Avondmaalspraktijk
‘G od wil in Zijn welbehagen u als gast aan tafel vragen.’ Een prachtige regel (gez. 355, Liedboek voor de kerken) die iets uitdrukt van waar het in het heilig avondmaal om gaat. Rond de praktijk en de beleving van het avondmaal is de afgelopen decennia veel veranderd en het ‘tijdschrift voor gereformeerd belijden nú’ Kontekstueel wijdt aan die wijzigingen een boeiend themanummer.
Dr. Piet van den Heuvel beschrijft de omslag die plaatsvond aan de hand van zijn eigen ervaringen als gemeentepredikant.
In mijn eerste gemeente (1966-1971) heb ik met alle belijdeniscatechisanten uitvoerig gesproken over de relatie ‘belijdenis en avondmaal’. Desondanks is in al die jaren niet één van hen aan het avondmaal gekomen. Een van hen zei: ‘lk durfde niet. Ik weet zeker dat ik na de dienst iemand van de familie op bezoek had gekregen, met de vraag “Wat is er met jou gebeurd? ” Als ik in een andere gemeente had gewoond, was ik misschien wel aangegaan.’ Het was in die tijd niet ongewoon als ambtsdragers zelf niet aan het avondmaal gingen. (…)
In mijn laatste gemeente (1989-1998) heb ik opnieuw met alle belijdeniscatechisanten de relatie belijdenis en avondmaal besproken. Daar was de reactie op de vraag hoe ze tegenover het avondmaal stonden en of ze dachten aan te gaan, totaal anders. Ze keken me verbaasd aan: ‘Ja natuurlijk, hoezo? ’ Het was voor hen volmaakt vanzelfsprekend. Ik moest hen uitleggen dat de vraag toch niet helemaal onzinnig was, vertelde hen van het bestaan van ‘avondmaalsschroom’ en plotseling begrepen ze waarom hun ouders of grootouders zo anders op het avondmaal reageerden dan zij zelf deden.
Meer dan eens merkte ik dat er in één gezin twee belevingswerelden waren ten aanzien van het avondmaal. Het meest opvallende was dat daar onderling nauwelijks over werd gesproken.
Vervolgens schetst dr. Van den Heuvel dat de groeiende vrijmoedigheid om aan het avondmaal deel te nemen nieuwe vragen meebracht.
Nu was het probleem niet dat ze niet aan durfden gaan, maar dat ze er zo weinig beleefden! De eerste avondmaalsgang werd soms een teleurstelling. Ze hadden er met verwachting naar uitgekeken. Ze hadden immers steeds gehoord dat Christus daar, in de tekenen van brood en wijn, op een bijzondere wijze aanwezig was. Dan mag je toch ook verwachten dat de viering een bijzondere geestelijke ervaring oplevert. Als die uitbleef kwam de teleurstelling: was dat het dan? Niet zelden gebeurde het dat ze na twee of drie keer de avondmaalsdiensten verzuimden: ze hadden niet langer prioriteit. Allerlei secundaire argumenten speelden een rol: het zijn lange diensten, er was wat anders, enz. enz. Maar de diepste oorzaak kon wel eens zijn: teleurstelling.
We kunnen concluderen dat een grote mate van vanzelfsprekendheid niet vanzelf met zich mee brengt dat er sprake is van een groot verlangen en van een diepe vreugde met betrekking tot het avondmaal.
Naar mijn inschatting is er in het achterland van het gereformeerd protestantisme binnen en buiten de Protestantse Kerk sprake van een grote mate van ongelijktijdigheid. Beide zojuist genoemde belevingswerelden zijn nog volop aanwezig. Tussen die belevingswereld gaapt een kloof van wederkerige vervreemding. (…) Voor de een is de viering een zaak van diepe ernst: daar worden we erbij bepaald hoeveel Christus heeft moeten lijden voor onze zonden. Voor de ander overheerst de vreugde: daar wordt ons verkondigd hoe groot zijn liefde voor zondaren is! Voor de een is het avondmaal vooral gedachtenis van het verzoeningsoffer van Christus, voor de ander vooral de maaltijd van het verbond, de viering van de onderlinge verbondenheid in de familia Deï, het huisgezin van God.
Wat we precies vieren als het avondmaal wordt bediend, daarover schrijft dr. Bert de Leede. Zijn artikel sluit naadloos aan bij dat van dr. Klaas Zwanepol, die in het laatste nummer van Woord& Dienst de lutherse avondmaalsopvatting belicht. Dr. De Leede vraagt aandacht voor vier kernbegrippen van de gereformeerde avondmaalsopvatting. Daarin is het geloof, is de Heilige Geest wezenlijk:
En wie ‘geloof ’ zegt, heeft het over het werk van de heilige Geest. Het is alles Geest en geloof. (…)
Zonder het oor van het geloof heeft de prediking geen nut voor ons. Wanneer wij de verkondiging niet met een gelovig hart ontvangen, wordt die op de duur betekenisloos.
‘Het zegt mij niets meer’, kan een vroeger trouw meelevend iemand zeggen die je na jaren weer tegenkomt. ‘Ik mis het ook niet meer.’ Zo is dat ook, onvermijdelijk. Met het avondmaal is het niet anders. Wanneer we zonder de mond van het geloof brood en beker ontvangen, verliest dat alles zijn betekenis. De maaltijd des Heren eten en drinken, zonder onze harten op te heffen in de hemel waar Christus is, wordt een leeg ritueel. Daarom hangt in de gereformeerde liturgie alles aan het gebed om de heilige Geest, de epiklese.
Dr. De Leede benadrukt dat de doorbraak van het koninkrijk der hemelen in Christus’ komst een radicaliteit met zich meebrengt die in de volkskerk is onderbelicht.
Dat vraagt van de viering zelf een grotere eschatologische spanning dan nu vaak het geval is. Het ‘totdat Hij komt’ moet onze viering kleuren. (…) Het avondmaal bevestigt het vreemdelingschap van de gemeente op deze aarde. De relatie tussen het mogen delen in de gemeenschap van brood en wijn en de
levenswandel, de ethiek van de gemeente is daarom evident. (…) De normale praktijk moet (weer) worden dat wie de doop begeert voor zijn kinderen zelf de naam van Christus belijdt en deelt in zijn avondmaalsgemeenschap.
Dr. De Leede wil ernst maken met de bijbelse noties dat wie door het doopwater is heengegaan en deelt in de tafelgemeenschap, voorgoed een vreemdeling op deze aarde is geworden. In zijn artikel komt nog meer aan de orde en het biedt aanzetten tot een diepgaander gesprek over de kern van het avondmaal.
In Kontekstueel staan ook enkele fijngevoelige impressies van wat gemeenteleden (uit onder andere Katwijk en Nijkerkerveen) aan het avondmaal beleven. Ik eindig echter met het pleidooi van dr. Van den Heuvel voor het ‘bij de tijd’ brengen van het klassieke avondmaalsformulier. Dit formulier werd oorspronkelijk als een eenheid gelezen in de avondmaalsdienst. Zo wilde het gehoord en beleefd worden. Sinds enkele decennia is het echter in veel gemeenten in tweeën geknipt. Een tweedeling die ertoe kan leiden dat je een week lang op jezelf teruggeworpen wordt in plaats van op Christus. Dr. Van den Heuvel ziet het graag anders en dat verdient serieuze overweging.
De klassieke formulieren bewaren (het geloof van) de gemeente bij de inhoud en de betekenis van de sacramenten. Dat was ook precies de bedoeling van de formulieren: de inhoud van het sacrament aan de gemeente verduidelijken. Daar doet zich echter een geweldig probleem voor. Want de klassieke formulieren hebben vandaag de dag niet meer dezelfde uitwerking. Niet alleen door de lengte (die niet meer van deze tijd is), maar ook door het verouderde taalgebruik (lange zinnen, herhalingen). Ik durf zelfs de stelling te verdedigen dat ze het omgekeerde bereiken van wat ze oorspronkelijk beoogden: de formulieren willen aan de gemeente uitleggen waar het in het sacrament om gaat; maar nu moet ik aan de gemeente uitleggen waar het in het formulier om gaat.
Dat is het paard achter de wagen! De klassieke formulieren (hoe prachtig en rijk van inhoud ze ook zijn) zijn een sta-in-de-weg geworden voor het verstaan van de sacramenten. Daarom pleit ik ervoor vrijmoediger te putten uit wat de kerk ons hierin heeft te bieden. Hetzij een van de kortere formulieren uit het hervormde dienstboek (1956). Of de orde uit het nieuwe Dienstboek (1998), die teruggaat op het avondmaalsformulier van Calvijn. We hebben dringend behoefte aan teksten die kort en krachtig verwoorden waar het om gaat. Juist om de (rijke) traditie vruchtbaar te maken voor deze tijd, moeten we de traditionele vormen waarin die verwoord is, durven te vervangen door eigentijdse formuleringen. Als we dat niet doen, glijden we af naar een situatie waarin voorgangers improviserend gaan vertellen wat zij belangrijk vinden en wat hen aanspreekt. Als we ons zo uitleveren aan het subjectivisme zijn we nog verder van huis!
G. van Meijeren
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's