Vrijheid van onderwijs
Omstreeks 1840 komt er een toenemend verzet tegen de Lager-onderwijswet van 1806. Juist deze wet kreeg veel kritiek gedurende de eerste fase van de schoolstrijd. Ouders wensten voor hun kinderen christelijk onderwijs, ze verlangden vrijheid om christelijke scholen te stichten. Dit verlangen werd groter toen na 1834 de afgescheidenen op grond van hun doopbelofte alles in het werk stelden om op eigen kosten scholen te stichten maar hiervoor van de overheid geen toestemming kregen.
Het duurde tot 1857 voordat er een nieuwe onderwijswetgeving kwam. Na veel discussies lukte het mr. Van der Brugghen in 1857 een schoolwet door de Kamer goedgekeurd te krijgen. Met deze wet kwam er gesubsidieerd neutraal staatsonderwijs en ongesubsidieerd neutraal bijzonder onderwijs. Vanaf dit moment werden veel bijzondere scholen gesticht, hoewel dit nog steeds werd tegengewerkt. Deze scholen werden bekostigd door de ouders en uit giften. Hoewel er geen subsidie werd verstrekt, groeide het aantal bijzondere scholen tegen de verdrukking in.
In 1878 kwam de radicaalliberale minister Kappeyne van de Copello met wetswijzigingen voor de schoolwet van 1857, maar ook dit bracht geen verandering. Deze wet bedoelde verbetering te brengen in de kwaliteit van het onderwijs. Voor de openbare scholen werd de financiële situatie sterk verbeterd, maar het bijzonder onderwijs kwam in een moordende concurrentiestrijd terecht. Van de zijde van het bijzonder onderwijs kwam een heftig verzet. Toen deze wet in de Kamer was aangenomen, werd de Koning in 1879 een smeekschrift aangeboden met het verzoek deze wet niet te tekenen. Deze actie, het zogenaamde volkspetitionnement stond onder leiding van dr. Abraham Kuyper. In één week tekenden meer dan 300.000 personen voor bijna 115.000 kinderen tussen 6 en 12 jaar het Manifest van vrijheid. Hoewel de Koning de wet tekende, is deze volksbeweging een rol blijven spelen in de verdere vrijmaking van het bijzonder onderwijs.
In 1900 laaide de schoolstrijd opnieuw op bij de indiening van de leerplicht. In 1905 kwam er onder minister Kuyper gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs wat betreft de betalingen van de salarissen door het rijk. In de onderwijswet van 1920 van de eerste minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, dr. De Visser, kwam er een volledige financiële gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Er was grote
dankbaarheid bij het volk. Deze uitte zich in de vele dankdiensten die werden gehouden.
Van echte vrijheid van onderwijs was helaas nog geen sprake. We kunnen de situatie na 1920 vergelijken met het volk Israël in het landschap Gosen. Toen ze er pas woonden ging het goed, omdat ze de bescherming genoten van de machthebbers van Egypte. De farao’s lieten Israël eigen rechten en vrijheden behouden. Maar toen er lange jaren daarna farao’s kwamen die Jozef niet meer hadden gekend, ontstonden de problemen. Er kwam onderdrukking, beroving van rechten en vrijheden, smaad van het geloof van het volk Israël.
Als het gaat over vrijheid van onderwijs, verkeerde het bijzonder onderwijs in Nederland kort na 1920 nog in de tijd van de farao’s die Jozef hadden gekend. Christenen vreesden voor de komst van een linkse regering. Zou het ook voor het bijzonder onderwijs een tijd van onderdrukking worden? Een tijd van beroving van rechten en vrijheden? Een geschiedenis die ons veel kan leren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's