Het derde testament
V oor jongeren verscheen onlangs een boekje met de titel Gereformeerd? Ik? (uitg. HGJB/Boekencentrum). De teneur ervan is dat jongeren vaak gereformeerder zijn dan ze denken. En wie gereformeerd associeert met star en stijf heeft het ook al mis. In april organiseerde de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) de jeugdwerkconferentie ‘Up2date gereformeerd’, over de waarde van de gereformeerde traditie voor het jeugdwerk. Blijkbaar zit het thema in de lucht. Niet alleen als een reactie op de grote invloed van de evangelische beweging op jongeren maar ook breder. Het besef breekt steeds sterker door dat kinderen en jongeren recht hebben op leiding en dat (gereformeerde) geloofsoverdracht niet vanzelf gaat.
In Generator, het nieuwe HGJBtijdschrift voor iedereen die in de gemeente met of voor jongeren werkt, staat een openhartig gesprek van Diane Palm met ds. J. Maasland. Hij is voor de lezers van deze rubriek geen onbekende. Hoe kijkt een seniorpredikant aan tegen de betekenis van de gemeente als plek voor kinderen en jongeren?
Waar is het geloof in de kerk voor u op gebaseerd?
‘Dat is gebaseerd op de liefde van God die uitgaat naar de wereld. Kijk, ik leef omdat ik uit de liefdesrelatie van mijn ouders geboren ben. Daarmee valt ook de functie van de christelijke gemeente te vergelijken. Binnen haar ben ik opnieuw geboren, in geestelijke zin, en zo heb ik God als mijn Vader leren kennen. Ik heb die ‘moedergemeente’ dus nodig om God als mijn Vader te leren kennen. (…)
Alleen ‘samen’ kun je iets begrijpen van de liefde van God. Als de christelijke gemeente er niet was, dan zou ik geestelijk niet leven.’
Dat zijn grote woorden… ‘Inderdaad, dat zijn heel grote woorden, want vervolgens vraag je je ook af waarom dit geloof in de kerk zo vaak wordt aangevochten. Aan het einde van m’n actieve dienst als gemeentepredikant kon ik Paulus goed begrijpen: ‘Ik heb de loop beëindigd en het geloof behouden!’ Want je maakt ook veel teleurstellingen mee, juist in relaties met mensen, met wie je tot dat ene gezin van Gods gemeente behoort.’ (…)
Ds. Maasland ziet in de gemeenten nog steeds groepen jongeren die zich willen inzetten. Voor hem het teken dat God doorgaat met Zijn werk, door de generaties heen. Tegelijk ziet hij jongeren vrijwel geruisloos uit de gemeente verdwijnen. Doopleden die rond hun achttiende niet meer naar de catechese komen en na hun twintigste zie je ze vaak helemaal niet meer. Er is niemand die zegt: ‘Joh, hoe zit dat eigenlijk? ’
Wat is volgens u dan de reden, dat zo’n grote groep jongeren afhaakt? Omdat ze de relevantie van het christelijk geloof niet zien of omdat die relevantie in de christelijke gemeente niet wordt geproefd?
‘Beide, denk ik. Een meisje zei eens tegen haar ouders: ‘Ik heb nooit gemerkt dat het geloof iets is waar jullie blij van worden, waar je leven vrolijker van wordt. En ik heb ontdekt dat er in de wereld heel veel dingen zijn waar je wel vrolijk van wordt. Daar heb ik dus voor gekozen.’ Een jongen zei tegen mij: ‘Ik heb bij mijn ouders alleen maar gemerkt dat het leven er lastiger op wordt als je gelooft. Ze vroegen zich steeds af: ‘Ben ik wel bekeerd? ’ Als het avondmaal was, dan waren ze de hele week in de war en op de avondmaalszondag zelf waren ze bedroefd dat ze niet konden aangaan. Geloven, dat is gedoe! En daarom hoeft het van mij niet. Ik heb geen zin in gedoe.’
De andere kant is ook dat het ons als gemeente vaak niet lukt om de relevantie van het christelijke geloof over te dragen. Om te laten zien dat het werkelijk van belang is te geloven en dat je leven er gelukkiger van wordt. Veel geloofsbegrippen zijn ‘loos’ geworden, dat heb ik ook wel gemerkt in al die jaren van catechese.’ (…)
In hoeverre sluit de gemeente aan bij de vragen en behoeften die jongeren hebben als het om geloven gaat?
‘Kinderen en jongeren zijn heel gevoelig voor sfeer, voor warmte, voor iets wat met hun gevoelsleven te maken heeft. Ze voelen onmiddellijk aan: dit is echt. Ik herinner me zelf als jong ventje dat er bij ons thuis een man zat te vertellen hoe gelukkig hij was met God. Hij straalde helemaal uit wat hij erin gevonden had. Toen ben ik als kind huilend naar boven gegaan, op m’n knieën gevallen en gezegd: ‘Heere God, wilt U mij dit ook geven? ’ Ik weet ook nog goed van een avondmaalszondag waarop ik als kind merkte dat er vrede aan de tafel heerste. Toen zei ik tegen m’n moeder: ‘Dat is heerlijk, mama!’ Kinderen voelen haarscherp: dit is feest, dit is iets van de hemel. Maar is dat gevoel er wel in onze soort gemeenten? Ik merk vaak sleur. Er heerst een burgerlijke sfeer van nette mensen met nette kleren aan, strak en stil in de bank. Het is allemaal zo stijfjes. Jongeren van nu zijn dat niet meer gewend; die staan in de vrijheid, doen wat ze zelf vinden. Dat wringt met de sfeer die heerst in de gemeente.’
Toch kan zelfs het sacrale, het gewijde hen aanspreken, als ze maar merken: hier gaat het echt over God en over mij. ‘Ja precies, het moet om de inhoud gaan. Daar moet iets van openbaar komen. De dominee mag op de preekstoel volgens mij ook best laten merken dat de boodschap door hem héén is gegaan. Dat je als predikant beseft: maar dit mag ik zelf dus ook geloven! Je leest geen akte voor, of een keurig uitgewerkte preek die exegetisch aan alle kanten klopt en in mooie taal is gegoten. Ik merk dat gemeenteleden het waarderen als je als dominee dat strakke togajasje eens openslaat en in je hart laat kijken.’ (…)
Maar hoe zou u de generatie die nu opkomt, die heel kritisch is geworden over het functioneren van de gemeente en hun eigen gemeenschap samenstelt,
kunnen laten ontdekken dat de gemeente een plek is waar ze door God geplaatst is en waar God haar gebruiken wil? ‘Mijn zoon zegt altijd: ‘In de kerk word je van jongs af aan meestal opgeleid tot een bankzitter en niet tot een basisspeler.’ Vanaf het allereerste begin moeten we kinderen leren dat ze een basisspeler zijn van God in de gemeente en in de wereld. Kijk, er zijn gemeenten waar ze op zondag een kinderlied zingen. Daarvan kun je zeggen: ‘Ja, dat is maar een lied’, maar toch. Je doet elke dienst iets specifieks voor hen. Je laat de kinderen in de kerk voelen: wij weten wel dat jullie hier zitten! Op deze manier ontdekken kinderen: we horen erbij en hoeven ons niet stierlijk te vervelen.’ (…)
Waar droomt u van?
‘Dat de mentaliteit in onze gemeenten verandert. Die mentaliteit die de werking van de Geest blokkeert. De angst moet eruit, zodat de Geest door onze verstopte kanalen kan komen. Ik zie uit naar predikanten die als open mens te werk gaan. Naar innerlijk bevrijde mensen die vanuit de vrijheid van Gods Geest leven en gebonden aan hun Zender durven te zeggen wat er gezegd moet worden en te handelen zoals er gehandeld moet worden. Maar ook naar gemeenteleden die getuigen van wie God is, die vertellen over wie zij geworden zijn door het Evangelie. Zulke mensen trekken de gemeente open. Dan kan er geestelijk gezien ook wat gebeuren.’
Tijdens de conferentie ‘Up2date gereformeerd’ benadrukte mevrouw Els van Dijk, directeur van de Evangelische Hogeschool, eveneens de richtinggevende rol van de volwassenen in het voorgaan van jongeren. Een citaat uit het verslag in De Reformatie:
Jongeren kunnen niet de architect van hun eigen leven zijn. Zij hebben volwassenen nodig die levenswijsheid overdragen. Er zijn maar weinig plekken meer waar daarvoor gelegenheid is. Te vaak wordt het overdragen van wijsheid versmald tot via Google informatie zoeken op internet. In onze maatschappij is de kerk nagenoeg de enige plek waar verschillende generaties elkaar ontmoeten. (…)
Wij moeten de verhalen vertellen van ons leven met God. We moeten vertellen wat God doet in onze ziel, of is onze eigen verbinding met God niet groter dan de zondagse pepermunt? Wij moeten jongeren weer leren verlangen, inspirerende mensen voor hen zijn. (…) Opvoeden is geen emmer vullen, maar een vuur ontsteken.
Zowel ds. Maasland als Van Dijk wijst op het doorleefde getuigenis dat – niet alleen voor jongeren – zo belangrijk is. Een collega noemde dat onlangs heel mooi ‘het derde testament’. Vanuit het Oude en Nieuwe Testament gaat het om het persoonlijke getuigenis van de hoop die in je is. Als derde testament. Nee, makkelijk is dat meestal niet om woorden te geven aan de omgang met God. En het zijn vaak (letterlijk) gegeven momenten. Maar de Pinkstergeest drijft de vrees uit. Hij is een Geest van kracht, liefde en bezonnenheid (2Tim.1:7).
G. van Meijeren
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's