Vervulling van de Schriften
Commentaar en prediking [3]
Elke tekst heeft een bepaald verband. Wie een deel van de Schrift leest, moet daarom altijd het hele evangelie in gedachten hebben. Een overkoepelend gegeven is dat alles al voorzegd was door de profeten.
In de Bergrede zegt Jezus: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen.’ (Matth. 5:17) Jezus is wat aan wet en profeten nog ontbrak. Maar hoe zouden we Hem goed kunnen begrijpen wanneer we die wet en profeten, waarvan Hij het sluitstuk is, niet voortdurend als het kader zien waarbinnen Hij gekend wil worden? In de evangelieboeken worden maar zo nu en dan citaten uit het Oude Testament gegeven, maar het is wel de bedoeling dat we Jezus ononderbroken zien tegen de achtergrond van Mozes en de profeten.
Tekort van Israël
De rede van Stefanus is wat dit betreft een goede les. Ze gaat grotendeels over het Oude Testament, maar daardoor zet Stefanus de persoon van Jezus juist in het goede perspectief. Hij moest wel komen vanwege het gebrekkige en onvoltooide van de geschiedenis van de vaderen. Het tekort van Israël maakt de komst van Jezus nodig (zie ook de rede van Paulus in de synagoge van Antiochië in Pisidië: Hand. 13:16-41).
Ook de brief aan de Hebreeën, die de lezers waarschuwt voor loslating van het evangelie, is voortdurend bezig om Jezus te tekenen als sluitstuk van Israël, van tempel, priesterdienst en offers. Hebreeën voegt niets toe, maar zet alles in het goede licht. ‘God, Die voorheen vele malen en op vele manieren tot de vaderen gesproken heeft door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon.’ (Hebr. 1:1) Jezus is Gods laatste woord, maar vaak wordt Hij gepredikt alsof Hij Gods eerste woord is.
Sabbat
Laat ik een voorbeeld noemen. Meer dan eens ontstaat een botsing tussen Jezus en de joodse leiders over de sabbat. Dit kan de indruk wekken dat Jezus het precieze houden van zo’n rustdag niet erg belangrijk vindt. Die verdachtmaking uiten Zijn tegenstanders dan ook. Maar in werkelijkheid gaat het niet om een sabbatsvisie, maar om wat Jezus doet op de sabbat (Joh.5:16). Wanneer men Hem daarover openlijk aanvalt, maakt Hij steeds weer duidelijk dat het niet gaat om de visie op de sabbat, maar om de visie op Hem als de Zoon van God. Hij is als Gods Zoon de mede-insteller van deze rustdag. Hij mag die voor Zijn eigen levensreddende doelen gebruiken. Zo zegt Hij op een keer: ‘De Zoon des mensen is Heere, óók van de sabbat.’ (Mark. 2:28) Dit zegt Jezus, Die als mens naar vaste gewoonte de sabbat eerde door dan naar de synagoge te gaan (Luk. 4:16). Jezus zet geen streep door het gebod, maar vervult het. Dit heeft zeker iets te betekenen voor het respect dat christenen behoren te hebben voor een rustdag, een dag die gewijd is aan de Heer van de sabbat. Jezus is niet gekomen om alle dagen aan elkaar gelijk te maken of om een rustdag te beschimpen. Integendeel, Hij is gekomen om die rustdag vol te maken van Zijn rust, gewijd aan Zijn gedachtenis. Onze rustdag is de dag des Heeren, en een rustdag voor mens en dier, een dag voor samenkomst, lof en gebed.
Niet uitspelen
Ook het verzet van Jezus tegen de overleveringen en tradities van de farizeeën mogen we niet interpreteren als een anti-traditiehouding. Jezus zegt immers ook dat de scharen zich moeten houden aan alles wat de farizeeën hun leren, maar dat ze hun gedrag niet moeten navolgen (Matth. 23:3). Wat er aan de orde is, is dat Jezus een aantal wetten heeft opgeheven, met name de reinheidswetten (Mark. 7:19) en de offerwetten (door de instelling van het nieuwe offer van Zijn lichaam en bloed) en de wet van de scheidbrief. Deze vervulling betekent echter niet het einde van de goede wet. Paulus noemt in Romeinen 13 met zoveel woorden de diverse regels van de Tien Geboden.
Voor de Heiland is het Oude Testament een bron van wijsheid en van goede wetten en regels. Er is een vervulling gekomen. En dat betekent gedeeltelijk beëindiging en gedeeltelijk verdieping. Kortom, we mogen Jezus niet alleen niet uitspelen tegen het Oude Testament, maar we moeten ons ook steeds die achtergrond actief bewust zijn en er naar vragen. In het apostelbesluit van Handelingen 15 wordt niet voor niets opgemerkt dat Mozes overal in de wereld wordt voorgelezen in de synagogen: dat is ook voor christenen de leesachtergrond. Alleen binnen wet en profeten leren we het sluitstuk daarvan goed begrijpen.
Andere ogen
Ik kom bij wat eigenlijk het allerbelangrijkste is. Jezus’ woorden en wonderen moeten begrepen worden als Zelfopenbaring van Hem Die van boven komt. Hij spreekt de woorden die de Vader Hem heeft bekendgemaakt en Hij doet de werken van de Vader. Wie Hem wil volgen, moet omhoog kijken. Jezus geneest állen, drijft demonen uit, wekt doden op, leert in volmaaktheid. Hij is God in ons midden.
Het grote probleem van de joden is geweest dat zij wel samenstroomden rond Jezus en alles nauwlettend volgden, maar dat zij Hem niet wilden zien in het licht van Zijn oorsprong. Daarom ging het wringen en riepen ze ten slotte dat Hij Zich aan godslastering schuldig maakte. Ook vandaag lezen veel christenen de evangeliën als boeken over een wijs mens, een vriendelijke voorganger, een grote wonderdoener. Maar ze luisteren wat voorbij aan de aanspraak van Jezus dat Hij de Zoon van God is.
Een voorbeeld van hoe we de evangeliën moeten lezen vinden we in Johannes 13. Je ziet dat Jezus de voeten van de leerlingen gaat wassen. Sommige lezers beschouwen dat als een mooi voorbeeld van nederige naastenliefde: je moet net als Jezus vuile handen durven maken! Het voorbeeld streelt ons dan enigszins. Maar Johannes kijkt er met heel andere ogen naar. Hij overweegt Wie daar knielt bij het wasbekken en schrijft dan: ‘Jezus, Die wist dat de Vader Hem alle dingen in handen gegeven had en dat Hij van God uitgegaan was en tot God heenging’ (Joh.13:3). Nu is Jezus nog altijd een voorbeeld van liefde voor ons, maar Hij is veel meer. Hij is ook onze Meester, onze Heere en onze God. De voetwassing wordt uitzonderlijk; adembenemend anders dan ik het ooit zal kunnen doen!
Betere Medegelovige
Ik noem twee voorbeelden van hoe we Jezus voortdurend moeten zien en beluisteren als de Zoon van de Vader. De westerse christenheid kent een stroming die de wonderen van Jezus beschouwt als bewijzen voor wat een gelovige kan doen. Jezus was volmaakt gelovig en toen kon Hij dat alles verrichten. Wij kunnen die wonderen ook doen, als we maar genoeg geloof hebben. Jezus wordt dus onze betere medegelovige: probeer Hem in te halen met uw geloof en probeer dezelfde genezingen te kunnen doen. Het geloof van Jezus overwint!
Dit is echter een oppervlakkige manier van lezen in de evangelieboeken. Om te beginnen doet Jezus buitengewone, goddelijke wonderen, die van Hem getuigen als van de Zoon van God. Dat blijkt uit Zijn manier van genezen. Hij doet het met woorden en met bevelen. Hij gebiedt en het is er. Dat is goddelijk, dat komt ons als gelovigen niet toe. In de tweede plaats lezen we wel dat de leerlingen ook wonderen doen, maar zij doen het niet met hun eigen bevelen maar in de Naam van Jezus en zij doen het alleen voor zover en zolang zij volmacht krijgen om het te doen. De leerlingen moeten wel door geloof de wonderen doen, maar de kracht ervoor ligt in de opdracht en de volmacht die Jezus aan hen geeft.
Dit betekent dat Jezus’ wonderen geen modellen zijn voor gelovigen, maar bewijzen van Zijn alles herstellende goddelijke almacht. Daarin zullen wij delen bij de wederopstanding van alle dingen. En soms laat de Heere ook ons iets bijzonders doen, maar dat is slechts bijkomstig.
Zo dichtbij
In de moderne theologie worden de evangelieboeken gelezen als beschrijving van een bijzonder mens. En in vele protestantse kringen wordt erg eenzijdige nadruk gelegd op het menselijke in Jezus’ optreden. Hij slaapt, eet en weent. Hij is gewoon mens. Zo dichtbij ons.
Nu is dat ook waar, maar het is een halve waarheid. De menswording is de menswording van de Zoon van God. God is in ons midden: de schoenen van de voeten! Zijn medeleven met ons en Zijn medelijden zijn heel menselijk, maar de waarde ervan ligt erin dat Hij dit alles als God uit God doorleeft. Daardoor heeft Hij straks na de hemelvaart ook de macht om ons te dragen en te heiligen en te verheerlijken.
In de lutherse theologie is veel nagedacht over de vraag of Jezus Zijn godheid op aarde geheel had weggelegd (kenoosis) dan wel of Hij die alleen verborgen hield (krupsis). Mijns inziens moeten we het anders zeggen. Jezus treedt op aarde in Zijn mensheid voortdurend op als God, maar Zijn goddelijke macht gebruikt Hij uitsluitend voor anderen en niet voor Zichzelf. Anderen verloste Hij, maar Zichzelf verloste Hij niet. Wat Hij anderen gaf, onthield Hij Zichzelf.
Eén woord anders
De vijanden rond het kruis hebben dit gezien, maar verkeerd uitgelegd. Ze dachten dat Hij Die vele anderen verloste, Zichzelf niet kon verlossen. Het evangelie is één woord anders: Hij Die anderen verloste, wilde Zichzelf niet verlossen. Zichtbaar wordt in het evangelie dat Gods Zoon op aarde is, machtig en genezend en doden opwekkend, maar diezelfde Zoon laat Zichzelf kruisigen tot een volkomen verzoening van onze zonden.
Bij het lezen van onderdelen in de evangelieboeken moeten we deze realiteiten geen ogenblik uit het oog verliezen. Het zal ons helpen om niet te menselijk over Zijn optreden te spreken en om te meer verbaasd te zijn over Zijn eigen zwakte en dood.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's