dit resoneren in Petrus’ toespraak op de pinksterdag in Jeruzalem, waar hij zegt dat de beloften ons en onze kinderen toekomen (Hand. 2:39). Ook mogen we op grond van de teksten die verwijzen naar iemands huis, concluderen dat kinderen in het verbond begrepen zijn middels de doop (Hand. 16:15 en 33, 1 Kor. 1:16 en 7:14). Sterker nog, allen die onder het gezin vallen worden gedoopt, dus ook huisknechten en slavinnen.
Tegelijk zien we zich een belangrijke grondlijn aftekenen: de doop van een kind veronderstelt een daadwerkelijke bekering van de ouders tot de HEERE. Deze bekering komt onder andere tot uitdrukking in het meeleven van ouders met gemeente en kerk. Want direct na het zendingswerk van de apostelen ontstaan gemeenten.

Geloof
In het Nieuwe Testament komen we eenzelfde lijn tegen als in het Oude Testament, namelijk dat de doop Gods beloften uittekent en verzegelt. Het doopwater veroorzaakt de afwassing van zonden niet, het doopwater tekent de noodzaak van de vergeving uit en roept op tot een nieuwe leven (1 Petr. 3:21b). We horen Paulus in 1 Korinthe 1:17 de doop relativeren, want niet de doop maakt zalig, maar Christus. Het geloof is het middel om deze zaligheid toe te eigenen.
God breekt in ons bestaan in. Hij roept op tot geloof en bekering. Hij schenkt als teken van Zijn verbond in het Oude Testament de besnijdenis en in het Nieuwe Testament de doop. Zowel de besnijdenis als de doop hebben plaats in de gemeente. De gemeente is een geloofsgemeenschap. Deze geloofsgemeenschap begeert te gaan in het spoor van Gods geboden, want het verbond heeft ook verbondsverplichtingen. Het verbond zegt dus allerlei voor en over relaties. Bijgevolg heeft dit ook gevolgen voor relaties en ook het omgaan met elkaar in relaties.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Teken om naar te leven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's