De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

‘In- en uitpraten is voorbij’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

‘In- en uitpraten is voorbij’

Ds. G. de Fijter neemt afscheid als preses synode

7 minuten leestijd

Dat recent twee protestantse prominenten, commissaris van de Koningin Franssen en de Amerikaanse oud-politicus Newt Gingrich, rooms-katholiek werden, vindt bij ds. G. de Fijter, scheidend synodepreses van de Protestantse Kerk, niet alleen maar begrip.

‘Wie meent dat de Rooms-Katholieke Kerk een betere variant van christendom is dan de Protestantse Kerk, omdat de laatste weliswaar één organisatie is maar door interne pluraliteit wordt verlamd, die bestrijd ik. Wij hebben zeer wel overeenstemming over de boodschap en proberen ook met een woord voor de samenleving naar buiten te treden. Ik heb geen behoefte aan iemand boven me die me vertelt wat ik moet vinden. Dat is pas verlammend. Het is typisch protestants om over een aantal zaken verschillend te denken. Dat doet aan het getuigenis in het publieke domein niet tekort. Het is waar dat interne pluraliteit op zijn tijd spanningen meebrengt. Vanuit de bloedgroep waar ik uit voortkom – de Hervormde Kerk – worstelden we altijd met de grenzen van het belijden. Als een dominee heeft beloofd dat hij in gehoorzaamheid aan het Woord van God wilde werken en dat hij Jezus Christus zou verkondigen, dan mag hij daaraan gehouden worden. Dat geldt dus ook voor ds. K. Hendrikse uit Middelburg. Ik ben daarom blij met het getuigenis van de classes Walcheren en Zierikzee over Wie God is en Wie Jezus Christus is. De classis heeft gezegd dat ze wil leven uit Gods genade en dat de kerk de opdracht heeft om het Woord van de Heere te horen en te verkondigen. Ik noem dat een moderne vorm van tucht. Wie in onze kerk niet meer kan staan achter wat hij eens beloofde en waar hij of zij voor wilde gaan, vindt in de negentiende-eeuwse predikant Conrad Busken Huet het goede voorbeeld: zelf de consequenties trekken en opstappen.’

Bij uw aantreden als preses zei u het analfabetisme aangaande het christelijk geloof te willen bestrijden. In hoeverre is dat gelukt?
‘Toen ik dit in 2007 zei, greep het me aan dat zeventig procent van de Nederlandse bevolking niet op het christelijk geloof betrokken is. Vijfenveertig procent van de bevolking weet niet waar het met Pasen om gaat, las ik deze maand. Er is weinig kennis, buiten de kerk maar ook daarbinnen. We hebben ons als kerk om allerlei zaken druk gemaakt – en ook terecht – maar deze onverschilligheid en onkunde grijpt me aan.
De afgelopen twee jaar hebben we daar als moderamen aandacht aan willen besteden. De generale synode heeft de catechese-nota aangenomen en deze moet in de gemeenten handen en voeten gaan krijgen. Dat houdt in dat mensen opnieuw het abc van het christelijk geloof gaan leren spellen. De tijd van in- en uitpraten moet voorbij zijn. Ik hoop dat mensen zien dat het belangrijk is dat overdracht van geloofswaarheden plaatsvindt. In dit kader is ook het JOP-jongerenwerk van de kerk van de grond gekomen. Dat Harmen van Wijnen directeur van de HGJB én van JOP is, heeft als voordeel dat de kennis van de HGJB voor heel de kerk vruchtbaar kan worden. Verder is er de recent onder leiding van ds. J.P. van Ark gestarte speciale inzet in het missionaire werk. We zijn dus op drie fronten bezig om wat te doen aan wat ik de strijd tegen de analfabetisering van het christelijk geloof noemde. De spits ligt mijns inziens bij de catechese.’

In hoeverre lukt het om het grondvlak mee te krijgen?
‘Ik weet maar al te goed dat de plaatselijke gemeenten autonoom zijn. Als de landelijke kerk een enthousiast verhaal over het missionaire werk heeft, zijn er gemeenten die zeggen dat dat wel best is. Dat geldt ook voor het jeugdwerk en voor het streven naar oecumene.
Als ik terugkijk, zijn er de laatste jaren in mijn ogen belangrijke nota’s verschenen. Deze zijn goedgekeurd door de generale synode, die niet anders is dan de landelijke verzameling van alle 75 classes, dus het hele grondvlak. Van Leren leven van de verwondering, de visienota voor het leven en werken van de kerk in haar geheel, zijn veel exemplaren gedrukt en ze is in veel gemeenten aan de orde geweest. Er zijn ook mensen die er niet van onder de indruk zijn, die vind je in de hele breedte van de kerk. Gereformeerde-bondsgemeenten zijn te veel in zichzelf gekeerd, al hebben ze veel van de kerk ontvangen en is er veel liefde voor de kerk. Dat geldt ook voor andere bewegingen in de kerk.’

Niet thuisblijven
‘Wat nog niet is verbeterd, is het imago van de kerk. Naar buiten toe, maar ook naar de plaatselijke gemeente en classicale vergaderingen. Ik ben geschrokken hoe weinig gewone gemeenteleden weten van de landelijke kerk. Mensen hebben geen idee van wat er in de classis gebeurt of hoe de synode wordt samengesteld. Ik vroeg eens: ‘Hoeveel mensen zitten er in de generale synode?’ ‘Geen idee’, zei de mevrouw. Ik liet zien dat het om meer dan honderdvijftig leden gaat, komend van Groningen tot Limburg. Men zegt van een presbyteriaalsynodale kerkstructuur te houden, maar je ziet in de praktijk een congregationalistische houding. Mensen denken dat in Utrecht een soort Vaticaan zit, een klein groepje mensen dat alles regelt. Ik heb daar zorg over.
Dat heb ik ook over de betrokkenheid bij classis en synode. Predikanten zijn niet verplicht op de classis te komen als ze niet tot de afgevaardigden behoren. Dus komen ze ook niet. Maar zij zijn onze professionals en worden betaald vanwege de plaatselijke gemeenten. Het is jammer dat ze hun kennis niet inbrengen in de grondvergadering van de kerk. Als ik paus was, zou ik hen verplichten om te komen. We hebben elkaar hard nodig. Je kunt niet thuis blijven zitten om je eigen winkeltje overeind te houden, dat is slecht voor de kerk.
Over de kwaliteit van het werk van synodeleden wil ik niet te veel zeggen. Velen proberen met grote inzet door de stukken heen te komen, zich een mening te vormen en een goede bijdrage te leveren. Van anderen vraag ik me soms af of ze de stukken wel goed lezen. Ik merk dat niet altijd gemakkelijk is te doorgronden waar het over gaat.’

Waarvoor bent u het meest dankbaar als u na drie jaar vice-presidiaat en twee jaren presidiaat terugkijkt?
‘Dat de Protestantse Kerk zich erin oefent een belijdende kerk in de samenleving te zijn. Ik ben dankbaar dat ik daarin zie dat de kerk de historische voortzetting is van de drie kerken en nadrukkelijk ook van de Nederlandse Hervormde Kerk, waar ik uit voortkom. Met vallen en opstaan wil ze zich midden in onze samenleving manifesteren als de kerk van Jezus Christus. Ik zie dat plaatselijke gemeenten christelijke gemeenschappen willen zijn. Ik zie bovendien dat de kerk allerlei concrete zaken wil benoemen. Zo haakten we aan bij het document over geweld tegen vrouwen, Churches Say No to Violence against Women. Heel mooi vind ik ook wat de kerk heeft gezegd over de onopgeefbare verbondenheid met Israël. De kerk probeert op allerlei manieren in het publieke domein overeind te houden wat de kern van het christelijk geloof is en tegelijk mee te denken over allerlei ethische onderwerpen, zoals zorg voor Gods schepping, de seksualiteit en de verhouding tot andere godsdiensten.’

Wat is tot uw spijt nog niet gerealiseerd?
‘Ik hoop dat het geloofsgesprek meer zal worden gevoerd. Daarmee bedoel ik dat we ons – met name in de classicale vergadering, maar ook in de gemeente zelf – ervoor inzetten om de ander in zijn diepste overwegingen te begrijpen. Probeer te ontdekken waarin de roeping van de ander ligt om gemeente van Christus te zijn of om als gelovige in de gemeente bezig te zijn. We moeten met elkaar doorpraten over het geloof. De classicale vergadering zou daar een inspirerende rol in moeten hebben.
Als we het kunnen opbrengen om ons geloof met anderen te delen, zal dat leiden tot opbouw van de gemeente en van de kerk. Laten we niet gelijk de ander afrekenen, omdat hij een nieuwe psalm of een ander lied wil zingen. Laten we in praktijk brengen: ‘Hoort wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.’ Er is best veel eenzaamheid in de gemeenten. Mijn zorg ligt bij de predikanten. Net als in de zending moet de dienst der bemoediging aan de orde komen. Zeg eens wat goeds tegen elkaar over het geloof, de preek, de gemeente en de kerk. We staan samen als christenen in het geheel van deze samenleving en in de kerk. Bemoedig elkaar.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

‘In- en uitpraten is voorbij’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's