De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Touw met drie strengen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Touw met drie strengen

Prof.dr. G. van den Brink geeft college over NGB [4, slot]

9 minuten leestijd

Nadat in artikel 4 de boeken van de canon zijn opgesomd, stelt artikel 5 een vraag aan de orde die vandaag weer steeds meer mensen bezighoudt: hoe weet je nu dat de Bijbel inderdaad het Woord van God is?

Dat was ook in de begintijd van het protestantisme een existentiële vraag. We moeten ons voorstellen dat het om zo te zeggen best ‘eng’ was om zonder tussenkomst van de kerk rechtstreeks op de Bijbel af te gaan. De Bijbel was immers een oud boek, dat velen niet eens konden lezen; de kerk daarentegen was maar al te zichtbaar en machtig.
Het is bekend dat De Bres graag disputeerde met rooms-katholieken die voor hun gevoel op de wip zaten: zullen we wel of niet breken met de moederkerk? In die situatie zal de vraag ‘Hoe weet je nu dat de Bijbel betrouwbaar is?’ hem waarschijnlijk regelmatig gesteld zijn. In onze hedendaagse multireligieuze samenleving krijgt artikel 5 een nieuwe actualiteit. Andere heilige boeken dienen zich aan, zoals de koran, en het blijkt mogelijk om je leven daarop af te stemmen. Vooral jongeren voelen dan ook met kracht de vraag op zich af komen: hoe weet je nu wat het ware geloof is?
Artikel 5 van de NGB helpt bij het vinden van het antwoord op die vraag. Hier wordt namelijk geloofsverantwoording geboden op het hoogste niveau. In alle beknoptheid worden drie gronden aangereikt voor de geloofwaardigheid van de Bijbel: het getuigenis van de kerk, van de Geest, en van de geschiedenis. Vergelijk het met drie strengen van een touw, die in elkaar verstrengeld een sterk en houdbaar antwoord vormen op de vraag waarom christenen zoveel fiducie hebben in de God van de Bijbel.

Getuigenis van de kerk
Wat de kerk betreft, valt op hoe terughoudend artikel 5 formuleert. Wij geloven de Bijbel ‘niet zozeer’ omdat de kerk de bijbelboeken voor canoniek houdt. Daarmee zet De Bres zich af tegen Rome. Volgens de rooms-katholieke leer is het gezag van de Schrift immers juist wel gebaseerd op wat de kerk over de Bijbel zegt.
Die gedachte kent weliswaar verschillende gradaties. Sommige rooms-katholieke auteurs zeiden provocerend dat de Bijbel voor hen niet meer gezag zou hebben dan de fabels van Aesopus wanneer de kerk haar hand er niet voor in het vuur stak. Anderen waren voorzichtiger en erkenden dat de kerk geen enkel bijbelboek canoniek maakt: het canonieke karakter van de bijbelboeken rust in hun inhoud en hun inspiratie door de Geest. Maar de kerk stelt wel vast welke boeken tot de canon behoren. Individuele gelovigen kunnen dat nooit zelf. In die zin aanvaarden christenen de Bijbel op gezag van de kerk.
Nu valt met die tweede duiding wel te leven. Want inderdaad heeft niemand van ons zelf vastgesteld dat, laten we zeggen, het boek Esther tot de canon behoort; dat geloven we omdat we het zo overgeleverd hebben gekregen door de kerk. Rome heeft ook gelijk als ze stelt dat de kerk er eerder was dan de Bijbel. De vroegste christenen bijvoorbeeld hebben niet geleefd bij het sola Scriptura. Want de Scriptura was er nog niet, althans niet die van het Nieuwe Testament. Maar ze leefden wel van het getuigenis van de apostelen zoals dat naderhand in het Nieuwe Testament terechtkwam. Op die boodschap van het heil in Jezus Christus (in theologentaal: op dat kerygma) is de kerk dus van meet af aan gegrond. Aan die boodschap ontleent de kerk ook vandaag nog haar gezag. Het is dus niet zo dat wat in de Bijbel staat waar is omdat de kerk het zegt. Het is juist omgekeerd: wat de kerk zegt is waar omdat en voorzover het overeenkomt met de Schriften. Vandaar dat artikel 5 de rol van de kerk sterk relativeert.

Nooit zonder de kerk
Toch poetst de De Bres deze rol ook niet helemaal weg. Wanneer hij zegt: we geloven de Bijbel ‘niet zozeer’ vanwege de kerk, dan is dat dus toch wel enigszins het geval. Ongetwijfeld zal De Bres het woord van Augustinus gekend hebben: ‘Ik zou het Evangelie niet geloofd hebben als het gezag van de katholieke kerk mij niet bewoog.’ Die uitspraak moeten we niet verkeerd begrijpen, zoals Calvijn liet zien. Augustinus bedoelt niet dat het gezag van de Bijbel teruggaat op een goedkeuringsstempel van het instituut kerk. Hij bedoelt wel dat zonder de indruk die het getuigenis van de kerk maakt niemand tot Christus komt. De kerk is dus niet zozeer geloofsgrond, alswel geloofsmiddel. Vandaar dat artikel 5 niet elke betekenis aan de kerk ontzegt als het gaat om het geloof in de Schriften. Ook volgens De Bres brengt de kerk ons met gezag in aanraking met de Bijbel.
Dat heeft ons nog altijd het nodige te zeggen. Want je kunt ook vandaag nooit tot geloof komen zonder de kerk, dat wil zeggen zonder de overtuigende woorden van voorgangers en anderen die al voor jou en om je heen gelovig waren. God kan zich overal laten ontmoeten, maar het is toch vrijwel altijd via de geloofsgemeenschap – de kerk – dat het evangelie indruk op je begint te maken. Nu vandaag zoveel mensen prima buiten de kerk om denken te kunnen geloven, mogen we dit punt zelfs wel weer wat sterker aanzetten: geen christelijk geloof zonder kerk!

Getuigenis van de Geest
Toch is de lange traditie van de kerk der eeuwen niet doorslaggevend. De kerk kan mij het geloof namelijk niet geven. Christelijk geloof blijft een door en door persoonlijke zaak. Juist dat had de Reformatie ontdekt en ook met kracht naar voren geschoven: geloven is maar niet zaken voor waar houden die de kerk aanneemt, maar een persoonlijk doorleefde relatie met de God van de Bijbel. Die relatie komt tot stand door het werk van de Heilige Geest. Vandaar dat De Bres hierop het hoofdaccent legt: wij geloven vooral dat de bijbelboeken van God afkomstig zijn, ‘omdat de Heilige Geest daarvan getuigenis geeft in onze harten’. Het gaat hier om de ervaring dat je zó met de Bijbel in aanraking kunt komen, dat je er als vanzelf diep van onder de indruk raakt en innerlijk overtuigd raakt van haar waarheid. Het gaat daarbij ongetwijfeld niet alleen om het canonieke karakter van de Bijbel, maar ook en misschien wel allereerst om haar inhoud. Juist vanwege die inhoud krijg je namelijk ook zo’n hoge dunk van de Bijbel als boek. Dat gebeurt bijvoorbeeld als je de Bijbel leest of als iemand er met je over praat. Maar het gebeurt vooral onder de preek, onder de verkondiging van het evangelie. Dan kan de Heilige Geest daar zo in meekomen, dat het evangelie in je hart resoneert en landt. De Heilige Geest komt erbij, als de innerlijke leermeester (Augustinus). Zo komt het tot de overtuiging dat de Bijbel Gods Woord is, en tot de persoonlijke toeëigening van dat Woord.
Het getuigenis van de Geest in artikel 5 is dus niet bedoeld als een soort mystieke gebeurtenis, maar als een ervaring die opgeroepen wordt door de omgang met de Bijbel zelf. De Geest getuigt mét de Bijbel mee in ons hart. Het is geen apart werk van de Geest, maar geheel en al verbonden met (onze omgang met) de Bijbel zelf. Maar wat nu als je dit getuigenis niet in je hart ervaart? Er zijn natuurlijk heel veel mensen voor wie dat geldt. Ze lezen uit nieuwsgierigheid in de Bijbel of horen bij speciale gelegenheden eens een preek, maar ervaren helemaal niet dat God hen daar doorheen aanspreekt. Hoeven zij zich dan verder aan de Bijbel niets gelegen te laten liggen?

Getuigenis van de geschiedenis
Het is op dit punt dat de derde streng in het touw gaat functioneren. Ook de geschiedenis getuigt namelijk van de waarheid van de bijbelse boodschap. En daar kan iedereen zich van vergewissen, los van de vraag of hij of zij de unieke kracht van de Bijbel persoonlijk ervaart. Hoe belangrijk het persoonlijk overtuigd zijn ook is, De Bres laat ons niet over aan onszelf en onze subjectieve overtuigingen. De waarheid van de Bijbel heeft ook een objectieve gestalte, namelijk daar waar profetieën uitkwamen. De erkenning daarvan op zichzelf maakt ons nog niet tot gelovigen. Daarvoor is juist weer het ‘binnen-werk’ van de Geest nodig. Maar het getuigenis van de geschiedenis heeft wel een belangrijke ondersteunende functie: we zijn geen kunstig verdichte fabels nagevolgd.
In de tijd van De Bres werd dit vooral geïllustreerd aan de hand van uitgekomen profetieën – een motief dat al in de Vroege Kerk voorkwam. Het is echter opvallend dat De Bres hierover meer ingehouden spreekt dan velen voor en na hem. Hij vond het voldoende om te zeggen dat de bijbelboeken zichzelf bewijzen telkens ‘als zij iets zeggen, en het zo geschiedt’. Al op de synode van Antwerpen in 1566 vond men dat blijkbaar wat magertjes. Vandaar dat men toevoegde dat ‘zelfs de blinden’ (= niet-gelovigen) konden nagaan dat de profetieën uitkwamen. Wie zich schouderophalend van de Bijbel afwendt, valt dus niet te verontschuldigen.
Ook deze derde streng blijft voor vandaag van belang. Ook als het voorbeeld van de uitgekomen profetieën ons soms wat minder aanspreekt, zijn er nog genoeg andere dingen in de Bijbel die objectief ergens op blijken te slaan. De berichten over de opstanding van Christus bijvoorbeeld, zo betoogde de Britse nieuwtestamenticus N.T. Wright recent, kunnen historisch gezien eigenlijk alleen maar begrepen worden als er daadwerkelijk een opstanding heeft plaatsgehad. En kosmologen lopen er tegenaan dat ons heelal wel héél precies afgestemd lijkt op de mogelijkheid van leven op aarde – zodat ze nauwelijks heen kunnen om de bijbelse boodschap aangaande Gods scheppingswerk.
Wel formuleerde De Bres op dit punt zoals gezegd terughoudend. Dat was denk ik heel verstandig. De aanwijzingen in de geschiedenis zijn op zichzelf genomen te ‘dun’ om ons triomfalistisch te maken. Maar ze zijn, zeker in combinatie met het getuigenis van de kerk en van de Geest, overtuigend genoeg om levenslang veel te verwachten van Gods beloften in de Bijbel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Touw met drie strengen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's