Haggaï en Kesteren
Na periode van opbouw kan ontmoediging volgen
De vereniging die vijf jaar geleden tot de Protestantse Kerk leidde, is oorzaak van dagelijks kruis dragen. We verkeren in een situatie waarin we moed kunnen putten uit wat de profeet Haggaï tegen teruggekeerde ballingen in Jeruzalem zei.
Menige gemeente moest in 2004 en daarna verder op de puinhopen van een hervormde gemeente. Predikant en kerkenraad waren overgegaan naar de geïnstitueerde Hersteld Hervormde Kerk; ze konden niet mee. Enkele gemeenteleden bleven – samen met een groot aantal randkerkelijken – achter; zij konden niet weg. Ondanks alles bleven ze de kerk om Christus’ wil liefhebben.
Zo was de situatie in Kesteren, de gemeente waaraan ik me vorig jaar verbond. Moesten degenen die in 2004 achterbleven weer beginnen met de opbouw van de gemeente? Ziende op wat voorhanden was, was dat eigenlijk onmogelijk, maar ze werden gemotiveerd door het Woord van God en de kracht van de Heilige Geest.
Onder leiding van een interim kerkenraad zijn eigen ambtdragers verkozen en is geprobeerd het kerkelijk leven voort te zetten. Er kwam wat van de grond. Beroepingswerk kon zelfs opgestart worden, ook al waren er hoegenaamd geen financiële middelen. De offervaardigheid van het kleine meelevende deel was groot.
Het werk leek gezegend te worden. Sommigen die elders waren gaan kerken, kwamen terug. Anderen die een beetje buiten de gemeente waren komen te staan, raakten meer betrokken. Een zeker enthousiasme maakte zich meester van de gemeenteleden. De eendracht en de inzet waren groot. Er was verwondering dat er toch een hervormde gemeente in het dorp overgebleven was.
Verslapping
De tijd schrijdt voort. Gemeenteleden en ambtsdragers moeten samen verder en met elkaar rekening blijven houden. Je kunt niet altijd alles krijgen zoals je dat graag zou willen hebben. De plannen vallen soms tegen. Er dienen zich onverwachte tegenslagen aan en de aandacht verflauwt. Die en gene wordt wat inactief en het leven van de gemeente verslapt. De vitaliteit lijkt eruit te zijn. Je kunt gaan denken: heb ik me daar nu zo voor ingezet? Je bent enthousiast aan de gang gegaan, maar dan begint je ijver te verflauwen.
Het is echt niet irreëel in zo’n situatie terecht te komen. We moeten er alert op zijn. We moeten vooral oppassen voor ontmoediging in een tijd die volgt op een periode van opbouw. De satan is er namelijk als de kippen bij en lacht als hem dát gelukt.
Nieuw elan
Ik heb bij de voorbereiding van mijn komst naar Kesteren aan de profeet Haggaï moeten denken. Hij leefde en werkte in de tijd vlak na de ballingschap van Babel. De Judese bevolking mocht terugkeren naar het beloofde land. De wederopbouw van de tempel werd zelfs door een heidense vorst gesubsidieerd. Wie had dat ooit kunnen denken?
De Joden gingen enthousiast en voortvarend aan het werk. Maar wat gebeurde er na verloop van tijd? We lezen in het boek Ezra dat vele oudere priesters en levieten en familiehoofden, die de eerste tempel nog gezien hadden, luid huilden toen zij de fundamenten van de nieuwe tempel zagen. Ze dachten natuurlijk: deze haalt het niet bij de vorige. Wat kan zoiets ontmoedigend werken.
Na een paar jaar kwam het werk om verschillende oorzaken stil te liggen. Aan eigen belangen werd de voorkeur gegeven boven de dienst van God. En toen kregen ze God tegen. Misoogsten plaagden het volk. De inkomsten vielen tegen. Voedselschaarste ontstond. De mensen kwamen er niet meer aan toe zich ook nog in te zetten voor de dienst van God.
In die omstandigheden wees de profeet Haggaï erop dat de nood der tijden niet was te vinden in de slechte economische situatie of tegenwerking van de Samaritanen, maar in hun zelfzuchtige en hebzuchtige hart.
Gode zij dank: deze prediking droeg vrucht. Toen mocht Haggaï ook de belofte verkondigen dat de HEERE met hen zou zijn. Het kwam tot een daadwerkelijke ommekeer. Met nieuw elan begonnen de Joden weer met het herstel van de tempel.
Slecht imago
Op het Loofhuttenfeest was de blijdschap van de naar Jeruzalem gekomen feestgangers ver te zoeken. De oogst was immers niet best en de mensen hadden steeds minder te besteden. Uit naam van zijn God moest Haggaï hun toen de vraag voorleggen: ‘Wie is onder u overgebleven die dit huis in zijn eerste heerlijkheid gezien heeft? En hoedanig ziet u het nu? Is dit niet als niets in uw ogen?’
De vragen die bij de teruggekeerde ballingen leefden werden niet toegedekt of weggewuifd. Ze dachten dat het nooit iets zou worden. Het was hetzelfde refrein als jaren geleden. Wat is dat ontmoedigend. Wat werkt zoiets verlammend. Menigeen zal in een gescheurde hervormde gemeente ook vergelijkingen met het verleden maken.
Als hervormde gemeente binnen de Protestantse Kerk in Nederland hebben we in een dorp niet zo’n best imago. We kunnen niet scoren in de wereld en ook niet in de kerkelijke wereld. Jongeren ervaren dat zelfs op scholen. De negatieve kritiek kan ontmoedigen.
De gemeente is door zo’n scheuring bovendien verbannen uit het centrum van de samenleving. Ze heeft weinig invloed meer. Wat kan dan het vergelijken met het verleden deprimeren. Velen laten het hoofd hangen. Zo’n ontmoediging gaat verlammend werken voor de arbeid in de gemeente.
Bemoediging
Toch moeten we ons door dat alles niet moedeloos laten maken. We moeten de hand aan de ploeg slaan en niet zien naar hetgeen achter ons is, heeft Jezus Christus ons geleerd. In zulke omstandigheden hebben we een bemoedigend woord nodig. Als wij bemoedigen, zeggen we: als jullie dat niet klaarspelen, dan gaat het nergens. Zo’n opmerking geeft je een kick, ze vergroot je zelfvertrouwen. Je gaat aan de slag en je beleeft het werk als een uitdaging. Maar geeft dat nu écht moed? Het lijkt alsof de profeet Haggaï op dezelfde wijze bemoedigde.
Hij stak de leiders en het volk een hart onder de riem. We lezen immers: ‘Doch nu, wees sterk gij Zerubbabel, spreekt de HEERE; en wees sterk, gij Josua, zoon van Jozadak, hogepriester; en wees sterk, al gij volk van het land, spreekt de HEERE en werkt.’ Werpt hij ze ook op zichzelf terug? Is het gevaar dan niet aanwezig op den duur toch moedeloos te worden? Op onszelf kunnen we niet veel bouwen.
Mozes
God bemoedigt anders. Gods knecht Haggaï gaf de reden aan waarom het hun zou gelukken: ‘Want Ik ben met u, spreekt de HEERE der heerscharen.’ Gods belofte werd herhaald. Op die belofte mochten ze vertrouwen. Ze werden dus niet op zichzelf maar op de belofte van de getrouwe en almachtige God teruggeworpen. Dát is bemoedigend.
In die geloofstraditie stonden de profeten Haggaï en Zacharia na de ballingschap. Toen het volk voor de Rode Zee stond, moest het voorttrekken en Mozes moest verkondigen: ‘De HEERE zal voor u strijden en gij zult stil zijn.’ Toen Mozes zijn heidense zwager Hobab uitnodigde met hen mee te gaan, kon hij niet wijzen op een voortreffelijk en voorbeeldig volk, maar wees hij hem op de belofte van God: de HEERE heeft over Zijn volk Israël het goede gesproken en wij zullen je laten delen in het goede dat Hij ons beloofd heeft. Het negatieve verslag van de tien verspieders werkte ontmoedigend, met alle gevolgen van dien. Jozua en Kaleb getuigden er echter van dat de HEERE beloofd had hen in het beloofde land te zullen brengen.
Nog weer later getuigde Nehemia ervan: ‘God van de hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen.’ Ook óns voorgeslacht is ons daarin menigmaal voorgegaan, bemoedigd door de belofte van God.
Voortgaan
Vanuit de hemel roept de HEERE der heerscharen – de Getrouwe, Die bovendien Zijn talloze hemelse legermachten tot Zijn beschikking heeft – het kruisdragers toe: ‘Ik ben er!’ We mogen het ook zeggen met de woorden van de opgestane Heere, Die alle macht heeft in hemel en op aarde en in Wie deze God Zich volkomen geopenbaard heeft: ‘Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding der wereld.’
Als we Hem mee hebben, kan ons het een en ander nog wel tegen zitten, maar Hij is met ons in het strijdperk van dit leven. Daarom mogen we in gehoorzaamheid aan Hem toch moedig voortgaan.
De profeet wijst erop dat deze God met Zijn volk zal zijn met het Woord van het verbond dat Hij met hen gesloten heeft na de uittocht uit Egypte. Die belofte mag nog steeds bemoedigen en vertroosten. Waar de HEERE aanwezig is met Zijn Woord, daar beademt Hij ook met Zijn Geest. We worden dus niet op onszelf teruggeworpen, maar op de genadige beloften van de almachtige en getrouwe God. Dat is meer dan een kick. Meer dan een uitdaging. De HEERE der heerscharen is met ons. Niet door kracht, noch door geweld, maar door Zijn Geest zal het geschieden. En als Christus door Zijn Geest in ons midden is, schittert zelfs de heerlijkheid van God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's