De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voor wie niet wil en niet kan

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor wie niet wil en niet kan

Dordt en de Remonstrantie [3]

6 minuten leestijd

Twee belangrijke dingen bepalen de inhoud van de hoofdstukken 3 en 4 van de Dordtse leerregels. Er wordt namelijk royaal gewezen op de vrije genade van God en tegelijkertijd stuit je veelvuldig op het aspect van de menselijke wil.

D it zijn dan ook precies de twee punten waarmee de remonstranten zeer sterk afwijken van de leer van de Reformatie. De genade van God neemt weliswaar een belangrijke plaats in binnen de artikelen van de Remonstrantie, maar toch wordt er op een fijnzinnige manier een menselijke draai aan gegeven. Van een volkomen eenzijdige genade willen de remonstranten niet weten, aangezien dat gevoelsmatig alle verantwoordelijkheid van de mens afneemt. Daarom wordt in het vierde artikel van de Remonstrantie niet gesproken van de vrije genade van God, maar van de ‘medewerkende genade’. Het is weliswaar God die de mens Zijn genade aanbiedt en voorwerpt, maar het is aan de mens zélf om deze genade op te pakken en aan te nemen. Op deze manier hebben de remonstranten geprobeerd om de menselijke verantwoordelijkheid tot zijn recht te laten komen.

Alles bij God

Dat lijkt logisch, maar de Dordtse leerregels leggen deze gedachtegang als dwaling bloot. Daarom beginnen het derde en vierde hoofdstuk van dit belijdenisgeschrift in het paradijs. De mens beschikte daar over vele rijke gaven, waaronder een volledig vrije wil. Maar op ingeven van de duivel en vanuit zijn eigen vrije wil is de mens van God afgeweken. Daar-mee beroofde hij zich van al de goede gaven. Sinds de zondeval is de mens geestelijk dood, en beschikt hij niet langer over een vrije wil.

Deze werkelijkheid omschrijft artikel 3 heel scherp: ‘Alle mensen worden in zonde ontvangen en als kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot enig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven van de zonde. En willen en kunnen tot God niet wederkeren, noch hun verdorven natuur verbeteren, noch zichzelf tot de verbetering daarvan schikken, zonder de genade van de wederbarende Heilige Geest.’ Kenmerkend in dit artikel is de onwil van de mens om tot God

terug te keren, en tegelijk ook zijn machteloosheid daarin. De mens wíl niet en kán niet. Daarom is hij volledig aangewezen op Gods vrije genade. Alleen God kan door de Heilige Geest geestelijk

dode mensen tot leven wekken. Zo blijft er van de mens niets over en wordt alles volledig bij God gelegd. Hij alleen kan op drastische en radicale wijze de onwil en de onmacht van de mens verbreken. In zichzelf is de mens sinds de zondeval geestelijk dood en dus niet bereid en niet in staat tot enig goed werk. Van nature is er zelfs de neiging om God en onze naaste te haten, zo lezen we in de Heidelbergse Catechismus.

Niemand uitgesloten

Artikel 6 schrijft het heil en de verlossing dan ook alleen aan God toe. ‘God werkt door de kracht van de Heilige Geest, en door het Woord of de bediening der verzoening, welke is het Evangelie van de Messias.’ Zijn Naam staat voorop. Alle accent wordt op God gelegd. Hij is in staat om het hart van mensen om te keren. Hij gebruikt daarbij de verkondiging van het Woord. En door de kracht van de Heilige Geest zegent Hij het Woord aan de harten van onwillige mensen. Dat heeft Hij in het verleden gedaan, en datzelfde doet Hij nog in het heden.

De roepstem van God is zeer indringend. Hij laat duidelijk horen wat Hij van ons mensen verwacht, namelijk dat wij tot Hem komen. Aan die roepstem voegt Hij de prachtige beloften toe van de rust

voor onze zielen en het eeuwige leven (art. 8). De verkondiging van Gods Woord krijgt juist door die beloften een zeer diepe betekenis. Want Zijn beloften zijn niet alleen bestemd voor

de gelovigen. Niet alleen zij mogen daar in hun gebeden op terugvallen, maar ook de ongelovigen. We zien dat duidelijk in de belofte die Ezechiël mag uitspreken tot de onbekeerde en ongelovige mensen: ‘Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven.’ (26:26) Dat maakt de roepstem van God zo rijk. Niemand wordt bij voorbaat buitengesloten.

Verhard

Toch zijn er mensen die deze

Naar aanleiding van 400 jaar Remonstrantie brengt de serie ‘Dordt en de Remonstrantie’ naar voren wat de verschillende hoofdstukken van de Dordtse leerregels belijden en hoe essentieel deze voor de gereformeerde theologie zijn. Vandaag hoofdstuk 3 en 4: Van de verdorvenheid van de mens, de bekering tot God en de manier hiervan.

roepstem van God niet gehoorzamen, en daarom ook geen deel krijgen aan de heerlijke beloften. Met grote nadruk wordt er in artikel 9 op gewezen dat de schuld hiervan niet gezocht moet worden in het Evangelie. De schuld is ook niet gelegen bij Christus en ook niet bij God. De oorzaak kunnen we alleen maar vinden als we terugzien op het eerste artikel uit deze twee hoofdstukken, waar we gewezen worden op de ernstige gevolgen van de zondeval. Wanneer mensen niet gehoorzamen aan de stem van God, komt heel duidelijk aan het licht dat zij niet wíllen. Want de menselijke wil is verhard. De harten zijn toegesloten voor de boodschap van het Evangelie.

Hoe wonderlijke is het dan ook dat er nog mensen zijn die Gods stem wel degelijk gehoorzamen en daadwerkelijk tot Hem komen. Dat wonder mag niet toegeschreven worden aan de mens, alsof hij uit vrije wil daartoe besloten heeft. Want de menselijke wil is sinds de val niet vrij meer, ze is gebonden en wordt beheerst door de duivel. De eer gaat volledig uit naar God. ‘Hij heeft hen van eeuwigheid uitverkoren in Christus, en in de tijd roept Hij hen krachtig, begiftigt hen met het geloof en de bekering, en uit de macht der duisternis verlost zijnde, brengt Hij hen over tot het Rijk van Zijn Zoon’ (art. 10).

Van enige samenwerking tussen mens en God is daarom ook geen sprake. De remonstranten spreken dan wel van de ‘meewerkende genade’, maar daarmee wordt de eer bij God weggenomen en aan mensen toegeschreven: God schenkt alleen de mogelijkheid, maar het is de mens die er uiteindelijk zelf voor kiest om tot God te gaan.

Wij mogen vasthouden aan de leer van de Reformatie, en bovenal aan Gods Woord. De zaligheid is uit God alleen! ‘Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave’ (Ef.2:8). Daarom resten ons de slotwoorden uit deze twee hoofdstukken van de Dordtse Leerregels: ‘Deze God alleen komt toe alle heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.’

E. Versluis

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 2010

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Voor wie niet wil en niet kan

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 2010

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's