Kijken naar wat echt telt
Leven met God in tijd van welvaart [1c]
Zoals de geschapen mens van het goede geniet, zo misbruikt de gevallen mens Gods gaven. Maar dat is niet het einde: de Schepper is ook de Verlosser.
D e Heere laat Zijn schepping niet over aan de zelfgekozen duisternis, maar roept tot Zijn wonderbaar licht. Dat breekt zich baan via de weg van het verbond dat Hij met ons mensen opricht. Met alle radicale gevolgen voor het dagelijks leven van dien, niet het minst ook op het gebied van omgang met de scheppingsgaven, met rijkdom en armoe.
Waar God verlost, krijgen Zijn oorspronkelijke bedoelingen met de schepping nieuwe gestalte. Hij had Zijn schepping gegeven aan de mens, niet in particulier bezit, maar om die in Zijn naam te beheren. En wel zo, dat allen tot de schatten en vruchten van die schepping toegang zouden hebben. Dat zie je terug in de bepalingen van het verbond, in de Thora en in het Evangelie. Ik noem enkele aspecten.
Allereerst: God openbaart zich als de God die in het bijzonder oog heeft voor de zwakke, voor weduwe, wees en vreemdeling. Hij komt op voor wie arm is, wie in de poort terzijde wordt gedrongen. Hij is de God die Israël uit de slavernij verlost, de armen uit de macht der rijken. Deze wetenschap is bepalend voor de rest van het Oude Testament, en ook voor het Nieuwe Testament. Jezus Christus is de Gezalfde, die aan armen het evangelie zal verkondigen.
Eigen stukje grond
Een tweede aspect is dat als God Zijn volk in het beloofde land brengt, ieder daarin zijn deel krijgt. Het zal Israëlieten niet vergaan als de Kanaänitische bevolking, waar de stadskoningen de grond bezaten. Israël zal geen feodale samenleving mogen vormen. Een onvervreemdbaar bezit is het eigen stukje land. De bedoeling hiervan is dat ieder bestaansmiddelen krijgt: grondbezit garandeert een bestaansbasis. In Israël mocht er geen arme zijn, en komt die er toch, door misoogst, door oorlogsomstandigheden, door ziekte of wat dan ook, dan zullen zijn naasten, ja heel het volk, die armoe zien af te wenden (Deut.15). Daarvoor staan er in de Thora allerlei wetten, waar we nog steeds veel van kunnen leren: - het renteverbod (Ex.22:25-27). Een geldlening dient om de arme erbovenop te helpen, niet om aan hem te verdienen (Deut.15:7). Zoals God Zijn volk genadig is, zal de ene mens de ander met mildheid bejegenen.
- het verbod van klassenjustitie (Ex.23:6). Een arme is geen outcast maar een volwaardige broeder. - bepalingen omtrent het sabbatsjaar. In het sabbatsjaar mogen de armen oogsten wat God op het onbewerkte land heeft laten groeien (Ex.23:10v.; Lev.25:1-7). De gedachte hierachter is dat God eigenaar van het land is en blijft. - bepalingen omtrent het jubeljaar (Lev.25): lossing van land, huizen, slaven. - de wet uit Deuteronomium 12:18 en 14:27: bij een offermaaltijd moeten ook vreemdelingen, armen en minderen worden genodigd. - de rand van het veld mag niet worden geoogst (Lev.23:22). De opbrengst hiervan is voor de arme.
- de praktijk van het geven van tienden (Lev.27:30). - in de offerwetgeving wordt rekening gehouden met de geringe draagkracht van de armen (die mogen bijvoorbeeld volstaan met het brengen van een duif als offer). De bedoeling van dit soort verbondsbepalingen en het effect ervan is duidelijk. Wanneer er in Israël toch armen komen, moeten zij geholpen worden. Houdt een samenleving die armoe systematisch in stand, dan zondigt ze hiermee tegen God zelf en tegen Zijn verbond (vgl. Jer.34 en Neh.5). ‘Gij zult niet begeren’ is de essentie van de wet. De omgang met de armen vormt de lakmoesproef van verbondsgehoorzaamheid.
Nieuwe levensoriëntatie
In het Nieuwe Testament horen we hoe Christus de wet van God vervult, waardoor de diepste intentie daarvan in volle kracht het leven van de kerk doordringen zal. Dat is het derde element dat ik wil noemen. Jezus roept allen om Hem na te volgen, en de Zoon des Mensen heeft geen plek om zijn hoofd neer te leggen. Hij verkondigt het Koninkrijk van God en dat brengt een radicalisering van onze omgang met geld en goed en de zorg om het dagelijks leven: ‘Zoekt eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden’ (Mat.6:33). Dat geeft een nieuwe levensoriëntatie. Nodig aan uw maaltijden armen, verminkten, kreupelen, blinden, zegt Jezus (Luk.14:13). En hij prijst een weduwe die van haar armoede haar hele levensonderhoud, twee penningen, geeft (Mark.12:42). Wat werkelijk rijk of arm moet heten, komt in het evangelie pas goed openbaar.
In de serie ‘Leven met God in tijd van welvaart’ is dit de laatste bijdrage van dr. H.G.L. Peels over armoede en rijkdom in de Bijbel. De komende twee weken schrijft ds. B.J. van der Graaf over discipelschap in een tijd van overvloed.
Barmhartigheid
Zo zien we dat ook in het leven van de eerste gemeente de dienst der barmhartigheid centraal komt te staan. Wie zich door Christus’ bloed verlost weet, heeft Hem als Heer, en is niet in de ban van geld en goed. Vandaar dat de drempel voor de rijken zoveel hoger is dan voor de armen. De eerste gemeente bestond niet uit rijken, machtigen en edelen (1Kor.1:26). Bovendien hadden de gemeenteleden alles gemeenschappelijk, zo tekent het boek Handelingen (2:44). En het bederf kwam daar waar in de eerste gemeente het sjoemelen met geld weer de kop opsteekt (Hand.5, Ananias en Saffira).
Principieel vallen in de gemeente de grenzen tussen rijk en arm weg. Heren en slaven samen aan het avondmaal, in Christus is rijk noch arm. Denk aan de collecte voor Jeruzalem, die
in de Korinthebrieven een grote rol speelt. Alles in de vroege christelijke kerk getuigt van een visie op geld en goed, die christenen principieel onderscheidde van de normen en waarden van de wereld rondom.
Voleinding
Tot dusver zagen we rijk en arm in relatie tot de geschapen mens (die geniet van het goede), de gevallen mens (die Gods gaven misbruikt) en de verloste mens (die anders in de wereld staat). In deze laatste bijdrage moet ook duidelijk worden wat rijk en arm in het licht van de voleinding betekenen. Het christelijk geloof heeft immers weet van het in Christus gekomen Koninkrijk van God en van de komst van dat rijk in volmaaktheid. Christenen leven als het ware tussen de tijden. Het hier en nu is niet meer het een en al. Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen geworden, waaruit wij Christus als Verlosser verwachten (Filip.3:20). Dat komende vrederijk van God werpt zijn schaduw (of licht) al vooruit in het leven van de gemeente nu, waarin sociale verschillen worden opgeheven, en waar men zich het lot van de armen aantrekt. Dat heeft in zich iets van een anticipatie op het komende vrederijk van God, waarin alle nood verdwenen zal zijn. De wetenschap van de komende voleinding heeft grote consequenties voor de vragen van rijk en arm in het heden. Twee punten wil ik noemen.
Relativeren
Ten eerste relativeert dit het belang van geld en goed. Jezus stuurt Zijn discipelen erop uit met
de woorden dat zij zich niet van goud, zilver of koper moeten voorzien (Mat.10:9). Heel laconiek schrijft Paulus: ‘Wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar dat wij ook niet
kunnen iets daaruit dragen. Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmee vergenoegd zijn’ (1Tim.6:8). Hij weet er zelf alles van wat het is om overvloed te hebben én om gebrek te hebben (Filip.4:11v.). Dit zijn niet meer de dingen waar het in het leven om draait.
Met het oog op wat komt schrijft de apostel ons dat de tijd kort is: laten zij die kopen zijn als niet bezittende, en die deze wereld gebruiken als niet misbruikende, want de gedaante dezer wereld gaat voorbij (1Kor.7:30vv).
Wat echt telt
Ten tweede wordt het hart van een christen gericht op wat wérkelijk telt. Jezus spreekt de mensen hier steeds weer op aan, bijvoorbeeld in de gelijkenis van de rijke dwaas. Deze man is druk bezig met zijn plannen om schuren te bouwen, zijn oogst daarin op te bergen: ‘Zie, gij hebt vele goederen die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink en wees vrolijk.’ Maar als God komt en nog diezelfde nacht wordt zijn ziel van hem afgeëist, wat dan? Zo is het met hem die zichzelf schatten vergadert, en niet rijk is in God (Luk.12:21). Wat zou het een mens baten zo hij de gehele wereld won, maar schade leed aan zijn ziel? (Mark.8:36).
In de rij van leden die op de aarde zijn, die moeten afsterven, staat naast hoererij en onreinheid de hebzucht (Col. 3:5), die niets anders is dan afgoderij (!). En ondubbelzinnig is Jezus’ woord uit de Bergrede, die toch de grondwet van het Koninkrijk van God is: ‘Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; maar vergadert u schatten in de hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn’ (Mat.6:19v).
Daarom moet Timotheüs de rijken vermanen om hun hoop niet op onzekere rijkdom te richten, maar op God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft (...) om weldadig te zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, gemeenzaam; leggende zichzelf weg tot een schat een goed fundament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen (1Tim.6:18v).
Babel en Jeruzalem
Hij komt, en dat betekent dat de stad Babel eraan gaat: ‘Wee, wee de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met paarlen; want in één ure is zo grote rijkdom verwoest’ (Op.18:16). Dan is er eindelijk plaats voor die andere stad, met zijn onbeschrijfelijke rijkdom: Jeruzalem met zijn twaalf poorten van paarlen en zijn straten van zuiver goud (Op.21:21). Het zicht op deze twee steden bepaalt fundamenteel ons zicht op de waarde van rijkdom en armoe, en het leven met God in een tijd van welvaart heden.
H.G.L. Peels
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's