Best wel vet cool contact
Ouder en wijzer [1]
Hoe houd je contact met je kleinkind? Hoe blijf je als oudere betrokken op zijn leefwereld? Een dagje Amsterdam is leerzaam.
H et zal twintig jaar geleden zijn. We waren opnieuw met een groep gemeenteleden bij de Klaagmuur in Jeruzalem. Een Israëlreis deed ik het liefst zoveel mogelijk met eigen gemeenteleden. Dan is zo’n reis een vijftiendaagse bijbelkring, goed voor het hele gemeentewerk. Het was maandagochtend. Bar mitswa. Joodse jongens van dertien jaar worden dan met veel ceremonieel en applaus in de liturgie ingeleid. Het is altijd druk op zulke ochtenden. Velen zijn getuige van de gebeden van de minjan, de groep van minstens tien Joodse mannen, en de feestelijke tocht met de Thorarol. Soms vraag je je af hoe geestelijk dit feestelijke is, maar zulke vragen zullen anderen zich bij onze ‘feestelijke diensten’ stellen.
Bij deze reis waren onze jongste drie kinderen. Met mijn zoon van acht liep ik al uitleggend over het mannendeel van het plein voor de Muur. Onverwacht werd ik aangesproken door een zichtbaar oude rabbijn. Aan mijn badge zag hij dat ik reisleider was. Hij vroeg mij of ‘die jongen’ ook tot mijn groep behoorde. Ik vertelde hem: ‘Dat niet alleen, maar hij is ook mijn jongste zoon.’ Toen gebeurde er iets dat (achteraf gelukkig) door sommigen op foto’s en video’s is vastgelegd. Hij vroeg me of hij mijn zoon mocht zegenen. Uiteraard aarzelde ik geen moment. Hij drukte hem zijn eigen Thora in handen, zette zijn veel te grote keppeltje recht en begon. Het was een lang gebed rechtstreeks uit zijn hart. Het ontroerde niet alleen hem, maar ook ieder die het zag. Hier gebeurde iets. Een oude man met een verweerd gezicht door een bewogen verleden gaf aan een jonge generatie bij het laatste restant van de verwoeste tempel de zegen van de Almachtige. Geslachten gaan, geslachten komen, we zijn in Gods verbondstrouw opgenomen. Wat hij zei verstond ik niet, maar wat hij deed raakte me diep.
Niet in slaap wiegen
Inmiddels is ‘die jongen’ getrouwd, zoals ook de andere kinderen, zijn er elf kleinkinderen en zit ik vooral met de vraag: hoe kan ik de zegen van God aan hen doorgeven? Hoe blijf ik als grootvader uit de eerste helft van de 20e eeuw verstaanbaar voor kleinkinderen, die grotendeels van de 21e eeuw zijn? Anders gezegd, hoe word ik voor hen niet een onverstaanbare man uit een andere tijd?
Ze zeggen dat grootouders altijd tweemaal blij zijn met een bezoek van hun kleinkinderen: als ze komen én als ze gaan. Ze zeggen dat grootouders meer de lusten kennen dan de lasten. Opmerkingen die niet meer opgaan als je van tijd tot tijd ook oppasoma of oppasopa bent. Maar het is een feit dat hoe hartelijk de band met kleinkinderen ook is, het toch anders is dan bij je eigen kinderen. Je groeit niet meer dagelijks met ze mee.
Toch zijn er momenten waarop je je als grootouders ingeschakeld voelt. De eerste woordjes: was het echt ‘opa’ of ‘oma’? De eerste stapjes los, naar wie liep ze toe? Het eerste zwemdiploma: al die ouders en grootouders in dat hete aquarium achter dat beslagen glas, zoekend naar die bungelende plak koek. De eerste keer fietsen zonder zijwieltjes.
Ineens realiseer ik me dat het contact vooral ontstaat door wat zíj zeggen en wat zíj doen. Daarom moeten we als grootouders niet alleen meeleven met dit soort hoogtepunten in hun leven, maar in alle dingen die voor hen en hun ouders ingrijpend zijn.
Luisteren
Echt meeleven bestaat voor een groot deel uit luisteren. Zo luisteren, dat we weten in welke wereld zij opgroeien. Ooit schreven we boven het geboortebericht van een van onze kinderen de woorden:
W.L. Zwagemaker schrijft volgende week over hoe als oudere positief de tijd in te vullen.
kind, je weet niet in welke wereld je wieg staat, u die dit weet, wieg dit geweten niet in slaap.
Nu zie ik het boven het leven van mijn kleinkinderen staan. Daarom probeer ik mee te leven en geniet ervan als ik hen ook eens een keer van school kan halen. Bovendien leer ik mijn eigen kinderen weer anders en beter kennen via hun kinderen.
Maar als de zorgeloze (? ) tijd van de basisschool voorbij is en het ‘grote leven’ op hen af komt en nog later, wat dan? Meeleven, luisteren, contact houden en… hun geweten niet in slaap wiegen. Dat kan op veel manieren.
Dagje Amsterdam
Hoe het plan ontstaan is, weet ik niet meer. Misschien wel heel spontaan of was het grootouderlijke angst voor zijn komende grote leven? Hoe dan ook, we spraken af dat we de overgang naar de middelbare school zouden vieren met een dagje Amsterdam, waarbij hijzelf de voor hem én voor opa leuke dingen tot een programma zou maken.
We kozen voor de trein en ontmoetten elkaar op Utrecht Centraal. Eenmaal in Amsterdam begonnen we natuurlijk met een kop koffie en gaf ik hem de kas in beheer. We zouden ‘leuke dingen’ doen en (budgettair moest dat kunnen) de dag niet hoeven af te sluiten met soep en een broodje bij het Leger des Heils.
Natuurlijk begonnen we in het havengebied en deden in NEMO allerlei proefjes, waaruit het generatieverschil al gelijk duidelijk werd. Wat zijn zij snel, of ben ik traag? Langs de Mozes en Aäronkerk (natuurlijk ook erin en hopen op uitleg, die gelukkig kwam) liepen we langs het Beursgebouw en kauwden samen op de twee spreuken van dit gebouw. Natuurlijk deden we een rondvaart door de grachten en stelde mijn kleinzoon vast dat opa’s ook met de ogen dicht goed kunnen luisteren naar de enthousiaste uitleg. Op de Dam zagen we niet alleen duiven, maar ook bewegingsloze mensen, die met hun act wat staan bij te verdienen. Dat was het moment om het gezonde voordeel van een krantenwijk te bespreken. Natuurlijk deden we in de Kalverstraat die grote boekwinkel aan, maar kleinzoonlief bleek veel meer van video’s en spelcomputers te weten en daarvan weet opa heel weinig. Maar ik begreep wel dat WII vet cool is en eindeloos.
De poort naar het Begijnenhofje was open, dus konden we er ronddwalen en oude verhalen ophalen (warempel, dat vond hij best gaaf!). Vlak bij de Dam vonden we een pizzeria, die niet boven onze begroting ging. We zaten boven en keken uit op een heel drukke winkel waar volgens de etalage souvenirs te koop waren, maar in werkelijkheid stickies werden gerookt en meer van dat soort spul grof van de hand ging. Nee, hij dacht niet dat bij hem op school gerookt werd, maar wist goed welke gevaren er dreigen.
Op de terugweg naar het station waren we nog getuige van een diefstal op klaarlichte dag. We vonden het beter om niet achter de dief aan te gaan.
Mantel
Het was me het dagje wel. Kleinkinderen in de grote wereld van de 21e eeuw. Ik probeer met hen mee te leven. Ik probeer hun taal te verstaan en hun echte zorgen te begrijpen. Ieder dag bid ik voor hen, maar het zal concreter moeten. De mantel die Hanna voor haar Samuel maakte, was ieder jaar een maatje groter.
Hoe troostrijk het ook mag zijn dat Gods mantelzorg altijd op maat is, dat ontslaat mij niet van de taak (op afstand) concreet mee te leven. Zo leer ik ook mijn eigen (aangetrouwde) kinderen meer kennen en waarderen.
Op Utrecht Centraal gingen onze wegen weer uiteen. Sinds die dag weet ik welke ongekende mogelijkheden er op mijn mobieltje zitten. En af en toe vraag ik, per mail of sms, of er op school nog wel eens iets te beleven valt. Want jong zijn is soms best vet cool.
P. Vermaat (opa Panc)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 2010
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 2010
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's