Afscheid
Het blad In de Waagschaal is een tijdschrift voor theologie, cultuur en politiek, zo staat te lezen in het colofon. Het wil een voortzetting zijn van het in 1945 door H.K. Miskotte opgerichte gelijknamige blad. Sinds midden jaren vijftig van de vorige eeuw schreef dr. A.A. Spijkerboer daarin zijn bijdragen en hij was vele jaren lid van de redactie. Om zijn leeftijd (81) en het daarbij horend lichamelijk ongemak neemt hij afscheid. Machteld de Mik-van der Waal en Ciska Sterk verzorgen een interview met Spijkerboer. Daaruit enkele veelzeggende citaten:
Hoe heb jij je artikelen geschreven, vanuit een innerlijke drang, noodzaak of om gelezen te worden?
Ach, wat ik te zeggen heb, kan op de achterkant van een postzegel. Dat is de rechtvaardiging door het geloof. Dan kom ik als vanzelf bij Luther uit. Ja, Luther is echt mijn man, meer dan Calvijn dat is voor mij. Luther, die man, had verbeeldingskracht. Hij had de zee nog nooit gezien maar hij wist van de Leviathan … Ja, waarom schrijf ik? Er is wat aan de hand. Zoals ik vanmorgen hoorde op de radio over het voorstel om dat artikel in de grondwet over godslastering te schrappen. Dan krijg ik het op mijn heupen. Daar zou ik over hebben kunnen schrijven. Een slechte preek is erger dan godslastering. Mensen vragen trouwens wel eens: waarom ga je nog naar de kerk? Ik ga graag naar de kerk. Er valt altijd wel iets vanaf, je krijgt altijd iets toegeworpen, in een lied, de gebeden of in de preek.
IdW is een tijdschrift dat veel door predikanten wordt gelezen. Hoe is jouw visie op het predikantschap vandaag de dag? Terugkijkend, wat is er veranderd in de tijd dat jij begon en nu?
Als ik terugkijk naar mezelf, als predikant, dan heb ik in de eerste jaren intellectueel gepreekt – Arie grijpt met beide handen naar zijn hoofd. Het was te veel hoofd, begrijp je. Pas in Schellinkhout kwam het gevoel erbij. Het overkwam mij op een keer tijdens de preek. Later hoorde ik van gemeenteleden, ‘Dominee, dat was mooi.’ Terwijl ik anders bijna nooit een reactie kreeg. Dat heeft me toen wel opgelucht. Ik vond van mezelf dat het niet geoorloofd was om mijn gevoel te laten spreken in de preek.
Hoe kwam dat, je bent juist heel erg een gevoelsmens. Zo heb je ook geschreven, er is iets, vertelde je zo even, waarvan je het op je heupen krijgt.
Dat is ook zo, maar ik stond het mezelf eerst niet toe. Dat heeft, denk ik, ook met Barth te maken, wat hij over mystiek gezegd heeft. Je moet niet op je gevoel vertrouwen. Dat is drijfzand, je moet het toetsen. Ik moet ineens aan de toneelschrijver Harold Pinter denken. Hij is iemand die mij heel erg aanspreekt. Zijn toneelstukken doen mij wat. Ze gaan over mensen die langs elkaar heen leven. Ze praten wel met elkaar, maar er is nooit echt contact. De woorden gaan langs elkaar heen. Het komt niet tot een echt, waarachtig verstaan. Ik heb ontdekt hoe waardevol het is, echt contact. Wanneer mensen echt de moeite doen om de ander te verstaan. De ander vragen daarnaar: ‘Heb ik je goed begrepen?’
Wat zou jij predikanten van nu willen meegeven?
Ik zou zeggen dagelijks bijbellezen en bidden. Hoe moet je bidden? Bidden is soms niet meer dan een verzuchting. Ik heb nooit lang kunnen bidden, maar Luther zei dat ook van zichzelf. Dat hij nooit lang kon bidden zonder dat zijn gedachten afdwaalden. Predikanten moeten ook blijven studeren. Zorg dat je ten minste in één klassieker goed thuis bent: Luther, Calvijn, Barth, Augustinus.
Wat hem altijd aan In de Waagschaal verbond, formuleerde hij eens zo: hier worden de moderne vragen serieus genomen zonder aan de moderniteit te vervallen. Ooit zei hij in een interview: ‘Geloof maakt ons blijmoedig en deemoedig. Bij de Gereformeerde Bond denk ik soms: ze zijn meer deemoedig dan blijmoedig. Voor de midden-orthodoxie geldt: ze zijn meer blijmoedig dan deemoedig. Het gaat om beide.’
Nog eens afscheid
In de decemberaflevering van Drieluik, maandblad van de hervormde gemeente, de gereformeerde kerk en de evangelisch lutherse gemeente in Amersfoort, staat een gesprek te lezen dat Koos van Noppen had met ds. L. van Nieuwpoort. Op 16 maart dit jaar verloor hij onverwacht zijn vrouw.
Het was op een zondagavond, we gingen naar de kerk in Woudenberg, bij een bevriende collega. Op de terugweg, net onder het viaduct van de A28, zei ze: ‘Ik heb geen adem meer. Zet de auto aan de kant!’ Elke dag hoor ik sindsdien die woorden …
Ze zakte weg, ik draaide de raampjes open en ik zag meteen dat het ernstig was. Comateus. Ik vlóóg naar het Elisabethziekenhuis. Een beroerte dachten ze, ik voelde haar pols niet meer. ‘Naar de Lichtenberg,’ zei de cardioloog. De kinderen gebeld, paniek natuurlijk. Mijn zoon kwam met 180 km per uur uit Amsterdam. Na een half uur zei de arts: ‘Uw vrouw is overleden.’ Haar aorta was gescheurd.
Verstomd was ik, verslagen. Nog maar even geleden had ik naast haar de psalmen gezongen. Psalm 42. Ik dacht aan één van mijn leermeesters, hoogleraar Oude Testament, die zei: ‘Godsdienst is roepen tot God.’
Wonderlijk hè? In één van de weken voorafgaand aan haar plotselinge overlijden had ze me zomaar opeens gevraagd: ‘De mens gaat naar zijn eeuwig huis …’, waar staat dat ook alweer?’ ‘Prediker, zei ik. ‘Wat vreemd dat dat vers je zo invalt …’ Ik herinner me nog zo’n moment, dat ze zonder enige aanleiding zei: ‘Op mijn grafsteen moet staan: De Heer is mijn herder.’
Hoe vaak heb ik sinds die dagen hier in mijn appartement rondgelopen, geroepen, geschreeuwd naar God! Er zijn momenten geweest dat ik niet verder kon. Dat ik met haar mee wilde. Ik voel me een half mens … God zij dank is dat niet dagelijks zo. Er zijn gelukkig de momenten dat ik de kracht van het gebed ervaar. Het vrijwilligerswerk in ‘Nijenstede’ bezorgt me wat afleiding. Je moet als het even kan blijven preken, raadde iemand me aan, want dan preek je ook voor jezelf. Mijn preken zijn anders dan voorheen. Meer gekleurd door de ernst van het leven, met een emotionele ondertoon, sterk eschatologisch ook. Ik zeg wat ik de mensen nog graag wil meegeven: Ik neem de kans te baat om iets goeds te zeggen van Jezus Christus. Met enkele kinderen en kleinkinderen was ik in Zwitserland, in een vakantiehuis waar ik ook vaak met mijn vrouw ben geweest. Tijdens een lange wandeling naar één van de bergtoppen zagen we opeens een groot kruis met een Christusbeeld. Ik schoot vol. Zolang ik adem heb, zei ik tegen mijn kleinkinderen, hoop ik daarover te spreken. Ave crux, mea spes unica. Gegroet o kruis, mijn enige hoop. Dat moeten ze op mijn grafsteen zetten.
Voor het eerst van mijn leven heb ik afgelopen zondag gepreekt over Job, de Aangevochtene. Je kent die heftige tekst: ‘De HERE heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de Naam des HEREN zij gezegend, zoals sommige vertalingen luiden. Job vlucht in de Naam. In de preek ging het over de parallellen met die andere Aangevochtene, Christus in Gethsemané. Job scheurt zijn kleren, Christus hangt naakt aan het kruis. Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? vraagt de HERE aan de satan, de grote Hinderaar. Zondag ging het over de vraag: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Jezus? De Aangevochtene bij uitstek heeft zich er doorheen geloofd toen hij van Gethsemané naar Golgotha ging.
Heel wat keren heb ik als predikant aan een graf gestaan. Ik moest er altijd voor waken dat ik niet al te emotioneel betrokken raakte bij het leed van de nabestaanden. Dat proces van lijden heb ik dus heel vaak van dichtbij gezien, maar nu ik het zelf doormaak, denk ik: Niemand kan begrijpen wat het voor je betekent. Zelfs voor mijn meest naasten, mijn kinderen, is het toch ánders. Mijn vrouw en ik waren hartstochtelijk aan elkaar verknocht, als een Siamese tweeling. Ze was psychisch veel sterker dan ik. Op moeilijke momenten in het leven, zei ze zeer beslist: ‘We moeten wel vérder!’ Dat hoor ik haar nog zeggen. We waren zó verschillend en tegelijk zo close; 53 jaar getrouwd.
Wat rest me nog? Ik heb niets meer. Toen ik dat laatst in een desperate bui voor mezelf uitzei, viel me opeens in: ‘Maar wacht even: in mijn kinderen zie ik iets van mijn vrouw terug. Het troost me dat ik hen heb. Dat ik dat in hen zie.
Mijn geloof staat sinds 16 maart in het teken van storm. De rauwheid van het verlies … Mijn gebed is meer roepen en schreeuwen dan loven en danken. Dat laatste, daar ben ik nog niet aan toe. Ik lees de Psalmen, omdat ik er veel in herken. Gevoelens van angst en verlatenheid. Het zijn crisisgedeelten die me op dit moment aanspreken. Bijvoorbeeld uit het evangelie, de storm op het meer. En de rest, daar ben ik nog niet aan toe.
Ik kan intens uitzien naar de zondag, de kerkdienst, waarin een verlossend woord klinkt. Een woord dat me weghaalt uit de kringetjes waarin ik ronddool … Want ‘we moeten wel verder!’
Een aangrijpend en ontroerend gesprek. Herkenbaar voor anderen die dit jaar of al eerder een geliefde verloren, soms ook onverwacht of na een tijd van ziekte en afbraak. Een afscheid hier op aarde voor altijd. De laatste dagen van een jaar zijn extra weemoedig voor hen die verliezen leden. We bevelen elkaar de God der eeuwen, die in Jezus Christus ons zeer nabij is gekomen.
Afscheid, nog eens
Dit was de laatste keer dat ik de rubriek Uit de pers verzorgde. Ik heb het sinds 1 januari 1991 altijd met veel genoegen gedaan. Ik dank lezers die lieten merken dat ze waardeerden wat ze lazen. Ik geef het werk voor dit deel van ons blad met vertrouwen over aan mijn opvolger, ds. G. van Meijeren uit Dirksland, en wens hem evenveel genoegen toe om deze rubriek iedere veertien dagen samen te stellen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 30 december 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 30 december 2009
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's