Turen met een verrekijker
Acht overwegingen bij schepping en evolutie
Als middelbare scholier hielden vragen van schepping en evolutie mij bezig. Meer dan eens voelde ik me erdoor uit het lood geslagen. Aan die periode moest ik terugdenken bij de discussie die hierover in orthodox-christelijke kring gaande is.
Het begon als een gesprek, met dank aan het Darwinjaar. Het werd vervolgens een debat. Nu is het – helaas – een controverse, die onze gezindte in verwarring brengt en (nog meer) uit elkaar drijft. Ook de Gereformeerde Bond merkt dat. Dat bleek op de jaarvergadering in mei, waar verontrusting werd uitgesproken over de opvattingen van prof.dr. G. van den Brink over schepping en evolutie. Het blijkt op het Gereformeerde Bondsbureau in Apeldoorn en in de wandelgang, waar ons eveneens de nodige vragen bereiken, in diverse toonaarden. Slaapt het hoofdbestuur? zegt de een. Laat een belijnd en belijdend geluid horen, schrijft een ander. Begrijpelijke reacties. Want is het Schriftgezag niet in het geding? Hoeveel orthodoxe schepen, afgevaren met een kostbare lading van een of meer belijdenissen, liggen al niet op het strand, omdat schippers onderweg op minder nauwkeurige kompassen gingen koersen. Dat mag voor ons een baken in zee zijn.
Ik wil maar aangeven: voor het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond is de Bijbel het ‘heilig en goddelijk Woord, (...) waar niets tegen valt te zeggen’ (NGB, art. 2 en 4). We zullen de Schrift, wat dit en andere thema’s betreft, blijven lezen en uitleggen in verbondenheid met de kerk der eeuwen en vooral met de kerk der Reformatie.
Vreze des Heeren
Nu is dit kloeke taal, die van tijd tot tijd in de kerk hoort te klinken. In deze bijdrage geef ik liever aan hoe ikzelf een weg heb gevonden in de vragen van schepping en evolutie, in de hoop dat deze en gene ermee geholpen is.
Ten eerste, Salomo’s motto voor het Spreukenboek is een goed devies voor iedereen die wil nadenken: ‘De vreze des Heeren is het beginsel der wetenschap’ (1:7a). Dat wil zeggen: alleen de band met God geeft ons het juiste zicht op de wetenschap, op haar grenzen en haar beperkingen, op haar vooronderstellingen en haar resultaten, op haar zegen en haar macht en haar vloek. Zonder de vreze des Heeren vergalopperen we ons algauw en doen we uitspraken die getuigen van dwaasheid. Psalm 14 doet daar een boekje over open.
Ten tweede, je ontdekt dat je over schepping en evolutie geen boude uitspraken kunt doen, al lijken die vaak het oor van de mensen te hebben. Slechts op genuanceerde wijze laten de dingen zich op een rijtje zetten. Zowel wetenschappelijk als theologisch is bescheiden taal het meest verkieslijk. We kennen immers ten dele, meer niet.
Van verre
Ten derde, Genesis 1 en 2 beschrijven de geschiedenis van het scheppend handelen van God. Deze hoofdstukken zijn echter geen geschiedschrijving in de zin van dr. L. de Jongs standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Ze zijn wel net zo groots en monumentaal, ja, veel grootser en monumentaler, omdat ze ons openbaren hoe God in den beginne hemel en aarde uit niets tot aanzijn riep. Maar we zien dat gebeuren slechts ‘van verre’, zoals de aartsvaders de beloften van verre zagen (Hebr. 11). Daarop duidt ook wat Job van God te horen kreeg: ‘Waar was u, toen Ik de aarde grondde?’ (Job 38)
Ten vierde, op de universiteit in Utrecht leerde ik om het scheppingsverhaal te zien tegen de achtergrond van wat de Egyptenaren en de Babyloniërs over de schepping vertelden. Zij hadden het over een godenstrijd, die zich bij het ontstaan van hemel en aarde zou hebben afgespeeld, en over zon en maan die als goden vereerd dienden te worden. Maar dan is daar het volkje Israël, dat dwars tegen het denken en de religie van zijn tijd ingaat en belijdt: God is de Schepper van hemel en aarde, en zon en maan hebben aan Hem hun ontstaan te danken. Deze belijdenis is een van de voornaamste spitsen van Genesis 1.
Onopgeefbaar
Ten vijfde, onopgeefbaar is dat Adam en Eva de eerste mensen waren, geschapen uit het stof der aarde, naar het beeld Gods, in de staat der rechtheid, en geplaatst in het paradijs. Dat hun DNA het meest met dat van de mensaap overeenkomt, verwondert mij niet. Of juist wel. Want zou het niet kunnen zijn dat onze Schepper eenzelfde mal gebruikte? Zoals je van een bepaald muziekstuk zegt: ‘Dat moet wel van Bach zijn’, zo is het ook met het DNA: een spoor van God, dat Hij in alle levende creatuur heeft achtergelaten.
Ook achter het feit dat deze schepping gaaf uit Gods handen kwam en achter de historiciteit van de zondeval zet ik geen vraagteken. Ik doe dat immers ook niet achter Christus’ lege graf. Over al deze gegevens probeer ik niet te speculeren, maar ik laat ze als feit staan.
Wereldbeeld
Ten zesde, het wereldbeeld waarvan de Bijbel uitgaat, verschilt van het onze. Neem bijvoorbeeld wat er gebeurt op de tweede scheppingsdag. Op die dag creëert God het uitspansel om scheiding te maken tussen de wateren erboven en eronder. Dat uitspansel noemt Hij hemel. De volgende dag verzamelt God de wateren ónder het uitspansel op een hoop, die Hij zeeën noemt. Zo ontstaat het droge, dat God aarde noemt.
Gewoonlijk stellen we ons dat zo voor: de aarde, wat platter of wat ronder. Daarboven de hemel met de wolken; dat zijn de wateren boven het uitspansel. Rondom de aarde de zeeën; dat zijn de wateren beneden het uitspansel. Maar is dat letterlijk het beeld dat Genesis 1 tekent? Daar is de hemel veeleer de veilige, vaste koepel, ook wel firmament genoemd; dat woord gaat terug op het Latijnse ‘vastmaken, aanstampen’; die betekenis zit ook in het Hebreeuwse woord. Wel, het firmament is een ‘dak’, dat God geschapen heeft om bescherming te bieden tegen de chaos van de wateren erboven. Onder dit gewelf, dat veel weg heeft van een stolp, mogen wij leven. Dat hebben we te danken aan God, die de wateren onder het uitspansel tot rust bracht en op een hoop vergaderde, zodat er ruimte kwam voor onze aarde.
Dat is niet het wereldbeeld dat ik meedraag, en ik denk van niemand die de Bijbel letterlijk neemt. Precies letterlijk legt ook een gereformeerd christen de Schrift niet uit. Tweeslachtig? Liever noem ik het ‘tweeledig’. Verrekijkers zijn ook tweeledig. Meestal gebruik je beide kijkhelften. Soms echter knijp je even een oog dicht en tuur je door één koker. Zo kijk ik ook naar Gods schepping. Allereerst en allermeest met mijn geloofsoog. Maar ook met mijn andere oog, dat vooral theologisch geschoold is. Al schuif ik er af en toe een glaasje voor dat meer geslepen is volgens de principes van de biologie of de geologie of de astronomie.
Mangelende theorie
Ten zevende. Of we nu wetenschapper zijn of niet, we hoeven – simpel gezegd – niet te kiezen tussen het creationisme en de evolutieleer. Geen van beide kan immers het geheim van de oorsprong van de schepping ontrafelen.
Het creationisme doet ons het wereldwijde effect van de zondvloed onderkennen en laat zien dat de evolutieleer een mangelende theorie is. Anderzijds is de evolutieleer als wetenschapsmodel (níet als ideologie!) interessant als het gaat om de toepassing van allerlei natuurwetten. Bijvoorbeeld in de sterrenkunde. Aannemende (de vooronderstelling bij uitstek!) dat deze wetten ook golden voor de sterren die miljarden jaren geleden werden gevormd of nu als supernova exploderen, zie je als het ware de kosmos tot stand komen (prof.dr. J.H. van Bemmel).
Wijze raad
Ooit kreeg Galilei (1564-1642) – de geleerde die evenals Copernicus een eeuw eerder probeerde te bewijzen dat de aarde om de zon draait – een brief van een bevriende kardinaal. Deze schreef dat de ervaring weliswaar leert dat de aarde stilstaat, maar is het echt zó dat de aarde om de zon draait, ‘dan moeten we met grote omzichtigheid te werk gaan bij de uitleg van bijbelpassages die het tegendeel lijken te leren, en eerder erkennen dat we ze niet begrepen hebben dan dat we een mening waarvan de juistheid bewezen is als onjuist bestempelen. Maar dit moet niet overhaast gebeuren.’ Bovendien wilde de kerkvorst overtuigend bewijsmateriaal zien. Ook voor ons misschien een wijze raad?
Vrijmoedig
Met deze overwegingen lukt het mij om – naar het bekende woord van Voetius – vroomheid en wetenschap te verbinden. En je weet: wat ik hoor uit Gods mond (in de Bijbel) stemt overeen met wat ik zie van Gods hand (in de wetenschap).
Niet dat ik dat altijd constateer, bij lange na niet. Maar ik voel mij wel bevrijd van een stukje krampachtigheid: ik mag de keus tussen bijvoorbeeld zesmaal 24 uur en miljoenen jaren openlaten. Er blijft dus het nodige in het midden. Dat kan iets onbevredigends hebben, maar komen we daar bovenuit? Tegelijkertijd weet ik mij gehoorzaam aan de Schrift. En ik belijd vrijmoedig en zonder terughoudendheid: ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. En dat nu deze God de mens gedenkt en hem Zijn teerste liefde schenkt! (Psalm 8)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's