Paulus en de wet
Bijbeltekst begrepen
In Galaten 3 schrijft Paulus over het ontvangen van de Geest en over het kind-zijn van Abraham. Daarbij maakt hij een scherp onderscheid tussen geloven en doen. Wanneer hij dan te spreken komt over de wet, is hij daar niet positief over. Over welke wet heeft Paulus het precies en hoe verhoudt hij zich tot deze? Paulus noemt zichzelf de apostel der heidenen. Hij predikt het evangelie aan de volkeren en zijn evangelie is besnijdenisloos. In Handelingen 15 zien we dat dit al snel de nodige vragen opriep. In Antiochië komt Paulus in botsing met Petrus over het wel of niet naleven van de joodse spijswetten. De eenheid van de christelijke gemeente, bestaande uit joodse christenen en heidenchristenen, komt onder druk te staan. Vanuit deze historische context komt nu de vraag tot ons.
‘Nomos’
Mijn hoofddocent Nieuwe Testament te Leiden, H.W. Hollander, vraagt zich af of het wel juist is om bij wet (altijd) te denken aan de joodse wet. Paulus gebruikt het algemeen Griekse woord nomos en dat hoeft niet per definitie de Thora (joodse wet) te zijn. Is het niet juister om bij nomos te denken aan de algemeen geldende wet(ten) in de Grieks-Romeinse wereld? Op deze wijze is het veel begrijpelijker dat Paulus zich met zekere regelmaat (vooral in de brieven aan de Galaten en de Romeinen) negatief uitlaat over de wet en tegelijk ronduit positief is over het Oude Testament inclusief de Thora. Toch roept deze oplossing op zijn beurt weer vragen op. Op een groot aantal plaatsten is het overduidelijk dat Paulus het heeft over de Thora. Hanteert hij dan twee verschillende wetsbegrippen? Bovendien kennen de lezers van de brieven Paulus als een Jood. Ook al is het woord nomos een algemeen woord voor wet, ligt het toch voor de hand om ervan uit te gaan dat Paulus hier de joodse wet bedoelt. De wet komt ook juist daar ter sprake waar joodse christenen meer van zich laten horen. Kortom, Paulus heeft het wel degelijk over de joodse wet.
Niet wettisch
Het pleidooi van dr. Hollander komt niet uit de lucht vallen, maar past binnen het nieuwe Paulusonderzoek. Lange tijd is men ervan uitgegaan dat Paulus zich keert tegen het jodendom als het gaat om de omgang met de Thora. Het jodendom is na de ballingschap een wettische godsdienst geworden. Het heil kan men verdienen door de wet te volbrengen. In de loop van de twintigste eeuw is op deze visie op het jodendom kritiek gekomen. Is deze niet teveel ingekleurd door Luther? De Amerikaanse theoloog E.P. Sanders duidt het jodendom als een godsdienst die vanuit het verbond leeft naar de wet. Het jodendom is helemaal niet wettisch. Het gaat de gelovige jood, die leeft naar de wet, niet om binnen te komen in het verbond met God, maar om daarin te blijven. Paulus verwijt de joden alleen dat zij geen christenen zijn.
Bij iemand als J.D.G. Dunn, Brits nieuwtestamenticus, ligt het probleem tussen Paulus en het jodendom bij het bijzondere van de joodse wet. Joden onderscheiden zich van de heidenen door onder andere besnijdenis, sabbat en spijswetten. Dit verschil is in strijd met Paulus’ visie op de kerk als een universele gemeenschap. Dunn duidt Paulus’ uitspraken over de wet niet als uitspraken tegen een joods misverstaan van de wet, maar tegen hun eigenheid. In Jezus Christus wordt de grens doorbroken en gaat de zegen van Gods genade ook tot de heidenen.
Verzet
Tot slot wil ik de vrijgemaakte nieuwtestamenticus J. van Bruggen kort aan het woord laten. Hij borduurt verder op de gedachten van onder anderen Sanders en Dunn. Het jodendom is ook volgens hem niet wettisch. Hij schrijft: ‘Het is opvallend dat ‘werken’ helemaal geen kernwoord is voor het jodendom in hun eigen bronnen en dat het bij Paulus wel een kernwoord lijkt te zijn. Hierop valt echter ander licht wanneer de apostel het woord ‘werken’ niet gebruikt omdat dit zo specifiek zou zijn voor het jodendom, maar omdat de heidense wereld in het algemeen grote aandacht gaf aan religieuze inspanning, godsdienstige daden enzovoort om daardoor de goden te verzoenen en te vermurwen. (…) Wanneer Petrus zich nu weer met andere joodse christenen nogal krampachtig gaat houden aan de werken die bij de Thora horen (spijswetten) en zich daartoe isoleert van de heidenchristenen, wekt hij de indruk dat de roeping toch niet op genade berust, maar op prestaties. Dit is juist voor de heidenchristenen verwarrend: zij waren er van huis uit aan gewend om religie te zien in het kader van ‘werken, plichten, inspanningen’ en juist zij zijn geneigd om het joodse leven ook te interpreteren als een systeem van religieuze ‘prestaties’.’ (Paulus, 204-205)
Paulus verzet zich dus tegen een heidense opvatting van geloven die postvatte in de gemeente op het moment dat de Thora aan allen werd opgelegd. Dit is het einde van de genade en daarom is hij zo fel in de brief aan de Galaten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's