De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verlegen blijven, totdat

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verlegen blijven, totdat

Preken over schuld en verzoening irriteert

8 minuten leestijd

Verzoening is iets wat mensen irriteert, in de tijd van Johannes de Doper maar nu is dat weinig anders. Bankiers bekennen geen schuld, maar doen kerkgangers dat wel graag? Hoe belangrijk is het dat schuld en verzoening in de zondagse preek aan de orde komen?

Johannes de Doper had al geruime tijd in zijn verkondiging een heel nieuw geluid laten horen. Het was scherp, veroordelend, maar tegelijk stond de deur van het heil wijd open. Dat was ongehoord. Van heinde en verre kwam het volk naar hem toe. Uit Jeruzalem werden priesters en levieten gestuurd om polshoogte te nemen.
Terwijl Johannes daar staat bij de Jordaan, ziet hij Jezus van Nazareth naar zich toekomen en dan zegt hij: ‘Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.’ (Joh.1:29) Daarom ging het in de opdracht van de voorloper Johannes en daarmee vervult hij zijn roeping en treft het hart van het werk van Christus. Dat is de verzoening, namelijk dat God ons de schuld niet toerekent, maar ons in genade tot Zijn kinderen aanneemt. Dit evangelie werd door velen met vreugde gehoord en tegelijk was het voor anderen een ergernis. Zo is het vandaag nog.

Graaicultuur
Wij worden niet graag aan onze eigen schuld herinnerd en als er sprake is van collectieve schuld, dan willen wij daarop niet aangesproken worden. Dan zijn wij geïrriteerd. Als het gaat om de bankcrisis, wijzen wij met verontwaardiging anderen als schuldigen aan en wassen we graag onze handen in onschuld. Echter, als er schuldigen opgespoord en aangewezen kunnen worden van deze bankkrach, zijn zij exponenten van een algemene graaicultuur, waarvan niemand van ons zich kan vrijpleiten. Immers, ‘de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad.’ (1 Tim. 6:10)
Ook willen wij niet aanvaarden dat wij allemaal het ‘het ene nodige’ missen, waarover de beroemde Tsjech Amos Comenius zijn geschrift Unum Necessarium zo eenvoudig en indringend geschreven heeft, en dat zonder ook maar iemand te ontzien. Het ‘ene nodige’ brengt ons bij de wortel van alle kwaad: de hebzucht waaraan wij allen verslaafd zijn.
Johannes had te maken met godsdienstige mensen, die in de weer waren met offers en zich op hun offers lieten voorstaan. Dat was een misbruik, want zij verstonden niet meer dat al die offers een afschaduwing waren, een figuur van het grote offer der verzoening dat nog gebracht moest worden. Daarom was hun offer ontoereikend en daartoe waren zijzelf niet in staat. Dat kan geen mens.
Nu wijst Johannes op hét Paaslam. Alleen het Lam van God is in staat de zonde van de wereld weg te nemen. Hij spreekt over de zonde van de wereld. Dat is een collectiviteit, dat raakt alle mensen. Tegelijk is het persoonlijk, het raakt ieder mens zelf, niemand uitgezonderd. Ieder wordt persoonlijk aangesproken: de tollenaar, de soldaat, de Schriftgeleerde, de rabbijn en de koning Herodes. Ieder wordt geconfronteerd met zijn levensschuld, die voor ieder anders is, en met het aanbod van Gods genade en verzoening.

Des te meer
Calvijn gaat in op de vraag hoe dat kan, hoe God enerzijds tegelijk barmhartig kan zijn en de Initiatiefnemer van de verzoening, en hoe toch anderzijds Zijn toorn gestild en Hij Zelf door Zijn Zoon Jezus Christus verzoend moet worden. Calvijn stelt dat deze manier van spreken ‘is aangepast aan ons begrip’ (Institutie, II.16.2). Dit noemen wij de ‘accommodatie’ van God en dat heeft een zeer aangrijpend karakter.
Dit is een heel merkwaardige plaats bij Calvijn. ‘Stel’, zegt hij, ‘dat iemand het volgende hoort: als God u toen gij nog zondaar was, gehaat had zoals u verdiende, dan zou u ellendig omgekomen zijn (…) dan zult u zeker enigermate gevoelen hoeveel u aan Gods barmhartigheid schuldig bent. Maar laat diezelfde mens’, gaat Calvijn verder, ‘horen dat hij van God vervreemd is door de zonde, een erfgenaam van de toorn, onderworpen aan de vloek van de eeuwige dood, uitgesloten van alle hoop op behoud (…) en dat Christus toen als Voorbidder tussenbeide gekomen is, de straf op zich heeft genomen, met Zijn bloed heeft betaald. (…) Zal die mens dan niet’, vraagt Calvijn, ‘meer geroerd zijn, naarmate hem levendiger (ad vivum) voorgesteld wordt uit welke ramp hij ontrukt is?’ Het onderwijs van de Heilige Schrift stelt ons buiten Christus voor de toorn van God, opdat we des te meer onze toevlucht nemen tot Gods barmhartigheid en Zijn onbegrensde goedheid. Hij is het 'Die Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft' (Rom. 8:32). Dat is het geheimenis van de verzoening door Christus. Hij is voor ons het Lam van God dat onze schuld en zonde wegneemt.

Ver verwijderd
Nu zijn de preken van Calvijn over de Romeinenbrief niet bewaard en hebben we van de eerste Korinthebrief alleen die over hoofdstuk 10 en 11. Maar zijn prediking over de verzoening bij Efeze 2:16 is indrukwekkend. Paulus spreekt in dit verband over Christus: ‘Hij is onze vrede. Die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap weggebroken heeft, doordat Hij in Zijn vlees de wet van de geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden weer met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.’ Wij mogen en moeten door middel van Jezus Christus naderen tot God. Want zonder Hem zijn wij allen ver verwijderd, zowel Joden als heidenen. Wij zijn allen evenzeer zondig, en God is ons vijandig totdat Zijn toorn tegen ons is gestild. Paulus verklaart dat Christus onze zonden heeft gedragen aan Zijn kruis. Want het is door Zijn gehoorzaamheid dat al onze ongerechtigheden zijn weggedaan; het is door Zijn offer dat onze zonden zijn afgewassen. Kortom, zonder de dood en het lijden van onze Heere Jezus Christus zullen wij altijd in die verplichting blijven om onze schuld te betalen, waarover Paulus heeft gesproken in Kolossenzen 2. Daar zegt hij dat God ons levend heeft gemaakt met Christus toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold, door het bewijsstuk uit te wissen. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen.

Grote brutaliteit
Want als het met ons tot een afrekening komt, wie zal dan de mond opendoen om zich te verontschuldigen voor God en om de veroordeling te ontgaan die wij hebben verdiend? Wij zullen volstrekt verlegen blijven, totdat wij komen tot het middel, namelijk dat Jezus Christus in Zijn dood zodanig voor al onze schulden heeft voldaan, dat wij er volstrekt van ontslagen en verlost zijn. Want als wij ons voor God stellen zoals wij zelf zijn, dat zou een zeer grote brutaliteit zijn.
Maar wanneer Paulus ons verkondigt dat God ons helemaal niet meer onze ongerechtigheden en overtredingen wil aanrekenen, omdat Jezus Christus die in Zijn dood teniet gedaan heeft, ziedaar dat wij helemaal niet vermetel zijn als wij voor God verschijnen met een opgeheven hoofd. Wij hebben een goed fundament en een vrijmoedigheid die God goedkeurt. Laten wij dus leren altijd – ook wanneer wij bidden – te erkennen dat wij te strijden hebben tegen de verleiding, dat wij ons moeten aansporen tot volharding, dat wij ons hebben te verzekeren van het eeuwige leven, omdat wij heel onze toevlucht hebben in de dood en het lijden van de Zoon van God, wetend dat wij zijn ondergedompeld in Zijn bloed en dat wij worden besprenkeld door de kracht van de Heilige Geest. Wij zullen altijd verfoeilijk zijn en God zal ons terecht verwerpen en ons een Rechter zijn in plaats van onze Vader. Want het is helemaal niet genoeg dat wij weten dat Jezus Christus voor ons heeft voldaan, maar wij moeten meer en meer die weldaad aanvaarden die Hij ons meedeelt.

Twee dingen
Er zijn dus twee dingen nodig. Het ene is dat wij weten dat de zaak van ons heil en het wezen daarvan in Jezus Christus zijn. Het andere is dat dit ons wordt verkondigd door het evangelie. En opdat wij temeer verzekerd zullen zijn van deze boodschap, zegt Paulus dat Christus Zelf gekomen is om vrede te maken voor allen, Joden en heidenen – heidenen die tevoren veraf stonden. Daarom moeten wij altijd grote eerbied hebben voor het evangelie. Het is de authentieke waarheid van God. En ieder moet er zich zonder tegenspreken aan onderwerpen. De Heilige Geest betuigt het aan onze harten, want Deze is een onderpand en de echte handtekening of het stempel dat God op ons drukt, opdat ons geloof in volle zekerheid zal zijn.

Gemengd publiek
Zo spreekt Calvijn de gemeente aan die opgekomen is om het evangelie te horen. Hij spoort ze aan om zich te versterken in een ware standvastigheid in het geloofsvertrouwen. En om altijd gewapend te zijn tegen alle aanvallen en gewelddaden die de vorst van de duisternis tegen ons aansticht. Daarom, zegt Calvijn, is het een grote schande wanneer wij de oren doof houden wanneer het evangelie ons wordt verkondigd en dat wij het als het ware in de lucht laten hangen, dat wij het voor een fabeltje houden en als een ding van geen waarde. Dat wij het evangelie verachten en erover spotten.
Calvijn heeft een gemengd publiek voor zich. Geloofsvluchtelingen uit Frankrijk, die het Woord van God dat hun zolang onthouden was als het ware indronken. Anderen, de oude bevolking zeiden: Ho, wacht even, ik blijf bij het geloof van mijn voorouders, want het is gevaarlijk te veranderen. Tegen hen zei Calvijn: jullie houden de deur gesloten voor de Zoon van God. En Hij komt vandaag om ons tot ons heil op te zoeken.

Het is een goede zaak ons te verplaatsen in de kerk van Genève en te luisteren naar het oude en altijd weer nieuwe Woord en het geheim van de verzoening.

Staat in deze bijdrage het element van verzoening in de prediking centraal, volgende week schrijft ds. P.H. van Trigt over het element van geloofsgroei in de prediking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Verlegen blijven, totdat

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 2009

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's