De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vijf jaar verenigd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vijf jaar verenigd

Rond 1 mei gaat het om ‘de gedachtenis aan U’

8 minuten leestijd

Wie staat in de traditie van de kerk der eeuwen, die steunt op de leer van de apostelen en profeten, is aan geen tijd en plaats gebonden. In dat licht is vijf jaar Protestantse Kerk in Nederland een voetnootje in de geschiedenis.

'De Gereformeerde Bond heeft het moeilijk,' zo voegde een leidinggevende uit de Protestantse Kerk me onlangs toe, ‘want het front is weggevallen’: deze kwinkslag met een serieuze ondertoon wilde onderstrepen dat het belijdende karakter van de kerk zo stevig geworden is dat een vereniging die de waarheid van Gods Woord wil verbreiden en verdedigen, minder dan voorheen nodig zou zijn. De samenwerking tussen het landelijke JOP-jeugdwerk van de kerk en ‘onze’ HGJB kan dan als illustratie dienen voor de verschoven posities. Nu, om déze reden heeft de Gereformeerde Bond het in ieder geval niet moeilijk. Want niet voor niets zette prof.dr. G. van den Brink boven de rede die hij tijdens de herdenking van ons honderdjarig bestaan hield als titel: Vóór de kerk. Het front mag nooit de kerk zijn, wel de dwaling in haar midden.

Kerk is van de Heere
Bij die herdenking is opnieuw uitgesproken dat we verlangen naar een kerk die in al haar officiële uitingen recht doet aan het Woord: in de prediking, in de sacramenten, in de inrichting van het kerkelijk leven, in waar ze haar zegen aan geeft. Toen is verwoord dat we nooit eerder met de kerk mogen breken dan wanneer ons de verkondiging van het evangelie onmogelijk wordt gemaakt. Tegelijk hebben we op die mijlpaal in onze geschiedenis opnieuw beseft dat het voor Gods aangezicht met mínder niet kan: ‘Wee mij als ik het Evangelie niet verkondig’ (1 Kor. 9:16). Je kunt als kerk het recht om het evangelie te verkondigen, ook misbruiken.
De waardering van de weg die onze kerk de afgelopen vijf jaar gegaan is, kan alleen vanuit de overtuiging dat we zelf tot haar behoren, deel van haar uitmaken en daarom voor haar verantwoordelijk zijn. Altijd weer brengt ons dat tot de enig juiste grondhouding. Als we in de kerk te maken hebben met afwijkingen van het Woord van God, dan stelt dat óns schuldig, omdat we samen tot het lichaam van Christus behoren. Wie dat in het geloof ziet, gaat de kerk meer liefhebben, meer voor haar bidden, omdat ze van de Heere is. Haar afschrijven is een grote zonde.

Verwondering
Het maakt voor de evaluatie van vijf jaar Protestantse Kerk uit vanuit welk perspectief je naar haar kijkt. Dat kan in dankbaarheid voor alle rapporten die de synode de afgelopen jaren heeft besproken en aanvaard. In september 2005 was dat Leren leven van de verwondering, de visienota die bepalend moest zijn voor heel het beleid. Daarin werd verwoord dat de kerk een gemeenschap rond het Woord is, de ontvanger van het Woord. ‘Het Woord is de oorsprong van de kerk, de grond onder haar voeten, haar grootste vreugde en vaste hoop voor de toekomst’. Wie wil dit niet van harte onderschrijven? Bij dit moment merken we op dat de kerk laat zien het getuigenis van het evangelie als kern van het kerk-zijn te beschouwen.
De voornaamste kritiek op dit visiedocument was tegelijk dat de nota te gemakkelijk afstand nam van de crisis die de kerk in onze cultuur doormaakt, dat de verootmoediging ontbreekt over de situatie waarin de kerk gekomen is. IZB-secretaris ds. W. Dekker verwoordde die kritiek met een citaat van prof. H. Berkhof: ‘Te moeten leven en werken in een woestenij van onverschilligheid, van mensen die het zelf al lang en veel beter menen te weten, kan voor voorgangers en gemeenteleden een loodzware druk worden.’

Verwachting
Optimisme past niet in het woordenboek van de kerk, wel verwachting. Die verwachting vindt haar grond echter niet in een nieuw elan dat stoelt op de vereniging van kerken, komt niet voort uit missionaire programma’s en intensieve aandacht voor het jongerenwerk – hoe waardevol die ook kunnen zijn.
Verwachting komt er als we heel anders naar de kerk kijken, zoals de dichter van Psalm 102 doet. ‘Maar U, HEERE, blijft in eeuwigheid, de gedachtenis aan U van geslacht tot geslacht.’ Het zou mooi zijn als we deze psalm in de erediensten zingen bij het vijfjarig bestaan van de Protestantse Kerk. De dichter van deze boetepsalm gelooft dat God Zijn werk niet los zal laten: ‘U zult opstaan, U zult zich ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, de vastgestelde tijd is gekomen. Want Uw knechten hebben haar stenen lief en hebben medelijden met haar gruis.’ Het lezen en zingen van deze psalm bindt ons samen met allen die in ons geseculariseerde land tot de kerk van Christus horen, ook nieuwe vrijgemaakten, hersteld hervormden en voortgezette gereformeerden – al betreuren we hun kerkelijke keuzes en staan we beschaamd bij de voortgaande verbrokkeling van de kerk in Nederland.

Tegenover-positie
Duizenden mensen die de kerk verlaten, miljoenen euro’s die gespendeerd worden aan een onvolkomen systeem voor de ledenregistratie, ds. Hendrikse die op provocerende wijze met een atheïstisch pamflet komt dat met geen enkel godsbeeld spoort, een Haagse predikant rond Pasen meldt reïncarnatie aan te hangen ‘omdat de Bijbel niet het laatste woord hoeft te hebben’ – het zijn thema’s van ongelijk soortelijk gewicht, die wel alle laten zien op welke onvruchtbare wijze de kerk in het nieuws kan komen en welke schokkende dingen er in ons midden gebeurden.
Op welke wijze komt de kerk op voor haar eigen belijden? De Zeeuwse predikant houdt de gemoederen al drie jaar bezig, het gravamen tegen ordinantie 5.4 over de zegening van relaties van mensen van gelijk geslacht is omgebogen tot het pleidooi voor een kerkelijk gesprek over seksualiteit. Er leven fundamentele vragen over de betekenis van het verbond en de kinderdoop. De Raad van Advies voor het Gereformeerd Belijden, onze zusterbonden, de Gereformeerde Bond zelf – ik durf niet te voorzien dat onze opheffing nabij is, in bescheidenheid verwoord.
Bij dit alles is er tegelijk dankbaarheid voor de insteek van het moderamen, die de inhoud van het kerkelijk werk het volle pond heeft willen geven. Op de synode is nagedacht over en beleid geformuleerd inzake de catechese, de verbondenheid met Israël en de relatie tot Palestijnse christenen, het jongerenwerk, de opdracht om het evangelie in ons land uit te dragen, de oecumene enzovoort. Het Woord ‘als grond onder de voeten’ heeft het moderamen daarbij leidend laten zijn, al blijft steeds de vraag naar de concretisering in de kerkelijke praktijk. Wat is het nodig dat uit de kring van de Gereformeerde Bond mensen (van een nieuwere generatie) die insteek van het moderamen versterken, door zich beschikbaar te stellen voor toerustingscommissies, voor het werk in de classis of de synode. Het besef elkaar in de kerk hard nodig te hebben, is het voorbije lustrum gegroeid, waardoor het denken in een ‘tegenover-positie’ minder sterk aanwezig is. Het moderamen – en in haar de synode – toont waardering voor het werk dat vanuit een gereformeerde levensovertuiging tot opbouw van de kerk geschiedt.

Bij de naam noemen
Maar ook hier is er een andere kant van de medaille. Dr. W. Aalders schrijft in zijn kleine boekje Theologie der verontrusting dat het de ‘strategie van de duivel is om van onze theologische naïviteit gebruik te maken’. Al spreken we graag over broeders van hetzelfde huis, ‘we moeten de dingen in ernst en waarachtigheid bij de naam noemen’ en wat ‘afdwalingen betreft waarvan ons heil afhankelijk is, mogen we niet van vrede en eenheid spreken’.
Die roeping heeft de Gereformeerde Bond naar het geheel van de kerk, maar ook naar zichzelf, zijn eigen leden. Willen staan op de grondslag van de belijdenis van de Reformatie vraagt ook een leven uit de schatten van de Reformatie, waarbij de gehoorzaamheid aan het Woord van de Heere het hoogste goed is. Op de kerkenradendag in Amersfoort in 1996 is door de Gereformeerde Bond uitgesproken dat ze de kerk zal blijven aanspreken op het alleen gezaghebbende van de Schrift als enige regel van het geloof en op de gereformeerde belijdenis als spreekregel voor de kerk. De kritische vraag naar onszelf is in hoeverre we dit deden en in hoeverre we zelf naar deze norm leven, of we bij de belijdenis leven in ons denken over het Schriftgezag, het ambt, het verbond, huwelijk en (homo)seksualiteit enzovoort. Ons voorgeslacht heeft immers niet voor niets lijf en goed overgehad voor de inhoud van onze belijdenisgeschriften, die de verkiezende Vader, de reddende Zoon en de heiligende Geest centraal stelt, die het leven uit Christus gevolgen laat hebben voor de ethiek.

De Heere de hand
Geeft de Heere de hand – dat was ons motto bij de overgang naar de Protestantse Kerk. Vernieuwing van het verbond. Biddend om het vuur van de Heilige Geest, verlangend om het zichtbaar worden van de vreze des Heeren in ons midden. Ook vijf jaar later mogen we ons aan God en aan Zijn dienst verbinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Vijf jaar verenigd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's