De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geestelijke vernieuwing

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geestelijke vernieuwing

Openingswoord predikantencontio 2010

11 minuten leestijd

De vroegere ds. H.S.J. Kalf († 1978) schreef ooit over de vraag of hij, predikant, de hemel in. Ja, wist hij, maar dan alleen omdat God mij, dat goddeloze mannetje, zal hebben geduld en vastgehouden.

In het gerenommeerde dagblad dat ik lees, raadpleeg ik dikwijls het uitgebreide weerbericht, kijkend of mijn verlangen naar vorst, regen of zonneschijn – al naar gelang de tijd van het jaar – vervuld wordt. Op dezelfde pagina stond tot voor kort ook altijd het feuilleton (vanwege de nieuwe opmaak echter niet meer), dat ik eigenlijk nooit lees en waarvan zelfs de titel mij meestentijds ontgaat. Totdat enige weken geleden toch mijn oog erop viel. De dominee die de hemel niet in kon, zag ik ineens staan.
Verder dan de titel ben ik nog steeds niet gekomen. Toch snijdt dit intrigerende opschrift wel hout. Doen we er niet goed aan onszelf als voorgangers met de vraag te confronteren die we ook meer dan eens onze gemeente stellen: kan ik de hemel in? De Duitsers hebben natuurlijk voor een dergelijke vraag weer een mooi woord gevonden: Pfarrerspiegel. Wel, dienen wij daar niet telkenmale in te kijken?
Was de vraag of hij de hemel in kon voor ds. Kalf zeer existentieel, bekend is ook – althans qua titel – het boek van Dietrich Vorwerk, in de eerste helft van de vorige eeuw predikant onder andere in Dresden: Kann auch ein Pastor selig werden? Kan ook een predikant zalig worden? Prof. Schilder had het in zijn boekenkast staan en het spoorde hem aan tot de verzuchting: ‘Geen ongelukkiger combinatie dan heilige dienst en routine.’
De apostel Paulus ging hen voor met zijn Pfarrerspiegel in de eerste Korinthebrief. Aan het slot van hoofdstuk 9 spreekt hij de vrees uit dat hij, na anderen gepredikt te hebben, ‘zelf verwerpelijk worde’. Volgens Calvijn en de kanttekeningen bij de Statenvertaling doet Paulus hiermee geen uitspraak over zijn eeuwige bestemming; daar is hij – zeggen zij – op zichzelf zeker van. Op dit moment kies ik echter voor de exegese dat ook een predikant er niet te goed voor is dat hij de hemel niet in kan.

Vernieuwing
Intussen is het ons aller verlangen er wél in te kunnen. Daartoe is nodig vernieuwing. ‘Wordt veranderd door de vernieuwing van uw gemoed’, draagt Paulus ons op in Romeinen 12. In 2 Korinthe 4 giet hij een en ander in de vorm van een belofte, namelijk dat onze innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd wordt.
De psalmdichters gaan ons voor in het gebed om vernieuwing: ‘Vernieuw in mij een vaste geest en leer mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven.’ (Ps.51) En: ‘Uw gunst vernieuw’ mijn leven en mijn krachten.’ (Ps.119)
Christen-zijn en daarom ook voorganger-zijn vraagt om dagelijkse vernieuwing. Bedoelde Luther dat ook niet in de eerste van zijn 95 stellingen? ‘Toen onze Heere en Meester Jezus Christus zei: ‘Doe boete’, wilde Hij dat het hele leven van de gelovige boete zou zijn.’

Eindtijd
Bekende woorden. Wat het gevaar met zich meebrengt dat de oproep tot vernieuwing ons al te vertrouwd is en dat we hem opvatten op een manier zoals ook onze gemeentenaren dikwijls doen: al te menselijk. Daardoor komen we soms niet verder dan een andere invulling van onze tijd of een andere visie op mensen en omstandigheden.
Het gaat echter om de vernieuwing door de Heilige Geest. Voor God heeft immers onze adamitische existentie afgedaan. In Paulus’ theologie is dat nauw verbonden met de doop, waardoor wij worden ingelijfd in Christus. Daardoor is onze oude mens gekruisigd en mogen wij in een nieuw leven wandelen.
Deze vernieuwing is een realiteit, waarover naast christologisch ook eschatologisch licht valt. Met name het boek Openbaring met zijn visioenen van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en van het nieuwe lied laat dat zien. Deze wereld met haar vervreemding van en vijandschap tegen God en haar horig-zijn aan allerhande machten gaat namelijk het eschaton, het einde der tijden, tegemoet. Dan zal Christus het gericht voltrekken. Daartoe heeft Hij het recht, omdat Hij als zoenoffer in Gods oordeel is geweest en zo heeft overwonnen.

Gezag
In de prediking wordt op dit gericht gepreludeerd. Zij betuigt immers vrijspraak aan allen die de belofte van het evangelie met een waar geloof aannemen. Dankzij het sacramentele karakter van het Woord: dat werkt wat het zegt. Pneumatologisch (volgens de leer van de Heilige Geest) geformuleerd: door de Heilige Geest. Zo gaan wij ten hemel in. Tegelijkertijd wordt alle ongeloof de wacht aangezegd.
Vanwege dit alles is er het ministerium verbi divini, het ambt dat met gezag de sleutels van het hemelrijk hanteert. Dat gezag is niet het gezag van een mystagoog (inwijder in mysteriën) of van een gemeenteopbouwer of van een sacrale wijding.
Dat gezag wordt ontleend aan het Woord, waarin God Zijn dunamis (kracht) heeft gelegd.
Wij hebben in elk geval steeds te bedenken dat we als verkondiger van het Woord zelf de eerste hoorder zijn van dat Woord. Meer nog: slechts in die mate waarin wij hoorder zijn, zijn wij ook verkondiger.

Schoollokaal
Deze beseffen mogen we godzijdank met ons meedragen. Maar zijn er ook niet dikwijls momenten dat we ze kwijt zijn? Door de kerkelijke en theologische verdeeldheid, die je hoe langer hoe meer aangrijpt; prof.dr. Verboom wijdde er ontroerende woorden aan in De Waarheidsvriend bij zijn terugblik over 2009. Kwijt ook door ons ambtelijk optreden, dat soms een zakelijkheid ademt die predikanten als geïnterviewd in Dienst van mensen bevreemdt. Kwijt doordat de theologie zelf ons niet altijd zo passioneert als je zou willen. Het heeft alles te maken met de seculiere wind, die ook over de akker van ons leven waait en veel doet verleppen.
Maar doet dat niet des te meer het verlangen ontbranden naar geestelijke vernieuwing van onze predikantenstand? Opdat ook wij de hemel in kunnen. Zulke vernieuwing gaat altijd gepaard met een wending in de richting van het Woord en tot de daarin vervatte leer, de didachè. Heeft de Reformatie – zei eens iemand – zich niet min of meer voltrokken in een schoollokaal? Niet voor niets spreekt Paulus over het gehoorzaam worden aan het voorbeeld der leer (Rom.6:17) en over het vernieuwd worden tot kennis (Kol.3:10).
Verzanden we – zou men kunnen tegenwerpen – op deze manier niet in intellectualisme? Ja, als je de inhoud van de didachè vergeet, namelijk de theologia crucis, de theologie van het kruis. Nee, als je haar telkens existentieel doorleeft. Met andere woorden: vernieuwing heeft, kerkbreed (!), alles te maken met een terugkeer naar déze theologie.
Helaas, veel theologie is, tezamen met de praxis waarin dergelijke theologie tot uiting komt, gevangen in de zelfbeschouwing van de religieuze mens. Leidt dat niet tot relativisme en scepsis, waarbij het kerugma (de evangelieprediking) afgeknot wordt? Maar omdat geen mens zonder religie kan, verzinkt hij in de godloosheid en het atheïsme, dat is: in de afgoderij, van welk allooi dan ook, waarbij ten langen leste alle normen en waarden verdampen.

Rechte theologie
Ons rest dit ene: rechte theologie te bedrijven. Dat wil zeggen ontvouwing van het artikel waarmee de kerk staat en valt, namelijk de rechtvaardiging van de goddeloze. Slechts daardoor blijven we in het jongste gericht staande en kan ook een dominee de hemel in. Alle vragen van apologetiek, dogmatiek, ethiek dienen in het licht hiervan behandeld te worden.
Missen we dan niet de aansluiting met de hedendaagse mens? Misschien zouden we deze vraag minder moeten stellen. Want de diepste problematiek van die mens doen wij slechts recht door er steeds weer mee te rekenen dat hij niet wil accepteren dat hij niet van zichzelf is en dat hij slechts kan leven van de vergeving der zonden. Op die vergeving concentreert zich de rechte theologie. Want daarin ligt de toegang tot God, ten spijt van onszelf. De vergeving stelt ons voor Hem, met alle lek en gebrek die een mens, ook een voorganger heeft.
En of een mens dan het antwoord in Christus vindt of dat hij het zoekt in een a-christelijke of antichristelijke religie, dat kunnen wij niet beslissen. Dan rest ons de leer van de verkiezing, die een troost is voor predikers met lege handen.

Impulsen
Geestelijke vernieuwing heeft dus alles te maken met impulsen voor de prediking. Zijn deze niet het meest vruchtbaar als meer gefocust wordt op het wát dan op het hóe van de verkondiging? Reformatorische theologie is immers geen verworven bezit, maar een schat die telkens opnieuw gedolven wil worden.
Dat doen we door onszelf vragen te stellen als: hoe verneem ik voor mijzelf in een bepaalde tekst op dit moment de boodschap van het kruis? Wat betekent zij in mijn huidige nood en in mijn huidige vreugde? Wat betekent zij voor mijn verkondiging, mijn onderricht, mijn pastoraat? Hoe wordt een mens erdoor in het hart gegrepen? De dienst des Woords vereist ook gehoorzaamheid. Dat woord begeleidt in het Nieuwe Testament dikwijls de woorden evangelie en geloof. Zulke gehoorzaamheid vereist een oefening in horen, in luisteren, in onderworpenheid. Want hoe kunnen wij anderen tot geloof bewegen als wij zelf niet in de juiste houding tegenover onze Zender staan?

Gebed
Nauw hiermee verbonden is de vernieuwing van ons gebed. Ik heb het destijds als een opluchting ervaren toen ik bij Luther ontdekte dat ik mijn gebed niet buiten de rechtvaardiging hoef te houden. Heeft juist ons gebed niet de rechtvaardiging van node? Ons onvermogen en onze onmacht juist op dit terrein zijn groot. Paulus klaagde er al over: ‘Wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort.’ Dat is geen voorbijgaand, maar een permanent defect. Maar in het gebed om Gods gerechtigheid ontvángen wij Zijn gerechtigheid.
Daarom nochtans: bidden. Zulk bidden is wegkruipen in het Woord. Want alleen in het luisteren daarnaar ontstaat en bestaat het gebed. Zulk bidden is ook vluchten tot de voorbede van Christus: ‘Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bídt.’ Zulk bidden is ook weten van de voorspraak van de Heilige Geest: ‘Hij bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.’ Zodoende beluistert God in ons gestamel de stem van Zijn eigen Geest.
Zulk bidden vereist wel zelfdiscipline en strijd. Juist voorgangers verkeren in voortdurend gevaar hun tijd te vermorsen, door toedoen van anderen en misschien nog het meest door toedoen van zichzelf. Gebed, voor onszelf en voor anderen, vereist echter tijd. Het is goed daarvoor ook formuliergebeden te gebruiken. De traditie der kerk beschikt over een grote rijkdom aan zulke gebeden. Zouden we er bovendien niet goed aan doen ons meer op het Onze Vader te richten? Niet voor niets wijdde Luther er diverse traktaten aan. En de uitwerking van dit gebed in onze Heidelberger is onnavolgbaar.

Biechtvader
Wat zou het goed zijn als we onderling als voorgangers onze vaak bange vragen open en eerlijk deelden. Komt dat ook niet de vernieuwing ten goede? Vroeger had elke predikant zijn confessionarius, zijn biechtvader. De zo modern lijkende figuur van een mental coach is dus al oud.
Aan wie kunnen we de vraag of ik de hemel in kom beter voorleggen dan aan zo’n biechtvader? Opmerkelijk is dat biografieën van personen die aan de wieg van een opwekking hebben gestaan, verhalen hoezeer zij zélf door deze vraag bewogen werden.
Door zulke dingen te delen krijgt ook de wederzijdse paraklese (vermaning of vertroosting) der broeders en de koinonia (gemeenschap) gestalte. Deze zijn immers onontbeerlijk, willen we de hemel in kunnen.

Houten broek
Langs deze weg mogen wij vernieuwing inwachten. En vinden we rust in de wetenschap dat het niet ligt in de hand van degene die wil of degene die draaft, maar van de ontfermende God. Inderdaad, Híj is in en door ons bezig. En buíten ons, vooral buiten ons. Maar juist dat doet ons met vreze en beven onze zaligheid bewerken, als een ereschuld tegenover God, die in ons werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen.
Dat brengt ons bij Paulus’ uitroep: ‘Wee mij, als ik het evangelie niet verkondig!’ Het zal u in dezen waarschijnlijk net zo vergaan als het mij vaak vergaat: als ik het niet verkondig, lijk ik er geen deel aan te hebben. Dan denk je: ik kom er niet in.
Totdat je weer in de houten broek staat en je – in de goede zin van het woord – door een ander woord van Paulus overvallen wordt, namelijk dat Hij die in ons een goed werk begonnen is, dat zal voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.
En is Hij niet Degene die Zich tevoren om onzentwil voor Gods gericht gesteld en ons zo tot Zijn eigendom gemaakt heeft? Dan weet je: nota bene ík ben een dominee die de hemel in kan, in mag. Nota bene ík krijg te horen: Kom binnen, in de vreugde uws Heeren!

H.J. Lam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 2010

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Geestelijke vernieuwing

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 2010

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's