BOEKBESPREKING
Jan Offringa: Na een gezonde geloofscrisis. Over modern geloven. Uitg. Skandalon, Vught, 96 blz.; € 11,00 - Eric Palmen: Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam. Uitg. Bert Bakker, Amsterdam; 287 blz.; € 19,95.
Jan Offringa:
Na een gezonde geloofscrisis. Over modern geloven.
Uitg. Skandalon, Vught, 96 blz.; € 11,00.
In 2000 startte Op Goed Gerucht als een beweging van vooral jonge predikanten die nieuw leven in de kerkelijke brouwerij wilden brengen. Het was van meet af aan wel duidelijk waar deze groep op tegen was: alles wat ze als al te strakke binding aan de Schrift en de belijdenis van de kerk ervoeren. Minder duidelijk was waar deze predikanten op voor waren. Veelal bleef dat steken in algemeenheden (‘meer creativiteit, lef, spiritualiteit en humor in de kerk’, vermeldt de website nog altijd) en typisch postmoderne vaagheid. Maar door wat voor theologie waren ze gegrepen? Wat zagen ze als de substantie van het geloof, die het verdient om doorgegeven te worden in getuigenis en dienst, en die inspiratie genoeg biedt om een leven lang dominee te zijn? Of lag er in het geheel geen min of meer eenduidig theologisch concept aan de beweging ten grondslag, was alles goed zolang je het maar niet te zeer op het dogma van de kerk hield? Voor mij, en ik denk ook voor vele anderen, waren dit reële vragen.
Het is daarom toe te juichen dat ds. Jan Offringa, voorzitter van de stuurgroep van Op Goed Gerucht, een studieverlof gebruikte om eerder voor kringwerk verzameld materiaal te bewerken tot wat je een heus lekendogmatiekje zou kunnen noemen. In de bescheiden omvang van nog geen honderd pagina’s komen de grote thema’s van het christelijk geloof een voor een aan de orde: de Bijbel, Jezus Christus, God, de heilsfeiten, zonde en schuld, geloof, de kerk, de toekomst. Daarnaast de verhouding tot andere religies en tot de wetenschap, plus, interessant genoeg, een apart hoofdstukje over Paulus.
Het boekje opent met twee hoofdstukjes over ‘twijfel’ – en dat is goedgekozen want daarmee komt de auteur binnen op de plek waar veel van zijn beoogde lezers zich bevinden. Die twijfel kan overigens maar liefst twaalf oorzaken hebben (waaronder de wetenschap, de vele religies, het lijden, de kerkelijke ‘obsessie’ met zonde en schuld, de gedachte dat geloven ongezond is, de kloof tussen kerk en wereld, enzovoort).
Ds. Offringa blijft echter niet in de twijfel steken – hij geeft hier en daar zelfs fraai weerwoord. En hij zoekt door de twijfel heen naar een moderne vorm van geloven. Criterium daarbij is dat geloven ‘gezond’ moet zijn.
Inhoudelijk bestaat zo’n gezond geloof uit een kritische omgang met de Bijbel, een visie op Jezus die Hem beschouwt als een mens die vol was van Gods Geest, en een zogeheten pan-entheïstisch godsbeeld. Dat laatste houdt in dat God niet buiten onze werkelijkheid bestaat, maar verweven is met onze werkelijkheid zonder daarmee samen te vallen. Niet alles wat gebeurt gaat terug op Gods wil, er zijn in onze zich evolutionair ontwikkelende wereld ook chaosmachten aan het werk. Maar God is de Geest die heel dit bestaan draagt en roept in de richting van het goede. In Jezus Christus is er de belofte dat Hij de chaos eenmaal zal overwinnen. Offringa’s favoriete bijbelteksten zijn in dit verband Handelingen17:28 (‘in God leven wij, bewegen wij en zijn wij’) en 1 Korinthe 15:28 (straks zal God zijn ‘alles in allen’).
Zijn theologische inspiratiebron op de achtergrond is vooral de Groninger hoogleraar G.D.J. Dingemans (Op Goed Gerucht ontstond ook in Groningen), die op zijn beurt weer geïnspireerd is door de Amerikaanse procestheologie.
In overeenstemming hiermee noemt Offringa Paulus ‘een vroege proces-theoloog’ (wat me net zo’n soort anachronisme lijkt als wanneer gezegd wordt dat Jezus creationist was – dat soort termen kan men eenvoudig niet zomaar op het verleden plakken).
Al met al is ds. Offringa er mijns inziens in geslaagd een min of meer coherente theologische visie toegankelijk te verwoorden. Dat is, gegeven de sfeer van vaagheid en substantieloosheid die het ‘moderne midden’ van de kerk vaak uitstraalt, winst. Toch is die winst wat mij betreft zeer beperkt. Het gaat, vrees ik, al mis zodra je als theologisch criterium aanhoudt dat geloven vooral gezond moet zijn. De weg die Jezus ging was immers nogal ongezond: zij bracht hem aan een kruis. En wie vandaag achter Jezus aan zijn kruis opneemt, kan ook onmogelijk de hedendaagse obsessie met gezondheid als laatste waarheid laten gelden.
Dat wil niet zeggen dat geloven mensen gerust angstig, kruiperig of depressief mag maken. Maar wel dat het christelijk geloof misschien ook nog iets te zeggen heeft over wat werkelijk gezondmakend is, in plaats van dat een hedendaagse ideaal van het goede leven als raster wordt beschouwd voor wat christelijk mag heten.
Het gaat vervolgens ook mis wanneer in de Bijbel vooral de pluraliteit benadrukt wordt, zonder dat vasthoudend gezocht wordt naar wat daarbinnen eenheid en samenhang geeft.
Veel te snel worden mijns inziens allerlei bijbelgedeelten tegen elkaar uitgespeeld of gewoon genegeerd, zoals bijvoorbeeld 2 Korinthe 5 in de verzoeningsleer. Daardoor wordt de omgang met de Bijbel willekeurig, en kan deze niet meer de kritische tegenstem blijven tegenover onze (vaak door de tijdgeest bepaalde) spirituele voorkeuren. Die tijdgeest speelt in het boekje dan ook een grote rol: er is heel wat ‘as-we-now-knowism’, heel wat superioriteitsgevoel ten aanzien van een eeuwenlange traditie die ‘natuurlijk’ niet goed meer mee te maken is voor wie tweeduizend jaar later leven. Tegenover dat soort geluiden moeten we zeggen: liever langer luisteren! Want wie langer en respectvoller luistert naar de traditie, komt veel meer op het spoor dan wie er zo snel mee klaar is. Dat geldt bijvoorbeeld de drie-eenheidsleer, die zoals in de Nederlandse moderne theologie helaas te doen gebruikelijk is in een handomdraai wordt afgeserveerd (65). Het geldt niet minder het christologisch dogma (Jezus als waarlijk God en waarlijk mens), dat bij de ‘ingewikkelde speculaties’ wordt weggezet. Is het procestheologisch panentheïsme werkelijk minder ingewikkeld en minder speculatief? Welnee, het is zelfs speculatiever, want minder verworteld in het bijbels getuigenis. Bovendien doet het afbreuk aan het God-zijn van God – je moet christelijk gesproken om het Van Ruleriaans te zeggen echt ‘stoerder’ over het zijn en handelen van God durven spreken. Maar het ligt vandaag wel beter in de markt. Veel van wat ds. Offringa schrijft sluit naadloos aan bij wat studenten vandaag door de bank genomen aan de (voormalige) theologische faculteiten zoal meekrijgen. Je zou een wat kritischer omgang daarmee wensen en verwachten.
Zo roept dit boekje, al bevat het leerzame partijen en kan het zeker ook een functie hebben voor mensen die zich afvragen of geloven vandaag eigenlijk überhaupt nog wel ‘kan’, toch vooral ook vragen en teleurstelling op.
G. van den Brink, Woerden
Eric Palmen:
Kaat Mossel, helleveeg van Rotterdam.
Uitg. Bert Bakker, Amsterdam; 287 blz.; € 19,95.
Kaat Mossel is een bekende naam. Weinigen zullen echter weten wie ze echt was. In dit boek, met de ondertitel ‘Volk en Verlichting in de achttiende eeuw’, komt ze uitgebreid in haar historische betekenis voor het voetlicht, namelijk in de strijd tussen de patriotten en de orangisten. In een zeer gedocumenteerde studie (meer dan vijftig pagina’s noten en literatuur) wordt Catharina Mulder, want zo was de naam van deze mosselvrouw, geplaatst in de culturele en politieke context van die tijd. Ze speelde een belangrijke in het Rotterdamse oproer in de jaren 1783 en 1784. ‘Voor de patriotten was ze de icoon van het geminachte Oranjegemeen. De orangisten zagen in haar een slachtoffer van het politieke gekrakeel dat de jaren tachtig van de achttiende eeuw heeft beheerst.’
Interessant is ook het gedeelte dat handelt over de ‘Oranjepredikant’ Peter Hofstede (1716-1803), orthodox gereformeerd predikant in Rotterdam en fel bestrijder van de patriotten. Deze raakte al spoedig in conflict met ds. Johan Jacob le Sage ten Broek, al kort na diens aantreden in Rotterdam, terwijl hij voor het beroep door Hofstede was aanbevolen. In het voorjaar van 1783 raakten ze met elkaar in dispuut over ‘het borgtochtelijk lijden van Jezus Christus’. Ten Broek ontpopte zich als ‘een vurig patriot’. De patriotten en orangisten trokken in Rotterdam zo met hun eigen predikant ten strijde. ‘De partijstrijd was niet alleen een strijd van de straat, maar ook een van de kansel.’ Een boeiend boek – alleen al vanwege de onvoorstelbare wederzijdse bejegeningen – over een cruciale periode in onze landsgeschiedenis.
J. van der Graaf, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's