Mode of must
Missionair preken [1]
Missionair preken is vandaag in. Maar wie het erover heeft, kan enthousiasme en aversie oproepen. Waarom? En hoe moeten we het missionaire preken zien, als hype of opdracht?
‘Je kunt eenvoudig niet anders …’, is een eerste mogelijke reactie als je het hebt over ‘missionair preken’. Alle preken is in principe missionair, omdat het naast andere doelen – zoals het versterken van het geloof – op zijn minst ook altijd bedoelt geloof te wekken. In ieder geval is het geloof uit het gehoor en het gehoor uit het gepredikte Woord Gods (zie Rom. 10:13-17). Een prediking die niet mede beoogt dat het ongeloof plaats zal maken voor geloof, voldoet niet aan deze bijbelse norm.
Tegenstelling
‘Die kant moet het beslist niet op’, is een tweede reactie. De preek is bedoeld om de gemeente, de kudde van God, te voeden met en te weiden in het Woord. Om zodoende het levend geloof van generatie op generatie gaande te houden. Missionair preken doet daaraan tekort, omdat het zich te veel richt op de buitenstaander en daardoor te weinig biedt aan de insider. Als derde kun je te horen krijgen: ‘Preken is niet meer de manier.’
Het idee van missionair preken heeft iets van een tegenstelling in zich: bij een missionaire aanpak hoort zeker geen preek. Als zelfs voor steeds meer kerkgangers de zondagse prediking niet meer voldoet en in ieder geval sterk aan betekenis inboet, hoe willen we dan anderen via de preek nog winnen voor de zaak van het evangelie? Open gespreksgroepen zijn een beter alternatief.
Altijd
Deze verschillende reacties hebben alle hun eigen waarde. Ze sluiten elkaar niet uit, maar moeten in de bezinning op missionair preken voortdurend worden meegewogen.
Toch weegt voor mij de eerste gedachte het zwaarste.
Ik ben er diep van overtuigd dat alle verkondiging van het evangelie – ook al gebeurt dat in de besloten ruimte van een kerk – in principe altijd missionair van aard dient te zijn. Dit sluit aan bij ons belijden: ‘Opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God in Zijn goedertierenheid verkondigers van deze blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil; door wier dienst de mensen geroepen worden tot bekering en het geloof in Christus de Gekruisigde …’ (DL. I, 3).
Gods verkiezende liefde, die zich met name via de verkondiging realiseert, heeft principieel een missionaire spits. Hoe kan het ook anders? God heeft altijd de wereld op het oog (zie Jes. 45:22; Joh. 3:16; Joh. 17:18-20). Dit sluit overigens ook aan bij onze eigen traditie, waarin altijd benadrukt is dat wij in de verkondiging rekening hebben te houden met ‘onbekeerden’. In dat licht kan missionair preken gezien worden als een actuele vorm van het zogenaamde ‘separerend preken’.
Innerlijke afhakers
Voor de reactie ‘Die kant moet het beslist niet op’ is daarom geen bijbels basis. Nergens in het Nieuwe Testament, noch bij Jezus noch bij de apostelen, is de prediking uitsluitend gericht op ingewijden, gelovigen of verbondskinderen. Zij is altijd ook bestemd en bedoeld voor outsiders, voor de schare ‘die de wet niet kent’, voor heidenen in alle soorten en maten. Uiteraard kan en moet de preek nooit alleen missionair zijn – verkondiging is geen functie van het apostolaat –, maar als de buitenstaander niet of nauwelijks in beeld is, dan ontbreekt er wel iets. Overigens denk ik bij die buitenstaanders – en daarmee wordt de opdracht nog dringender – niet alleen aan de eerlijke zoekers (potentiële kerkgangers) maar ook aan de innerlijke afhakers (potentiële kerkverlaters).
Wat betreft de derde reactie, ‘preken is niet meer de manier’: hoeveel missionaire kracht er ook ligt in het geloofsgesprek in kleine kring – Paulus heeft ook al wat missionaire gesprekken gevoerd, vooral met Joden –, in de Handelingen blijkt toch zonneklaar dat de toenmalige wereld vooral door de verkondiging van het evangelie gewonnen is voor Christus. De apostelen hebben gedaan wat hen door de Opgestane werd opgedragen (‘Gaat dan heen, onderwijst alle volken …’) en hebben in die weg de zegen van Christus’ belofte ervaren: ‘Mij is gegeven alle macht … En zie Ik ben met u …’
Zij deden dat in een wereld die vergelijkbaar is met de onze: een multireligieuze en goddeloze wereld, die niet op de boodschap zit te wachten dat een gekruisigde en opgestane Jood Kurios is, maar zich daaraan vaak doodergert en dat nogal eens afdoet als pure dwaasheid.
Voortdurend bekeren
In het licht van bovenstaande is de eerste vraag niet ‘Wat is missionair preken?’, maar: ‘Willen wij ons overgeven aan wat ons van hogerhand is opgedragen?’ Willen wij bewust gaan staan in de stroom van ‘de innerlijke bewegingen van de barmhartigheid van onze God waarmee Hij ons bezocht heeft in de Opgang uit de hoogte, om te verschijnen aan degene die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood’ (Luk. 1:78)? Of, anders gezegd, ons voortdurend bekeren tot de basisprincipes van de Schrift, tot gehoorzaamheid aan Christus opdracht in vertrouwen op Zijn beloften?
Staande op die basis beseffen we allereerst dat missionair preken geen modeverschijnsel is maar een must, die ingegeven is door de Traditie. We beseffen vervolgens dat missionair preken niet impliceert dat we oeverloos gaan experimenteren met aardigheidjes om de mensen maar te bereiken (of te vermaken! ), maar wel – ten derde – dat wij ons tot het uiterste inspannen om de boodschap van het evangelie zo verstaanbaar en eerlijk mogelijk voor ieder mens uit de doeken te doen. De onontkoombare consequentie is – als vierde – dat de uitwerking altijd tweeërlei: het is tot een val én tot een opstanding (Luk. 1:34), het is een geur ten leven of een geur ten dode (2 Kor. 2:14-17). Deze uitgangspunten zijn bepalend voor het antwoord op de vraag wat missionair preken is, zowel qua vorm als qua inhoud.
Verlegenheid
Bij voorbaat wil ik in dit verband nog wijzen – zonder daar nu dieper op in te gaan – op de grote verlegenheid waarin wij verkeren. Ons preken geschiedt ‘in de ballingschap’, volgens drs. W. Dekker vorige jaar in een lezing. Hij maakte daarbij een aantal wezenlijke notities, die wij voortdurend ter harte hebben te nemen.
Verwijzend naar Jesaja 40:1-7 wees ds. Dekker erop dat de profeet destijds besefte: Ik kan niet zomaar gaan preken. Ik zou niet weten wat ik moest zeggen. ‘Wat zal ik roepen? Alle vlees is als gras; het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast. Voorwaar, het volk is gras.’
Zou het kunnen zijn dat wij vandaag staan op de velden van ons kerkelijk en christelijk Europa (Nederland) en moeten zeggen: de wind van God, de storm van God heeft daarin geblazen …! Wat hebben wij dan nog te zeggen? Laten we voorlopig maar zwijgen. Al onze grote woorden klinken hol. Zwijgen, niet letterlijk, maar wel als een grondtoon die al mijn spreken doortrekt, zodat mensen steeds iets voelen dat de woorden die ik spreek door het zwijgen heen opnieuw ontvangen zijn. Laten we staande op de puinhopen en verkerend in de ballingschap van de nood geen deugd maken en missionair preken tot hype verheffen. Wat zullen we zeggen, tenzij Hij Zelf het zwijgen doorbreekt en spreekt?
Terecht stelde ds. Dekker dat voorgangers meer dan ooit geroepen worden een biddend leven te leiden, in grote afhankelijkheid dat het God behagen zal door onze mond Zijn eigen woord te spreken. En dat in een diep besef dat dit spreken van hogerhand nooit automatisch samenvalt met wanneer wij onze mond opendoen. Om werkelijk missionair te leren preken moeten wij ons dagelijks oefenen in de grondhouding van Jesaja: ‘Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, dat ik hore gelijk die geleerd worden’ (Jes. 50:4)
Eredienst
De preek staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van de eredienst. De inhoud en de bedoeling van de prediking – ook van een missionaire prediking – wordt derhalve bepaald door het antwoord op de vraag waar het in een eredienst om gaat. Aan de hand van Jesaja 57:15 schrijft dr. S. Paas daar treffend het volgende over in Werkers van het laatste uur: ‘God is de Heilige, die troont in het ontoegankelijk licht, maar ook Degene die afdaalt in onze wereld.
Hij is de Verhevene die hooghartigen weerstaat én de Nabije die als een Vader/Moeder troost. In de praktijk betekent dit dat we steeds op zoek moeten naar de tere dialectiek van afstandelijkheid en intimiteit, van stijl en informaliteit, van kritiek en troost, van uitdaging en bevestiging, van ontdekking aan en vergeving van schuld.’ Het gaat om ontmoeting met God en voor Zijn aangezicht een ontmoeting met elkaar.
Volgens 1 Korinthe 14 is de eredienst de plaats waar mensen van binnen en van buiten – ongelovigen die interesse hebben – God mogen verheerlijken. Op dit hoge doel moeten onze diensten – en preken! – zijn afgestemd. Uit alles wat Paulus daar schrijft, blijkt dat hij Gods bedoeling er boven op nummer één zet en het belang van de ongelovige, halfgelovige en zwakgelovige boven dat van zichzelf stelt.
Hoeveel verschil er ook is, hoe het er in Korinthe aan toeging en in onze gemeente aan toegaat, één ding is duidelijk: we mogen geen onverstaanbare taal spreken, alleen stichtend voor zichzelf en ingewijden, maar taal die in principe verstaanbaar is voor elke toevallige bezoeker.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's