Hervormde levenslessen
P.J. Vergunst interviewt tien emeritus predikanten
Met als titel 'Dienst van mensen' verscheen dezer dagen een bundeling van tien gesprekken die algemeen secretaris drs. P.J. Vergunst van de Gereformeerde Bond had. Het betreft hervormd-gereformeerde predikanten in de leeftijdscategorie van 75 tot 85 jaar.
De ondervraagden blikken terug op hun ambtsperiode: ds. C. van den Bergh, de vorig jaar overleden ds. J.C. Schuurman, ds. H. Visser, drs. H.J. de Bie, drs. E.F. Vergunst, ds. C.J.P. Lam, ds. L. van Nieuwpoort, prof.dr. W. Balke, dr. A. Noordegraaf en drs. W.Chr. Hovius. De bundel wil een stukje geschiedenis van de hervormd-gereformeerde stroming binnen de toen nog Nederlandse Hervormde Kerk weergeven en nieuwe generaties levenslessen uit een vroegere periode bieden. Ze is te zien als een vervolg op de publicatie die Vergunst samen met J. van ’t Hul in 1997 samenstelde: Levenslang leerling.
In elk gesprek komen de jeugdjaren van de predikanten naar voren en de weg waarlangs zij tot het ambt gekomen zijn. Voorts een beschrijving van de ervaringen in de gemeenten die zij hebben gediend en de nevenactiviteiten die ze hebben verricht. Ik haal uit de gesprekken, naar persoonlijke keuze, enkele onderdelen naar voren.
Geestelijke vorming
Wat opvalt, is dat het merendeel van de predikanten melding maakt van te zijn opgegroeid in een gezin waarin de bevinding van het geloof en de vreze des Heeren duidelijk aanwezig waren. Treffend is dat in bijna al deze gevallen, waar het gaat om het voorleven van dit geloof, de moeder nadrukkelijk wordt genoemd. De meesten kwamen zo ook in aanraking met het gezelschapsleven en de oude schrijvers.
Ds. Vergunst zegt ervan: ‘Men leefde vaak bij ingevingen, waarbij het Schriftwoord soms verkeerd werd uitgelegd. Maar de gezelschappen hebben mij gevormd, zonder dat je dat als kind en opgroeiende jongen besefte.’
Ook ds. Van Nieuwpoort is met zijn moeder in veel gezelschappen geweest. Hij heeft er ook de minder positieve kanten van gezien, maar zegt het een verlies te vinden dat we de kern van het gezelschapsleven kwijt zijn. Daarmee zal hij, naar ik aanneem, bedoelen de innerlijke doorleving van het geloof van de kerk en het vrome, geheiligde leven.
De geestelijke bagage uit hun jeugdjaren blijkt met deze predikanten naar de gemeenten te zijn meegegaan.
De inmiddels overleden ds. Schuurman: ‘Ik wilde de gemeente de vreze des Heeren bijbrengen.’
Een ander element dat in de gesprekken doorklinkt is de positieve waardering voor het karakter van de opleiding aan de universiteiten.
Naast de wetenschappelijke toerusting was daar aandacht voor de geestelijke vorming. Met veel respect noemen de meeste geïnterviewden Edelkoort, Van Unnik, Van Rhijn en De Vrijer, hoogleraren uit hun studietijd.
Dr. Noordegraaf spreekt over prof. Edelkoort als ‘een diep vrome man en een geliefd prediker’. Daarin zal veel veranderd zijn, wat een extra accent geeft aan de uitspraak van dr. Balke dat kansel en katheder elkaar nodig hebben. Hij acht het een van de slechte ontwikkelingen van vandaag dat de universitaire theologie ver van de kansel afstaat.
Gezangenkwestie
Met het streven een representatief beeld van de Gereformeerde Bond te geven, komt ook de verscheidenheid naar voren. Dat betreft bijvoorbeeld de waardering van het gezang in de eredienst. Met dit identiteitskenmerk van de Gereformeerde Bond en het gewicht dat de gezangenkwestie heeft gekregen, is niet elke geïnterviewde gelukkig. Voor ds. De Bie is het gezang geen zaak waarmee de waarheid is gemoeid.
Dr. Noordegraaf herinnert aan het feit dat de Bond in de traditie van Calvijn de psalmen hoog heeft willen houden. Maar de gezangenkwestie heeft hem nooit veel gezegd. Hij vindt het jammer dat deze een identiteitskenmerk van de Bond is geworden.
Ds. Lam, zelf gehecht aan de psalmen, meent dat een wat tolerante opstelling ten opzichte van de integratie van groepen die zich binnen de stroming van de orthodoxie bewegen, soms het afdrijven naar de middenorthodoxie kan voorkomen.
Ds. Van Nieuwpoort, verwijzend naar veel moeizame discussies bij de drang naar liturgische veranderingen, laat het goed recht van de psalmen nog eens doorklinken.
In de kerk
De predikanten die in deze bundel aan het woord komen, hebben allen de kerk gediend in een periode na de invoering van de kerkorde in 1951. De vraag naar de positie van de Gereformeerde Bond in het geheel van de kerk was daarom voor hen een aangelegen zaak. Het beleid van het hoofdbestuur was erop gericht de gemeenten te bewaren bij het gereformeerde Schriftgeloof en het geestelijk karakter – verwant aan het piëtisme van de Nadere Reformatie en de Afscheiding.
Meer dan één predikant zag dit als een te sterke gerichtheid op de eigen organisatie.
Dr. Balke spreekt van twee stromingen die vanouds binnen de Bond hebben bestaan, ‘een die heel de kerk op het oog had en een die meer afscheidingstendensen vertoonde’.
Hij herinnert eraan dat hij samen met anderen hierover binnen de Bond stevige gesprekken heeft gevoerd. ‘Wij beoogden dat de gereformeerde prediking en belijdenis gezag zouden krijgen in heel de kerk.’ In dat perspectief stonden ook de gezangenkwestie, de Nieuwe Berijming (1967), de bijbelliederen en de vrouw in het ambt. ‘De ruimte voor de gereformeerde prediking ten dienste van heel de kerk, daar gaat het nog steeds om’, aldus dr. Balke.
Als ds. Visser het over hedendaagse ontwikkelingen heeft, spreekt hij zich in dezelfde richting uit. Hij zegt met het Woord midden in de kerk te willen staan en waarschuwt voor verenging en verzelfstandiging, verschijnselen die hij ook vandaag onder ons waarneemt. Sprekend over het Samen-op-Wegproces, vraagt hij zich af of de Gereformeerde Bond hierin niet te zelfingenomen was en of ze wel vrij was van machtsdenken.
Ds. Hovius herinnert in dit verband nog eens aan een aantal gevallen van ondeugdelijk Schriftberoep in de discussies.
Als het over de scheuring gaat, spreekt ds. Van den Bergh van de ‘zwartste bladzijde in zijn ambtelijk leven’.
Toekomst
Naar de mening van de tien predikanten is de prediking dat wat hervormd-gereformeerden samenbindt en het middel waarvan wij het ondanks alle zorgen bij de huidige ontwikkelingen mogen verwachten. Voor allen gaat het in de prediking om wat als het hart van het evangelie wordt genoemd: ‘de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof alleen’, als een doorleefde werkelijkheid. Maar dat wel met verschillende accenten.
Ds. Visser kant zich in dat verband tegen de wedergeboortetheologie die hij onder ons waarneemt en als een gevaar beschouwt.
Ds. Vergunst verwijst naar de doop. ‘Dat God met ons begonnen is, dat is en blijft het kardinale punt.’ Overigens spreekt hij bezorgdheid uit over oppervlakkigheid in de prediking en voor het niet meer verstaan van de vreze Gods.
Ds. Lam wijst op een herkenbaar en voor velen ongetwijfeld zorggevend punt: ‘het teloorgaan van het hervormd-gereformeerde identiteitskenmerk van de voorwerpelijke-onderwerpelijke prediking’. Deze ten gunste van een confessioneel-orthodoxe prediking, weliswaar zonder gezang, maar waarin het werk van de Heilige Geest tekort komt.
Ziehier enkele grepen uit de inhoud van de gesprekken. Wie de bundel zelf ter lezing neemt zal verder over de rijke schakering van ervaringen en van de verscheidenheid van gemeenten boeiende en leerzame vertellingen aantreffen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's