Boekbespreking
Geertje C. de Vries: Leren zien – leren geloven. Een praktisch-theologische theorie van esthetisch-religieus leren. Uitg. Narratio, Gorinchem; 334 blz.; € 27,50.
Geertje C. de Vries:
Leren zien - leren geloven. Een praktisch-theologische theorie van esthetisch-religieus leren.
Uitg. Narratio, Gorinchem; 334 blz.; € 27,50.
De centrale vraag in het lijvige proefschrift waarop Geertje de Vries in december aan de PThU promoveerde, luidt: hoe en onder welke voorwaarden kan kunst functioneren in een catechetisch leerproces? De laatste jaren wordt beeldende kunst steeds vaker ingezet in de kerk en ook in de catechese. Gebeurt dat om het leren aantrekkelijker te maken of zegt het ook iets over de manier waarop geleerd wordt?
De Vries legt in haar studie de lat hoog. Enerzijds geeft ze ruime aandacht aan de bestaande praktijk van catechese waarin beeldende kunst een rol speelt. Anderzijds zoekt ze ook naar een model voor wat ze noemt ‘esthetisch-religieus’ leren. Een belangrijk en leerzaam hoofdstuk (3) in het boek betreft de kunst van het waarnemen. Naast de focus op de inhoudelijke betekenis van een kunstwerk (de iconologie) is er de morfologie die zich concentreert op de verschijningsvorm (bv. materiaal, kleur).
Een derde perspectief is de zogenaamde viewer response: in het waarnemen van het kunstwerk neemt de kijker ook zichzelf waar. Nu wordt ook het ‘innerlijk oog’ aangesproken. Het kunstwerk blijkt zelf een subject te zijn dat ons iets te vertellen heeft. Voor het leermodel van De Vries vormt dit laatste, aan Mieke Bal ontleende inzicht, een onmisbare bouwsteen.
Voor zover ik kan beoordelen, levert De Vries een waardevolle bijdrage aan de bezinning op de rol van beeldende kunst in de catechese en is haar doctorsgraad een felicitatie waard, hetgeen niet wil zeggen dat er bij haar boek geen vragen te stellen zijn. De auteur beperkt het geloofsleren zoals zij dat voor zich ziet, tot een model van toe-eigening door de lerenden. In een model waarin de geloofsoverdracht centraal staat, heeft beeldende kunst volgens De Vries te weinig ruimte. De zeggingskracht van kunst verdwijnt dan achter de doelstelling van de catecheet en daardoor kan ook degene die leert niet tot haar of zijn recht komen, zo meent De Vries.
De vraag is of zij hierin gelijk heeft. Biedt de visie van Groome (blz. 246) hier toch niet een uitweg die recht doet aan de christelijke traditie en die ruimte biedt voor toe-eigening in het leren? Bepalend voor De Vries is de autonomie van het kunstwerk. Zij is als een gast die een eigen werkelijkheid binnenbrengt, ‘een geest van vrijheid, een glimp van transcendentie’. Maar vindt de ontmoeting met kunst in de catechese toch niet altijd plaats in de ruimte van de kerk als lichaam van Christus? Daar heerst weliswaar verscheidenheid van opvatting maar die is niet onbegrensd. En kan men in dat licht volhouden dat een kunstwerk een autonome inbreng heeft? Om in het beeld te blijven: men kan een gast ook kritisch bejegenen, omdat haar inbreng haaks staat op wat binnen het huis aanvaardbaar is? (vgl. het vrouwelijke kruisbeeld van E. Sandys).
Eerlijk gezegd vind ik de theologische component van deze studie aan de magere kant. De fundamentele kwestie van het beeldverbod (Ex. 20) wordt bijvoorbeeld in amper drie bladzijden min of meer de tanden uitgetrokken. Het beeldverbod blijkt volgens De Vries een aansporing te zijn om de fantasie alle ruimte te geven. Het gaat er volgens het gebod dan om de verscheidenheid van beelden vooral open te houden. Maar is dat niet heel argeloos ten opzichte van de impact van het beeld? Juist in het kader van de catechese was het spannend geweest wanneer de auteur zich had verstaan met het gedachtegoed van Jacques Ellul. Deze stelt dat het gesproken woord in onze tijd door het beeld wordt vernederd en dat de ruimte voor echte communicatie door het beeld juist kleiner is geworden.
Het boek van De Vries laat zich door het gebruik van veel vakjargon niet eenvoudig lezen. Het valt me op dat de schrijfster in haar literatuurkeuzes vaak te rade gaat bij auteurs uit de sfeer van de Vrouwenstudies. Ook kiest zij dikwijls voor een vrouwelijke vorm in zinnen waar ik toch echt ‘hij’ had verwacht. Maar dat zegt ongetwijfeld veel over deze mannelijke recensent, zo hoor ik haar denken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's