Verlangen naar toekomende
Evangelie van het Koninkrijk is roep om bekering
Zondag aan zondag belijden we de opstanding en het eeuwige leven. We verwachten het leven van de toekomende eeuw, zegt Nicea. Het zijn woorden die overbekend zijn, maar op welke manier zijn ze relevant voor nu?
De verwachting van een gelukkige toekomst drukt een diep menselijk verlangen uit naar een beter leven. Het is vanzelfsprekend dat mensen in moeilijke omstandigheden verlangen naar verlossing uit de aardse misère. Vanzelfsprekend dromen mensen van een toekomst waarin recht gedaan wordt aan hen die nu onrecht lijden. Dromen van een koninkrijk van vrede en gerechtigheid biedt hoop in een donker bestaan.
Van Martin Luther King weten we welke enorme kracht dromen kunnen hebben. ‘I have a dream’ was een droom van integratie, van gelijke rechten voor blank en zwart in Amerika. Dit verlangen naar gerechtigheid heeft miljoenen geïnspireerd en in beweging gebracht. Het Koninkrijk van God is ook een ‘droom’, een droom die heel concreet is. Een droom waarin de wolf en het lam samen weiden en het kind speelt met de slang (Jes. 65:25; Jes.11:8). Het zijn beelden die je hoop geven, ongeacht de exacte vorm die de vervulling zal hebben. Het is deze droom, dit verlangen, dat duizenden kracht en inspiratie geeft om door te gaan.
Opium
De vraag rijst natuurlijk wel of deze dromen over de toekomst bedrog zijn of niet. Is de hoop op een betere toekomst de opium waarmee het volk zich in tijden van lijden op de been houdt? Het zijn kritische vragen, die Marx heeft gesteld en die bij veel christenen onuitgesproken leven. Het is niet vreemd als er vragen over de realiteit van de verwachting opkomen. Hoe kunnen we blijven geloven in dingen die niet zichtbaar zijn? Kunnen ze wel een dragende kracht in ons leven zijn als we er niets van merken? Het zijn vragen die op verschillende manieren beantwoord worden. Maar moet dat? Moeten we de vragen niet liever als vragen laten staan? Misschien doet het er niet toe of de dromen waar zijn, maar moeten we vooral blij zijn dát we dromen hebben. Geloven dat ze objectief waar zijn, kan de droom juist verstoren. De kracht verdwijnt als ze het onderwerp worden van discussie en reflectie.
En het is waar. De kracht verdwijnt als de visoenen van het komende Rijk geobjectiveerd worden. Dat gebeurt als de beelden waarin de verwachting wordt uitgedrukt, veranderen in toekomstscenario’s voor een soort christelijke futurologie. Dat gebeurt als we ons druk maken over de vraag hoe de toekomst er precies uit zal zien. Als we ons bezig gaan houden met de vraag of er dieren op de nieuwe aarde zullen zijn of niet. Zo ja, of er dan aasvogels zullen zijn en wat die dan eten moeten. Het verlangen naar de toekomst kan verdwijnen als de beelden van het Nieuwe Jeruzalem gelezen worden als een plattegrond van een stad met miljoenen inwoners. We zouden ons zorgen kunnen maken over de hoogte van haar muren of juist over de afwezigheid ervan (Zach. 2:4; Openb. 21:12).
Realiteit
Toch is er een legitieme vraag naar de realiteit. Kunnen dromen ons blijven dragen als ze alleen maar toekomstdromen zijn? Waar zien we iets zichtbaar worden van de in visoenen en beelden uitgesproken verwachting van het Koninkrijk? Als er ooit een wereld zal komen waarin wolven en lammeren vreedzaam samenleven, moeten ze daar dan niet nu mee beginnen? Het is de realiteit van het bestaan die haaks staat op de verwachting van het Koninkrijk dat komt. We zijn gevangenen in een keten van pijn en lijden. Dat strekt zich uit van het verbijsterende, brute onrecht in oorlogen tot de eenzaamheid van de slachtoffers van huiselijk geweld en incest. Het sluit de machteloosheid in van mensen die er niet in slagen te breken met de macht van hun verslaving. Het gaat over relaties die, zonder dat iemand het wilde, verongelukken en eindigen in ellende en scheiding. En al die dingen zijn realiteit in het leven van mensen, of ze nu dromen van een vrederijk of niet. Heel de schepping zucht en het einde van alles is moeite en verdriet (Rom. 8:22; Ps. 90:10).
En het is zo. Het Koninkrijk van God komt niet als het eindresultaat van een sociale evolutie waarin steeds meer zichtbaar wordt van dat Rijk. Het komt door de crisis heen, door het beslissende ingrijpen van God aan het einde van de geschiedenis (2 Petr. 3:10). Het brengt juist een einde aan de geschiedenis van menselijke mislukking, machtsmisbruik en onrecht. Het komt als de tijd van de zonde vervuld is, als alle hoop op door mensen gemaakt herstel is doodgelopen (2 Thess. 2:3). Je zou zelfs kunnen zeggen: Hoe minder we ervan zien, hoe dichterbij het komt. Het geloof grijpt boven de zichtbare dingen uit, naar de dingen die niet gezien worden.
Toch beginnen
Het Koninkrijk wordt door de crisis heen werkelijkheid. De vraag is echter of dat voldoende is. Moeten er nu geen tekenen van dat Rijk zichtbaar worden om de droom en het verlangen levend te kunnen houden? Moet er niet zo nu en dan een wolf vrede maken met een lam? Moeten er geen mensen zijn die gaan leven zoals het bedoeld is of beoogd wordt? Moeten er geen tekenen zichtbaar worden?
‘Tekenen van het Koninkrijk’ zijn historisch beladen woorden. Op verschillende manieren zijn tekenen geïdentificeerd. In het sociale evangelie waren het tekenen van een geleidelijke verbetering van de wereld. Tekenen die door mensen gerealiseerd moesten worden.
Anderen zagen de tekenen niet in de evolutie van de gemeenschap, maar in de revolutie. Het Rijk zou zichtbaar worden waar bevrijding zou plaatsvinden van de armen uit de machten van kapitalisme en grootgrondbezit. Ideeën die eigenlijk kritische reacties zijn op het feit dat hét teken van het Koninkrijk zich met de krachten van de wereld had vereenzelvigd en gecorrumpeerd.
Hét teken van het komende Rijk is de gemeenschap van mensen die al binnen dat Koninkrijk leven. Het is daar waar mensen hun leven toewijden aan de ander. Sporen zien we waar mensen zichzelf verloochenen en boven zichzelf uitstijgen, verlost worden van hun egoïsme en hun naaste in het oog krijgen. Het is daar waar mensen de schepping herontdekken als schepping van God en hun huisvuil scheiden en de lege flessen in de glasbak doen. Waar mensen tot bekering komen en de tollenaar zijn tolhuis achterlaat en zijn bezit onder de armen verdeelt.
Het is waar. Het is een koninkrijk van verandering. Het is daar waar mensen navolgers van Christus worden, omdat de boodschap van het Koninkrijk is gehoord en geloofd (Luk.17:20). Het evangelie van het Koninkrijk is een boodschap van bekering en vergeving van zonden (Luk. 3:3; 24:47)! Het wordt dus zichtbaar daar waar mensen tot bekering komen en vergeving van zonden ontvangen en hun Heiland gaan navolgen. Dat moeten we net zo concreet maken als de beelden van de wolf en het lam, het kind en de slang.
Omdat het gekomen is
Is geloven in het Koninkrijk van God dan een soort heilige dwaasheid? Gewoon blijven roepen dat het er is en doen alsof het er is? Heeft de keizer wel kleren aan of heeft het koninkrijk niets om het lijf ? Het is verborgen maar werkt wel, het is als zuurdesem in deze wereld. Het onttrekt zich aan onze waarneming en wordt zichtbaar in concrete daden van mensen. Het is een visioen van de dingen die komen en tegelijk iets van het hier en nu. Het is concreet aards en tegelijk diep geestelijk. Er is niemand die erover beschikt of het waard is en het is toegankelijk voor tollenaren en zondaren.
Maar blijft het spreken over het Rijk op deze manier niet gevangen in de dialectiek van het alreeds en nog niet? Ontwijkt het ons steeds zolang we in deze wereld zijn? Verdwijnt het achter de horizon, zodra we denken dat we het zien? Om het te ontdekken moet je erin leven. Erin leven begint daar waar we geloven dat het in Christus werkelijkheid geworden is. De opstanding van Jezus Christus uit de dood is de verzekering dat de Koning van dat Koninkrijk overwonnen heeft.
Erin leven betekent dat we burgers zijn van dat Koninkrijk. Over dat leven is veel te zeggen. Eén ding is zeker: het vraagt dat we ons kruis opnemen en Jezus navolgen. Het is, voor zolang het duurt, een Koninkrijk onder de gestalte van het kruis. Een Koninkrijk van de Gekruisigde die we belijden de Heere van ons leven te zijn. De betrokkenheid op de Koning maakt dit verlangen meer dan een hopen op een beter leven. Het gaat ons dan niet alleen om een toekomst zonder misère, maar om Iemand die we liefhebben en die we daarom zijn nagevolgd, met kruis en al. De verwachting van dat Koninkrijk vergelijkt Johannes (Openb. 22:17) niet voor niets met het verlangen van de bruid naar de bruidegom.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's