Rechtvaardig voor God
Hoe weet je of je geloof echt is?
Als iemand het geloof in Jezus Christus belijdt, is hij rechtvaardig voor God, ontvangt hij Gods gerechtigheid en is hij verzoend door het geloof in Zijn bloed (Rom. 3). Hoe brengt God ons bij deze grote dingen?
Hoe weet je of je geloof echt is?
W ie als toerist in Jeruzalem komt, zal ook het bekende oorlogsmonument Yad Vashem aandoen, de plek waar de zes miljoen Joodse slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog worden herdacht. Onvergetelijk is de Hal der herinnering, met de eeuwige vlam midden in een gebroken schaal en de mozaïekvloer gevormd uit zes miljoen steentjes en daarop de namen van de 22 grootste vernietigingskampen ten tijde van nazi-Duitsland. Heel bijzonder is ook de zogeheten Laan der rechtvaardigen. Elke Johannesbroodboom langs dit pad is een herinnering aan een niet-Jood, die met gevaar voor eigen leven Joden heeft gered uit de handen van de nazi’s. Onder deze rechtvaardigen uit de volken zijn ook enkele Nederlandse namen te vinden.
Tsaddik
Wie is tsaddik? Wat betekent het woord rechtvaardig en welk mens kan rechtvaardig worden genoemd? We spraken er uitvoerig over in de groep van belijdeniscatechisanten. Er bleek veel verwarring en onduidelijkheid te zijn over de vraag wat rechtvaardig zijn nu eigenlijk inhoudt. In het jodendom bestaat daarover geen enkele twijfel. Rechtvaardig ben je wanneer je doet wat God van je vraagt. Trouw zijn aan de Thora, de geboden en verboden die God gaf nakomen, daar gaat het om. Anders gezegd: beantwoorden aan de bestemming die Hij aan ons leven heeft gegeven. Dat geldt trouwens niet alleen voor mensen, maar ook voor voorwerpen. Tijdens een lezing haalde een orthodoxe rabbijn een balpen uit zijn binnenzak. ‘Wanneer is deze pen rechtvaardig? ’ vroeg hij.
Hij gaf zelf meteen het antwoord: ‘Als deze pen schrijft, is hij tsaddik, rechtvaardig, want dan beantwoordt hij aan het doel waarvoor hij gemaakt is. Schrijft hij niet, dan is hij niet tsaddik’.
Gratie, geen prestatie
Lange tijd dacht Maarten Luther, de bekende hervormer uit Wittenberg, er ook zo over. Hij had van huis uit geleerd dat een mens veel moest doen om rechtvaardig voor God te zijn. Vasten en versterving, bidden en aalmoezen geven: dat was de weg waarlangs hij meende rechtvaardig te kunnen worden. Het bleek echter een doodlopende weg te zijn. Wanneer zou hij voldoende gepresteerd hebben? Wanneer zou het moment komen dat God tegen hem zei: ‘Nu is het genoeg, Martinus, je hebt gedaan wat ik van je vroeg? ’ Luther liep vast met dat ene woordje: justitia, gerechtigheid, rechtvaardigheid. Hij wist nog niet dat met dat woord niet bedoeld wordt de gerechtigheid die God van ons eist, maar de rechtvaardigheid die ons uit genade en door het geloof wordt geschonken. Wanneer de hervormer later op zijn leven terug ziet, schrijft hij over zijn worsteling: ‘Ik haatte dat woord gerechtigheid, het vervloekte en verdoemde mij. Ik zei tegen God: houdt U dan nooit op mij te plagen met uw toorn?
Maar ik hield niet op te bonzen tegen dat woord van Paulus: de rechtvaardige zal door het geloof leven. En ineens zag ik het: wij leven, wij léven niet door ons doen, maar door Gods schenkende gerechtigheid in Christus. Toen werd die tekst van Paulus mij tot een porta paradisi, tot de deur van het paradijs’.
Bevrijdend
Machtige ontdekking: wij worden niet rechtvaardig door wat wij presteren, maar door wat God ons in Zijn grote genade wil schenken, dankzij het volbrachte werk van Christus. Sola fide, rechtvaardig door het geloof alleen. Voor Luther
betekende die ontdekking een geweldige bevrijding. Zolang het van zijn vrome inspanningen afhing, vond hij geen zekerheid, geen vrede voor zijn hart. Maar sinds hij mocht leven op rekening van Christus kon hij zijn vreugde niet op. Hij mocht het Paulus met heel zijn hart nazeggen: ‘Wij dan gerechtvaardigd uit het geloof hebben vrede met God, door onze Heere Jezus Christus.’ (Rom.5:1).
Zelfde valkuil
Sommige belijdeniscatechisanten in onze groep bleven er toch moeite mee houden. Want hoe weet je of je geloof echt is en wanneer ben je er zeker van dat je geloof groot genoeg is. ‘Ik voel, ik ervaar er nog zo weinig van’, zei een jonge vrouw heel eerlijk. Dat zijn begrijpelijke vragen, die soms als loodzware struikelblokken op je weg liggen.
Ze kunnen je zelfs ervan weerhouden om belijdenis van het geloof af te leggen. Toch moeten we geweldig oppassen voor misverstanden. Voor we er erg in hebben, komen we in de dezelfde valkuil terecht als die van Maarten Luther. In zijn tijd ging het om de vraag: wanneer heb ik genoeg gedaan? In onze tijd lijkt het soms te gaan om de vraag: wanneer is mijn geloof groot genoeg, wanneer is het met mijn beleving in orde? In beide gevallen zijn we met onszelf bezig en verwachten we het – bewust of onbewust – van onszelf of van onze goede werken of van ons grote geloof. En ongemerkt worden we meegesleurd door de draaikolk van de twijfel en van de onzekerheid.
Logisch dat we dan tegen het belijdenis doen gaan opzien en ons afvragen of het wel kan en mag.
Lege hand
Ons geloof maakt ons niet rechtvaardig voor God. Het geloof is geen verdienste. En onze beleving is niet het keurmerk van het ware. Het geloof is niet meer dan een lege hand, die we mogen ophouden om ze door God te laten vullen. Bijbels geloof is altijd en overal bedelaarsgeloof. Is dat genoeg om ja te kunnen zeggen in het midden van de gemeente? Sterker nog, het is de enige manier om belijdenis te kunnen doen. Vraag je af Wie de Heere Jezus voor je is. Ooit zei de Heiland tegen Zijn discipelen: ‘Willen jullie ook niet weggaan? ’ Vele volgelingen haakten af. Enthousiast waren ze achter Jezus aangegaan toen ze de wonderen zagen die Hij deed. Zieken werden genezen en wie honger leed kreeg te eten. Daardoor was Jezus hun Man. Maar toen ze ontdekten dat navolging niet goedkoop is, dat het hun wat ging kosten, toen lieten ze het afweten.
Alleen het kleine groepje intimi blijft over. Jezus kijkt hen aan en vraagt: ‘En jullie dan, willen jullie ook niet vertrekken, net als al die anderen? ’ Maar dat kunnen ze niet. Daarvoor is er teveel gebeurd tussen Hem en tussen hen. De Heilige Geest heeft hen laten zien dat ze buiten Jezus niet kunnen leven en sterven. Ieder jaar zeg ik tegen de belijdeniscatechisanten: ‘Daar komt het op aan. Als je de Heere Jezus niet kunt en wilt missen, dan ben je er klaar voor. Niet omdat je zelf zoveel hebt en kunt. Maar omdat Jezus jou het stralend witte kleed van de gerechtigheid wil geven. Uit pure genade! Voor niets!’
Wonderlijke ruil
Ik kom nog even terug op Maarten Luther. Wat hij voor zichzelf had mogen ontdekken, kon hij niet verzwijgen tegenover anderen. Dat moest, dat wilde hij doorgeven.
Tijdens zijn colleges aan de studenten en tijdens zijn preken aan de gemeenteleden. Een monnik in Memmingen, die door geestelijke oefeningen en goede werken met God in het reine trachtte te komen, vertelde hij over zijn eigen ervaringen. ‘Ik heb zelf ook aan die waan, ik mag wel zeggen waanzin, geleden. Ook nu heb ik die strijd nog niet uitgestreden. Daarom, mijn lieve broeder, wend je tot Christus, de Gekruisigde. Leer Hem lofzingen en, aan jezelf vertwijfelend, tot Hem zeggen: ‘U Heere Jezus bent mijn rechtvaardigheid, ik ben Uw zonde. U hebt het mijne als het Uwe aangenomen en mij het Uwe gegeven. U hebt aangenomen dat wat U niet was en mij gegeven dat wat ik niet was.’’ Het machtige Evangelie van de wonderlijke ruil. Ik zou tegen de aanstaande lidmaten willen zeggen: Wie het daarmee waagt, komt niet teleurgesteld uit. En daar heeft nog nooit iemand spijt van gekregen.
M. van Campen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's