Een sympathieke Gad
Zonen van Jakob [7]
Deze zoon is mij het meest sympathiek. Op zijn sterfbed zegt Jakob over Gad: ‘Een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde.’ Jakob heeft dit stil gesproken en overwogen. ‘Jongen, wat zul jij het moeilijk krijgen. Ik was een slinkse overlever; maar jij hebt een trouwhartiger aard.’ De visite zag Gad niet het eerst. Je ontdekte hem pas als laatste. ‘Hé, was jij er ook nog; ik had je helemaal niet gezien!’
Leed en verlangen
Iets weemoedigs was er om deze zoon heen. Hij was er niet een van Lea zelf, maar van de slavin. Het was altijd een beetje alsof hij er niet echt mocht zijn. In het over-Jordaanse zat later zijn stam. Daar zaten de Ammonieten en de Moabieten dichtbij. Gad zat in het hoekje waar de slagen vielen. De andere stammen hebben hem de kastanjes nogal eens uit het vuur laten halen. Hij stond vaak alleen. Waarom worden sommige mensen meer dan anderen in de verdediging gedrongen? Dat is soms omdat ze te goed zijn of omdat ze te zacht of te taai of te vriendelijk of te bescheiden of te fel zijn, of te arm of te rijk (want de mensen kunnen erg jaloers zijn, als je door zuinigheid een ruimere portemonnee hebt dan zij). Het is meestal niet te traceren. Maar het leven is lang niet altijd eerlijk. Denk maar eens aan de vele mensen met een bitter leed om een onvervuld verlangen en met wie er iets gebeurd is dat van binnen altijd pijn doet.
Ergste lijden
Gad verwijst op een eigen, diepe wijze naar de Heere Jezus. De soldaten had Hij met weinig moeite neer kunnen slaan. Maar Hij gaf ze vrij spel. Jezus liet Zich binden. Dat is een beklemmend gezicht. En een vertroostend gezicht. Want het zijn niet alleen maar de mensen die Hem binden. Het is vooral God, die Hem bindt. God brengt zelf Zijn Zoon in het ergste lijden. Dat is opdat u en ik van de welverdiende banden vrij zouden worden gemaakt.
Wij zeggen soms: ‘O God, zo lang al; en misschien zo lang nog!’ En wij komen met ons zelfmedelijden in de neerwaartse spiraal. Als je naar je eigen strijd kijkt, wordt de druk steeds zwaarder. Wij moeten echter zien op Christus, Die de strijd heeft volbracht. Hij zegt dat het oude (en dus ook de oude strijd) voorbij is gegaan. Het dreunt nog wel na, maar het is al voorbij. Dan is het zo erg ook niet meer.
Grote verdrukking
Wij moeten het niet van de idealisten hebben, maar van de strijders. Dat zijn niet de vechters, dat zijn de aangevochtenen en die geen ander wapen hebben dan het gebed. Ons gewone doen, als wij geloven, is: te moeten strijden. Met de zonde vooral. Straks mogen wij met Paulus zeggen: ‘Ik heb de goede strijd gestreden!’ (vgl. 2 Tim.4:8) en de kroon van de overwinning gedragen. Dan is de strijd met onze zonden voorbij en de strijd met het ongeloof in de wereld en in mijn hart. En de strijd met alles wat mij met vuisten sloeg en wat ik nooit begreep. Dan is het voorbij. En dan heb ik toch een goed leven gehad. Geen succesleven, maar een leven in de schuldvergeving. Ik kom niet verder. Ik verlies het steeds weer. Maar juist in die diepte brengt God mij Zijn vrede. Ik word erg fel aangevallen door de zonde en soms door de mensen; maar verdedigd door mijn Meester! En zou God, Die mij gisteren heeft gedragen en onderhouden, dat vandaag niet weer doen?!
Men zal het in het einde vragen van Gods knechten: ‘Wie zijn zij? En van waar zijn zij gekomen?’ En dan is het antwoord: ‘Uit de grote verdrukking zijn zij gekomen; en zij hebben hun lange, witte klederen wit gemaakt in het bloed van het Lam.’ (vgl. Openb.7:14)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's