BOEKBESPREKINGEN
Rick Benjamins: Een en ander. De traditie van de moderne theologie. Uitg. Kok, Kampen; 591 blz.; € 39,90. P.A. de Rover: De kerk die werft. Verhalen over de zendingsgeschiedenis. Uitg. Groen, Heerenveen; 384 blz.; € 29,95.
Rick Benjamins:
Een en ander. De traditie van de moderne theologie.
Uitg. Kok, Kampen; 591 blz.; € 39,90.
Wanneer we in preken et cetera horen waarschuwen tegen ‘de moderne theologie’, ontstaat nogal eens de indruk dat het daarbij om een gloednieuw verschijnsel zou gaan, dat op z’n vroegst in de jaren zestig van de vorige eeuw opgekomen zou zijn. De moderne theologie lijkt dan extra gevaarlijk, omdat ze nieuw zou zijn. In werkelijkheid is de moderne theologie inmiddels echter alweer een bejaarde oude dame. Zij dateert minstens uit de achttiende eeuw, en heeft inmiddels dus een hele traditie achter zich Het is deze traditie die dr. Benjamins, docent dogmatiek aan de PThU in Leiden, in Een en ander (Theologische perspectieven dl.1) in kaart probeert te brengen. De titel Een en ander verwijst daarbij naar een markant verschil tussen de negentiende en de twintigste eeuw: in de negentiende eeuw probeert de moderne theologie God en wereld geheel samen te denken, in één alomvattende totaalvisie. In de twintigste eeuw zoekt men daarentegen juist naar een God die niet zomaar met de wereld samenvalt, maar geheel anders is dan de wereld en dan wij mensen kunnen bedenken.
Terecht zet Benjamins zijn boek in met een beschrijving van de ingrijpende wijsgerige veranderingen die zich in de achttiende en negentiende eeuw voltrokken bij grote denkers als Kant, Schleiermacher en Hegel. Het waren immers deze veranderingen die de aanzet gaven tot nieuwe, eigentijdse vormen van theologie, zoals die in Nederland opkwamen bij de ‘Groningers’ (P. Hofstede de Groot c.s.) en de zogeheten ‘modernen’ (J.H. Scholten en C.W. Opzoomer). Zij kwamen tot nieuwe interpretaties van de bijbelse boodschap die sterk leunden op de nieuwe wijsgerige ontwikkelingen. De tweede generatie moderne theologen in ons land blijkt echter kritisch jegens hun pogingen, vooral omdat die te weinig recht zouden doen aan het ‘bevindelijke’ godsdienstige leven in het gelovig innerlijk. De diepzinnige rechtsmoderne theoloog K.H. Roessingh, aan wie Benjamins een fraai afzonderlijk hoofdstuk wijdt, buigt daarom in zekere zin ook terug naar de traditie van de kerk wanneer hij de vraag centraal gaat stellen wie Christus nu is voor ons innerlijk leven. Daarna komen J.H. Gunning en G. van der Leeuw aan de orde, met uitvoerige informatieve beschrijvingen van de theologische wegen die zij gingen. Gunning mag overigens al een twijfelgeval heten als het om moderne theologie gaat, maar nog verrassender is het om vervolgens beschrijvingen tegen te komen van Barth, Miskotte en Noordmans. Waren zij immers niet bij uitstek anti-moderne theologen, door zich tegenover elke filosofie te beroepen op Gods openbaring als de enige norm voor kerk en theologie? Keerde Barth zich niet radicaal af van de moderne theologen door wie hij was opgeleid? Ja, zegt Benjamins – maar tegelijk waren de barthianen door en door modern, omdat ze niet terugkeerden naar een onkritisch ‘zondagsschoolgeloof’, maar in Gods openbaring de weg zagen om de moderne theologie te bevrijden uit het moeras waarin deze sinds de Eerste Wereldoorlog was terechtgekomen. Hun theologie was dus óók geheel eigentijds, en Benjamins typeert hen dan ook als ‘antimoderne modernen’.
In een zesde hoofdstuk wordt ten slotte de overgang gemaakt naar het hedendaagse postmodernisme. Benjamins opent het met de wijsgeren Levinas en Derrida, om het uit te laten monden in beschrijvingen van het werk van de postmoderne theoloog Jean-Luc Marion (de enige rooms-katholiek in het gezelschap), en de juist anti-postmoderne theoloog Wolfhart Pannenberg (over wie hij met een merkwaardig soort consequentie in de verleden tijd spreekt – terwijl Pannenberg toch echt nog steeds leeft en publiceert).
Dit lijstje met namen van besproken theologen roept intussen de vraag op wat Benjamins selectiecriteria zijn geweest. Daarover laat hij ons helaas in het ongewisse. Het doet echter hoe dan ook merkwaardig aan om bijvoorbeeld niet Kuitert besproken te zien, maar wel de veel orthodoxere Pannenberg, niet Berkhof maar wel de toch echt minder modern-theologisch georiënteerde Barth, niet Küng en Schillebeeckx maar wel Marion et cetera. In het begin van zijn boek definieert Benjamins moderne theologie als die vorm van theologie die ‘het evangelie en het christelijk geloof probeert te verstaan in de context van het moderne denken’ (p. 9). Maar dat is te breed en te vaag om onderscheidend te zijn: ook veelmeer klassieke theologen zoals A.A. van Ruler probeerden dat immers. De klassiek-gereformeerde theologie is echter zo ongeveer de enige die in dit boek onbesproken blijft. Zelfs daar waar bij Barth c.s. het bekende tekort aan aandacht voor het geestelijk leven wordt geconstateerd, wordt de remedie daarvoor meer bij Roessingh c.s. gezocht dan in de bronnen van de klassiek-gereformeerde theologie. Is dat omdat die klassiek-gereformeerde theologie inderdaad geen bijdrage van betekenis geleverd heeft aan het verstaan van het evangelie in de context van de moderne cultuur? Dat zou dan tot grote bescheidenheid stemmen. Of is het meer omdat Benjamins zijn blikveld hier eenvoudig laat eindigen? Hoe dat ook zij, Benjamins had er goed aan gedaan een heldere keuze te maken: modern betekent ofwel dat men zich in zijn theologisch denken beslissend laat bepalen door de Verlichting (in welk geval sommige theologen niet besproken hadden moeten worden), ofwel dat men simpelweg theologiseert in het tijdperk na de Verlichting (in welk geval alle bekende contemporaine theologen besproken hadden moeten worden).
Deze methodische onhelderheid doet echter niet af aan de grote waarde van dit boek. Die is wat mij betreft met name gelegen in trefzekerheid van Benjamins samenvattende beschrijvingen. Die zijn duidelijk uit de eerste hand, en wie dan ook zonder een heel boek te lezen, goed ingevoerd wil worden in de denkwereld van de besproken theologen, heeft in Benjamins een uitstekende gids. Benjamins maakt er weliswaar geen geheim van zelf in de moderne traditie te staan en dus partijdig te zijn, maar hij valt zijn lezers niet voortdurend lastig met eigen oordelen. Wel maakt hij goed voelbaar, hoe ongehoord moeilijk de taak was waarvoor de moderne theologie zich gesteld heeft gezien – en hoe onontkoombaar de opdracht om het evangelie te verwoorden in eigentijdse denkkaders nog altijd is. Dat laatste geldt ook voor hen die de uitgangspunten van de moderne theologie niet delen.
G. van den Brink, Woerden
P.A. de Rover:
De kerk die werft. Verhalen over de zendingsgeschiedenis.
Uitg. Groen, Heerenveen; 384 blz.; € 29,95.
Voor de ouderen onder ons is de naam van onderwijzer P.A. de Rover wellicht nog bekend. In toegankelijke taal beschreef hij in 1958 De kerk op mars. Boeiende verhalen over bekende en onbekende zendelingen. Bekende zoals Paulus, Willibrord, Bonifatius, William Carey en David Livingstone. En onbekende: Nunia, een Armeens meisje dat zendelinge werd; John Eliott en Anna Mumford, de eerste zendelingen onder de Indianen; Peter Rijnhart, de apostel van Tibet. Drs. I.A. Kole heeft dit boek herschreven, aangepast en ook aangevuld met bijdragen uit de recente geschiedenis van onder anderen Billy Graham, T. Eikelboom en Gert-Jan Segers.
Ik heb vroeger enorm genoten als er op vrijdagmiddag in de klas een zendingsverhaal werd verteld. Dan was het muisstil. Door een biografie komt de zending ineens heel dichtbij en kun je je als kind identificeren met de mensen uit het verhaal. Het komt regelmatig voor dat dit soort vertellingen een eerste zaadje blijkt te zijn in het hart van een kind dat uitgroeit tot het verlangen om zelf voor de zending te mogen uitgaan.
Al lezend verwonder je je over de zekere voortgang van het evangelie van Jezus Christus in allerlei landen van de wereld . En je ziet bevestigd dat God gewone mensen, mannen en vrouwen, gebruikt om die blijde boodschap verder te brengen. De Heilige Geest roept mensen op om uit te gaan en overwint machten, tegenstand en lijden. De uitspraak ‘De kerk die niet werft, sterft’ mag ons wel tot denken zetten. Gelukkig heet dit boek: De kerk die werft. Totdat Hij komt!
Van harte hoop ik dat de verhalen van dit boek veel worden (voor)gelezen en verteld. De omslag had eigentijdser en vlotter gekund. Zending gaat in haar presentatie met de tijd mee!
G. Geluk-van de Werken, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's