GLOBAAL BEKEKEN
Uit de biografie van Pieter Jelles Troelstra, Politicus uit hartstocht (uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam) nog een keer een citaat, nu over goede manieren in de Tweede Kamer:
De Tweede Kamer waarin Pieter Jelles Troelstra op 24 september 1897 binnentrad was een deftig gezelschap. De helft van de honderd Kamerleden was afkomstig uit de adel (16 procent) of het patriciaat (34 procent). Ook de academische wereld was goed vertegenwoordigd: meer dan de helft was universitair opgeleid, tien leden hadden een doctorsgraad. De meeste academici waren jurist, al zaten er ook enkele theologen in de Kamerbankjes. Hoewel niet gezegend met een adellijke afkomst of dubbele naam kon de jurist Troelstra redelijk voor de dag komen met zijn doctorsgraad. Naast hem zat de niet onbemiddelde ingenieur Henri van Kol.
De historicus Johan Huizinga karakteriseerde de parlementen in Europa in de tweede helft van de 19de eeuw als ‘een zekere elite, of zij nu gebaseerd was op rijkdom, geboorte of intellect’. De meeste volksvertegenwoordigers brachten ‘van huis uit goede manieren mee [en] waren gewoon zich behoorlijk en zelfs vormelijk te gedragen’. Zo werd ‘het spel van volksvertegenwoordiging met een aanzienlijke mate van ernst, wellevendheid en waardigheid gespeeld’.
Toch kreeg het debat geleidelijk een ander karakter door de komst van antirevolutionaire dominees, katholieke priesters en socialistische wereldverbeteraars van wie de eerste – Domela Nieuwenhuis – trouwens ook dominee was geweest. ‘Het is dezelfde vergadering niet meer’, schreef Frank van der Goes in De Nieuwe Gids van 1895. ‘Men gevoelt dat de oude vormen barsten wegens de nieuwe inhoud. […] De tijd van spreken is voorbij; er worden nog redevoeringen uitgesproken maar zij zijn bestemd […] om te werken op de menigte buiten het parlement. […]’
In de zogenaamde informatienota van de kleine synode staat een samenvatting in dertien punten van een lezing die dr. A.J. Plaisier in Zoetermeer hield, onder de titel ‘Begaanbare wegen’. Hier volgt een passage.
‘Mensen van de weg.’ Dat is de weg van Jezus Christus. Christenen zijn mensen die een weg volgen. Die op de weg van Jezus gaan. Zo staat het in het boek Handelingen. Zo vinden we het ook in het evangelie. Jezus vroeg mensen om Hem te volgen. Zij gingen de weg van de navolging. Bij Paulus is het niet veel anders. Hij kwam Jezus onderweg tegen, op zijn weg van dood en verderf, en leerde toen een andere weg te volgen. Hij werd letterlijk en figuurlijk op een andere weg geplaatst. Hij vergeleek christen-zijn met het aflopen van een renbaan: je moet niet omkijken, maar voor je uit, om je doel te bereiken. Die weg is geen snelweg. We leven in een wereld waarin afstanden klein zijn geworden. We hoppen over de wereld. De weg van Jezus is een langzame weg. Het is een weg waarop je stap na stap doet. Langzaam, omdat je het niet zomaar onder de knie krijgt. Het is een gevecht: tegen jezelf, tegen aanvechtingen, tegen onverschilligheid. Met grote stappen zijn we gauw thuis, maar dit is een langzame weg. Je gaat die weg soms met pijn en moeite, soms heb je er ook moeite mee. Het is ook niet altijd even duidelijk wat nu precies de weg is. Het komt daarom vaak op volhouden aan. In theorie ben je snel bij je doel, maar in de praktijk van het leven gaat het anders. Het is veel moeilijker om dagelijks ‘te sterven en op te staan’, dan om even wat grote woorden te spreken.
Het is geen winkelstraat, waar je shopt. Een snufje spiritualiteit hier, een snufje daar, net wat je nodig hebt, net waar je je lekker bij voelt. Je bent geen klant, die zich laat bedienen, en de kerk is geen servicebureau dat zijn klanten tevreden houdt. Als dat geloven wordt, dan verplicht het tot niets. Maar als je nu met je rug tegen de muur gezet wordt en men vraagt je, spreek je uit, (in kerkelijke taal hebben we het dan over ‘belijden’, ‘getuigen’.), dan komt het er echt op aan. (…) Omgekeerd, de kerk moet zich niet gaan gedragen als een shop, als een zelfbedieningszaak, waar je maar uitstalt wat de klant behaagt. Ik hoop wel op een eigentijdse kerk, een kerk die iets te bieden heeft. De kerk heeft het evangelie te bieden, maar dan hopelijk wel op een manier die ook een nieuwe generatie aanspreekt. Maar dat is wat anders dan een religieuze supermarkt worden. Dat vind ik de kerk onwaardig. De kerk is wel op de beurs, maar de kerk is zelf geen beurs.
v.d.G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's