De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IJver voor de eer van God

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IJver voor de eer van God

Ds. W.G. Teeuwissen verlaat na 22 jaar GZB

18 minuten leestijd

Huizen, Nieuw-Beijerland, Guatemala, Driebergen en Veenendaal – dat zijn de pleisterplaatsen in het (ambtelijke) leven van ds. W.G. Teeuwissen. Na 22 jaar neemt hij afscheid van de GZB. Het diepste motief voor zending is de ijver voor de Naam des Heeren.

De nu 51-jarige Wijgert Teeuwissen behoort tot de grote groep hervormd-gereformeerde predikanten die uit Huizen afkomstig zijn.
‘Ja, tientallen jongens uit ons dorp zijn dominee geworden. Dat is opvallend. Waarom uit die gemeente meer dan uit andere? Ik herinner me dat we in de gezinnen van jongsaf gestimuleerd werden bij de kerk betrokken te zijn. De kerk hoorde bij het leven en daarom deed je er wat voor. Het verenigingsleven droeg daaraan ook bij. Ik zat op de Knapenvereniging, was eerst lid en later leider. Daar werd je gevormd voor kerk en samenleving. Huizers prikkelen je om na te denken waar je staat.’

Thuis
‘Ons gezin leefde ook actief mee. Mijn opa, die bij ons in huis woonde, was altijd actief als notabel en diaken, mijn vader ook. Er was veel liefde voor de kerk, een warme betrokkenheid op de gemeente, al word je daarmee nog geen dominee. Daarnaast waren er ook wel wat sporen die terug te voeren zijn op het gezelschapsleven, onder ander via mijn jong overleden oma van moeders kant. Terugkijkend herken ik een sterk Woordgerichte bevinding. Tot slot was er in Huizen een zekere ondernemerszin, een sfeer van ‘aanpakken’. Ik denk dat een combinatie van dit soort elementen als uitkomst had dat een aantal mensen de weg van het predikantschap gegaan is.
Er werd thuis gesproken over de kerk, over de preek, over het belang van het kennen van de Heere, maar een persoonlijk getuigenis klonk niet zozeer. Mijn moeder zong altijd, ik hoor haar nóg zingen. We hadden een winkel en als ze ’s avonds op de voorzolder opruimde, dan zong ze. Psalmen en geestelijke liederen.
Mede doordat ik predikant werd, is mijn vader meer gaan praten. Ik ging eerder aan het avondmaal dan hij – en dat vond hij moeilijk. ‘Waarin ben ik nu te kort geschoten?’ Dat zat diep, dat werd hem tot schuld. Het raakte hem dat ons gezin in 1987 de zending in ging. Hoe moet dat nu? Hij lag zelfs wat dwars, had de weg anders gewild. Ik zei: ‘Als wij ons geroepen weten en u steunt dat niet, hebt u geen probleem met ons, maar met God.’ Dat heeft een doorbraak gegeven. Later ging hij andere ouders van zendingswerkers juist bemoedigen.’

Studie
‘Voor mijn middelbare-schooltijd wilde ik al predikant worden. Hoe zou dat gaan op een domineesschool?, dacht ik als kind. Het raakte me als er zondags in de kerk gebeden werd om jonge mannen die Gods Woord wilden gaan verkondigen. We waren ooit met een kamp van de Knapenvereniging in Wekerom in de kerk, waar ds. J.H. Cirkel preekte. Hij deed een indringende oproep om de Heere te gaan dienen. Dat raakte me.
Als student theologie was ik niet veel met missiologie bezig, al zijn er steeds momenten geweest dat de zending in beeld kwam. Op Voetius zat Cees Sonnevelt, de latere zendingspredikant van de Gereformeerde Gemeenten, die onze aandacht voor zending vroeg. Bij de colleges van prof. Graafland kwam dat terug. Toen hij over roeping sprak, had hij het opnieuw over zending. Ik heb de mogelijkheid van een beroep als zendingspredikant toen wel opengehouden, maar ging toch ‘gewoon’ de gemeente in.
Ik kreeg door het vicariaat in Lunteren bij ds. W. Westland en door pastoraal werk in Hierden de smaak van het werk in de gemeente te pakken. In 1983 kwamen we zodoende als predikant in Nieuw- Beijerland. Ik heb me altijd sterk dienaar van het Woord geweten, heb bij de voorbereiding van de preken veel tijd aan exegese besteed.’

Nieuw-Beijerland
‘Nieuw-Beijerland is van huis uit een confessionele gemeente, maar met de komst van ds. R.T. Huizinga ging men zich – mijns inziens geforceerd – op de Gereformeerde Bond oriënteren. Men was gewend om in de eredienst een gezang te zingen, terwijl er met Kerst een kerstboom in de kerk stond. Van de ene op de andere dag was dat weg. Maar is een gemeente dan een bondsgemeente? Er waren de nodige spanningen, waardoor mensen wel eens naar het censura morum kwamen om hun gelijk te halen. Op een gegeven moment had ik een kerkenraad die mij niet meer beroepen zou hebben, dat was lastig. Ik bleef graag preken, dan kwam ik er letterlijk en figuurlijk bovenuit. Maar de consistorie …, het liefst zou ik via de hoofdingang meteen de preekstoel op zijn gegaan.
Ondertussen ga je toch van de gemeente, van de mensen houden. De trouwe gemeenteleden waren zij die van huis uit confessioneel waren en zeiden: ‘Dominee, we houden van een bijbelse preek, maar we zouden graag een gezang zingen.’ Die mensen kwamen twee keer, letten niet voortdurend op uiterlijkheden. Oud-minister Cees Veerman kwam uit zo’n confessioneel gezin dat trouw meeleefde. Hij was in die tijd notabel, las Kohlbrugge.
De gemeente had best een bijzondere samenstelling. Nieuw-Beijerland kende na een tv-kwestie nogal wat overgangen uit de oud gereformeerde gemeente, overigens mensen met wie ik het best kon vinden. In de oud gereformeerde gemeente was meer liefde voor de Hervormde Kerk dan in de gereformeerde gemeente, die toen gediend werd door ds. A. Moerkerken. Nieuw-Beijerland was verbaasd toen hij me op de zondagmiddag van mijn intrede aansprak als ‘broeder Teeuwissen’.’

Arbeiders en herenboeren
‘De samenstelling van de hervormde gemeente is te begrijpen vanuit de historie van een agrarisch dorp in de polder: (boeren)arbeiders en herenboeren, de notabelen. Vind tussen deze groepen je weg maar eens. In de oud gereformeerde gemeente zaten trouwens veel mensen die ‘rood’ waren, met een speldje van de vakbond FNV op de revers. Een aantal gevoeligheden rond culturele en historische ontwikkelingen die ik in het Hendrik Kraemer Instituut leerde ter voorbereiding op de uitzending naar het buitenland, had ik achteraf graag geweten voor ik dominee in Nederland werd. Elk dorp heeft een eigen cultuur en daarin moet je je ingang vinden. Bovendien, in een eerste gemeente leer je ook jezelf kennen, ontdek je hoe je op dingen reageert.’

Toen toch de zending in?
‘Ja, ik zag de advertenties van de GZB altijd wel, maar in het voorjaar van 1986 stond er één voor een aantal vacatures in Midden-Amerika, die bleef ‘hangen’. Dat heeft mijn vrouw Ada en mij heel wat te denken gegeven. Uiteindelijk hebben we ons samen geroepen geweten, anders was het er echt niet van gekomen. Het is met drie kleine kinderen een hele onderneming. Toch zijn we samen gehoorzaam en met vreugde de weg gegaan die God wees.’

U ging in 1987 naar Guatemala, een nieuw zendingsgebied voor de GZB. Is die voortdurende uitbreiding nodig?
‘Die vraag speelt bij de GZB nu meer dan toen. Voorheen werkten we vooral in Indonesië en daarna in Kenia, waar soms wel twintig mensen tegelijk zaten. In 1976 volgde Peru. De GZB had in die jaren een forse reserve en stond voor de vraag waar het werk uitgebreid kon worden. Teveel mensen op één plek is namelijk niet goed. Iemand zei ooit: ‘Zendingswerkers zijn net als mest: op een hoop gaan ze stinken en als je hen verspreidt, kunnen ze vruchtbaar worden.’ Als aanjager voor het denken is dit een terechte uitspraak.
Wereldwijd zie je dat een voortijdige terugkeer van zendingswerkers vaker met problemen in het team dan met veiligheid of gezondheid te maken heeft. Mensen zijn soms gedwongen zeven dagen per week met elkaar op te trekken. Als mensen in Nederland op dezelfde plek werken, zitten ze in principe in een andere kerkelijke gemeente en hebben ze andere vrienden. Als dat alles samenvalt, komt er (te) veel spanning op een relatie te staan. Moeten wij mensen dan alleen en verspreid op strategische posten zetten? Nee, want je kunt ook steun aan elkaar hebben. Daarom hebben we het liefst in elke land twee of drie zendingswerkers.’

Witte vlekken
‘Omdat de GZB in de jaren tachtig de middelen had, werd er gezocht naar contacten met presbyteriaanse kerken in Zuid-Amerika, om behalve in Peru en Chili ook in andere landen de kerk assistentie te verlenen. Zo kwamen we in Guatemala, Colombia en Costa Rica. Woord en Daad zat na de aardbeving in Guatemala-Stad al sinds 1976 in Guatemala. Ik denk dat het opzoeken van de zogenoemde witte vlekken, gebieden waar het evangelie nog niet gebracht is, nu meer in beeld is dan toen. De GZB werd voorheen wel eens de toerustingsbond genoemd, waarbij de vraag klonk: bereiken ze ook de onbereikten? Dan wordt toerusting ten onrechte negatief opgevat. Toerusting is niet een cursusje hier en een cursusje daar. Toerusting is onderwijzen!

Maar welke mensen onderwijs je?
'Wij richtten ons op evangelisten en lokaal kader (ouderlingen), die op de grens staan van kerk en wereld. Betrokken bij het ontwikkelen van een nieuwe preekplek of de opbouw van een jonge gemeente. Daarom ligt toerusting dicht bij preaching. Je stelt lokale mensen in staat het verkondigende werk te doen.’

Zoiets als het leerstoelfonds van de Gereformeerde Bond in Nederland?
‘Ja, daar zitten wel parallellen in. Wij willen kerken ondersteunen in hún missionaire taak. Wij hebben lang met de Torajakerk samengewerkt – en niet alles was even missionair. Wat we nu doen, is haar steunen in het missionaire werk, opdat ze zelf evangelisten en schoolmeesters in kan zetten.’

Dus dan zijn jullie de buitenlandse IZB?
‘Ja, we zitten altijd op de grens van kerk en wereld. Dat is meer dan toerusting sec. Voor een deel gebeurt dat werk projectmatig en voor een groot deel via het beschikbaar stellen van mensen.’

Academisch decaan
‘Ik was in Guatemala meer docent dan toeruster, omdat het land na vele militaire junta’s nog maar net een burgerregering had. In de jaren voor wij kwamen, was benzine schaars, reizen was moeilijk; daarom was veel toerustingwerk in de regio’s stil komen te liggen. Ik ben vooral docent bijbelse vakken geweest. Vanaf 1990 was ik ook academisch decaan, waardoor ik noodgedwongen moest nadenken over de vormgeving van een theologische opleiding: hoe wil je de mensen opleiden en vormen, zodat ze de kerk goed kunnen dienen? Ik was daarvoor niet opgeleid, maar dat gold voor elke decaan in Latijns-Amerika. Inmiddels is dit sterk verbeterd. Nu zie je steeds meer het concept van ‘hoofd, hart en handen’, waarin het naast kennis ook om persoonlijke/geestelijke vorming en praktische vaardigheden gaat.’

Zeven jaar overzee, was het een gelukkige tijd?
‘Het was een mooie periode, al zijn er ook verdrietige dingen gebeurd. Als gezin waren we nauw op elkaar betrokken; een ‘lege’ agenda voor de avonden leverde heel wat tijd voor het gezin op. Tegelijk vroeg het leven ook meer tijd; denk alleen al aan de scholing van de kinderen. Ada heeft onze oudste drie kinderen volledig les gegeven. Hun eerste rapport in Nederland was ook een rapport voor de ‘moeder-juf ’… Het was druk, maar minder gestrest.
In die jaren overleed na jaren van ziek zijn mijn schoonvader; dan ervaar je de afstand. Het was de tijd zonder e-mail, terwijl de post soms maanden staakte. Of de communicatiemogelijkheden van nu echter alleen maar goed zijn …? Mensen van de huidige generatie kunnen mogelijk beter omgaan met het in twee werelden leven, maar ik waarschuw zendingswerkers altijd voor de valkuilen. Het is niet goed als je elke dag op internet het Reformatorisch Dagblad raadpleegt, niet vanwege het RD, maar omdat je dan nog met één been in Nederland blijft staan. Je moet er zijn voor de mensen in het land waarnaar je uitgezonden bent. Dan moet je hun krant lezen en naar hun radio luisteren. Als je de predikanten wilt helpen de Boodschap te laten landen in hun werkelijkheid, dan moet je die werkelijkheid wel kennen.’

Weggaan en terugkomen
‘De GZB gaat uit van zes jaar overzee, waarna er per twee jaar verlenging kan volgen. We hebben dat overwogen, al zaten we met de opleiding van de drie oudste kinderen. Ik had toen serieuze contacten met een seminarie in Mexico, waar de onderwijssituatie beter was. Ds. J.D. van Roest was echter uitgeschakeld als regiocoördinator Latijns-Amerika en mijn weg leidde naar die functie.
Ik heb me bevoorrecht gevoeld dat ik na terugkeer de zending kon blijven dienen. Voor veel predikanten die terugkomen, is het afwachten hoe het in de gemeente zal gaan. Je moet je ervan bewust zijn dat je overzee weg kunt groeien van de cultuur van de gemeenten hier. Je bent daar met andere vragen bezig, al ga je naar dezelfde Schrift om de weg te zoeken. In het algemeen kun je zeggen: weggaan is makkelijker dan terugkomen. Je weet dat je in Nederland een netwerk achterlaat en bent je bewust van wat je achterlaat. Je bent je niet zo bewust dat je in Guatemala of Zimbabwe wat opbouwt, terwijl het leven in Nederland zonder jou doorgaat. Na vijf, zes jaar komen die wegen weer bij elkaar, terwijl je de ontwikkeling van elkaar slechts op enkele momenten meegemaakt hebt. Ik zeg daarom wel eens tegen terugkomers: Als je gaat, weet je dat de cultuur (ook de kerkelijke) daar anders is, je moet je aanpassen en je niet afzetten. Kom je terug, dan kom je terug in de kerkelijke cultuur van de gereformeerde gezindte hier, waar bijvoorbeeld alleen de psalmen gezongen worden; reken daarmee. Maar, zowel daar als hier: blijf bij jezelf en vooral bij de Bron!’

Toen kwam u in 1994 terug als zendingsman … die op een kantoor moest gaan zitten.
‘Dat valt mee, want ik zat in Guatemala ook veel binnen: lessen voorbereiden en scripties nakijken. Het waren geen twee compleet verschillende werelden, omdat ik mijn zendingservaring meenam. Daarbij was ik een week of negen per jaar op reis. Als directeur van de GZB zat ik meer op kantoor dan als regio-coördinator Latijns-Amerika, maar het contact met de gemeenten is gebleven.’

Een predikant wil toch preken, catechiseren, pastoraat doen, terwijl u vooral vergadert?
‘Als je het vanuit het perspectief van de predikant bekijkt, houd je qua volume inderdaad weinig van zijn kerntaken over. Ik ben daarom zondags bewust blijven preken, al was dat in de vrije tijd. Daar blijft de kern van het kerkelijk leven liggen. Als ik niet meer had kunnen preken, was ik er direct mee gestopt. Inderdaad zaten er veel managementkanten aan mijn werk, maar die waren dienstbaar aan de kerk, aan de relatie die je als zendingsorganisatie met de kerk hebt.’

Islam
Welke ontwikkelingen zijn er inhoudelijk bij de GZB geweest in de vijftien jaar dat u op dit kantoor werkte?
‘We hebben niet stil gestaan. Het voorlaatste beleidsplan bijvoorbeeld gaf wel aandacht aan de islam, aan Israël, maar in het huidige beleidsplan is dat veel verder uitgewerkt. Daar werden we vanuit de kerk ook op bevraagd. We spreken niet over dialoog met andere godsdiensten, maar over een missionaire ontmoeting met de islam, waarin je wat bereiken wilt. Ons verlangen is dat mensen Christus leren kennen – dat moet je niet verdoezelen.
We ondersteunen op veel plaatsen in de wereld de kerk in haar missionaire taak. Daarvoor is meer aandacht gekomen. Er is ook meer oog gekomen voor de onbereikten. Trouw in een relatie is voor ons belangrijk, want na meer dan veertig jaar zitten we nog in Kenia, maar de invulling van de relatie is wel een andere geworden. Als zendeling ben je voorbijganger en moet je je bewust zijn van je plek. Wij kwamen in Centraal-Azië als nieuw gebied niet om er een GZB-vlag neer te zetten, maar om een bijdrage te leveren aan de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus. Daarin wil je jezelf zijn als een gereformeerde zendingsbond: de concentratie op de sola’s vanuit ons belijden.’

Diepste motief
‘Het motief voor zending kan gevonden worden in gehoorzaamheid (Gaat dan heen, maakt alle volken tot Mijn discipelen), in bewogenheid (oog voor de schapen die geen herder hebben), maar in mijn ontwikkeling ben ik erbij uitgekomen dat het diepste motief de eer van God, de ijver voor de Naam des Heeren is. Paulus is in Handelingen 17 zeer verontwaardigd als de eer van God in het geding is. De Opgestane heeft alle macht en je moet het lef niet hebben om Hem niet te erkennen. Het gaat er niet allereerst om of wij beter van het evangelie worden, maar of de Koning er beter van wordt doordat we Hem erkennen. De notie van het Koninkrijk van God komt zo sterker naar voren.’

Is het zo dat ongeveer tien procent van het zendingswerk vastloopt, mislukt, al hebben we het daar niet graag over?
‘Een percentage weet ik zo niet, maar als ik terugkijk en spreek over zegen en zorg, dan hebben zowel de mooie als de verdrietige dingen met mensen te maken. Soms lukt het toch niet overzee, al zijn mensen gemotiveerd en goedwillend. Niet elke uitzending is een succes en soms wordt er met een uitzending of een contact met een kerk niet bereikt wat we gehoopt hadden. Soms word je echter juist verrast door dingen die gebeuren.’

Kerkelijke zending
Hoe groot is het risico voor de GZB het contact met de achterban te verliezen?U vertelde me ooit dat zendingscommissies heel zakelijk wel eens om ‘een interessante offerte’ vragen.
‘Ik ben blij met onze trouwe achterban. Denk eens aan de zendingsdag van vorig jaar: wat een enorme betrokkenheid! Tegelijk blijft het onze taak te verwoorden dat we niet zomaar een zendingsorganisatie zijn, maar een kérkelijke zendingsorganisatie. Zending hoort bij het wezen van de kerk. Je moet je achterban goed duidelijk maken wat dat betekent, het werk goed in beeld brengen. Aan het programma Deelgenoten doen nu  honderdtwintig (wijk) gemeenten mee, waardoor zendingswerk voor hen veel meer een gezicht krijgt. Gemeenten zijn betrokken bij het concrete werk van een bepaalde zendingswerker. De uitgezonden mensen zijn vanwege voorlichting en contacten voor tien procent van het werk bezig voor Nederland, dat is nodig. Werkers die met verlof zijn, bezoeken de gemeenten die bij hen horen. De betrokkenheid kan in het algemeen nog beter, maar we zien dat dit project goed functioneert. Op het zendingsbewustzijn van de gemeente ben ik echter niet zo gerust, al wil ik onze duizenden leden en al de honderden leden van zendingscommissies niet tekort doen. Er zijn gemeenten die zo met zichzelf bezig dat hun wereldje erg klein wordt. In hoeverre zijn we consumentistisch ingesteld, niet gericht op de Koning die we willen dienen? ’

U heeft in Veenendaal een mooie nevenfunctie in het bestuur van de hervormde scholen. Waarom?
‘Dat was een mooie manier om als gemeentelid actief te zijn. Die taak lag op de grens tussen kerk en school. Ik vind de trits gezin, school, kerk een belangrijke en bemerk dat de taak in de geloofsopvoeding voor velen moeilijk is, dat mensen die gemakkelijk uitbesteden. Als zendingsman weet ik dat wij met onze christelijke scholen in een luxe positie zitten. Zijn we erop voorbereid de geloofsopvoeding voor eigen rekening te nemen, als we die positie kwijt zouden raken?
Mijn bijdrage lag onder andere bij de bezinning op de identiteit: Wat betekent het om hervormde school op gereformeerde grondslag te zijn? Waarin willen we ons onderscheiden? Zit dat in uiterlijkheden? Mag een leerkracht nu wel of niet een piercing dragen? Dat was aanleiding tot een hele bezinning op identiteit. Ik heb toen een notitie geschreven en heb de kern gezocht in een persoonlijke relatie met de Heere Jezus, waardoor er een eenheid van leven komt. De nadruk op de rechtvaardiging kan een eenzijdige worden als de heiliging buiten beeld blijft. En omgekeerd kan ook niet, want dan heeft het christenleven geen wortel. Dat heb ik willen verankeren. We hebben daar in het bestuur en met alle teams op de scholen over gesproken en een goede basis gevonden.’

Tot slot, wijk 8 van hervormd Veenendaal, hoeveel zendingsavonden krijgt die komend seizoen?
‘Dat zal niet mijn enige focus zijn. Bovendien, beide wijken rond de Westerkerk (5 en 8) hebben een speciale ouderling voor gemeentezending. Zij zorgen voor bezinning op zending; het werk is verankerd in de kerkenraad. Dat is mooi. Ik laat mijn GZB-bagage niet bij de voordeur staan. In elk geval heb ik een antenne gekregen voor kerk en cultuur. Wat is cultuur, menselijke vormgeving (hoe integer en begrijpelijk ook) en wat vraagt het evangelie van ons? Dat kan best eens haaks op ons leven staan.
Vooral heb ik geleerd dat de kerk van de Heere God is! In Guatemala hebben we een kerkscheuring meegemaakt. Ik zag hoe de studenten op ons seminarie en de mensen in de gemeenten daar onder leden. Wat houd je dan over? De Heere, die Zijn kerk niet opgeeft! Dat heeft me enorm geholpen bij alle vragen rond het ontstaan van onze Protestantse Kerk. Als Zijn Woord daar nog verkondigd kan worden, mag ik dan weggaan? Ik hoop, gehoorzaam aan de Koning, nog lang op mijn post te mogen blijven.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

IJver voor de eer van God

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's