Het voorrecht van vrijheid
D e eerste dag van deze week heette de Zondag voor de Vervolgde Kerk, waarop aandacht werd gevraagd voor onze zusters en broeders die worden verdrukt. Maar wat betekent het te leven onder een totalitair regime? Dat wordt in de volgende twee persoonlijke verhalen invoelbaar gemaakt.
In De Groene Amsterdammer (13 mei) verscheen een onthullende voorpublicatie uit het boek Hand in hand in het donker van de Amerikaanse journaliste Barbara Demick. Zij vertelt het verhaal van de Noord- Koreaanse mevrouw Song Heesuk, een toegewijde aanhanger van de grote leider Kim Il-sung, de vader van de huidige machthebber Kim Jong-il.
De vader van mevrouw Song komt in de Koreaanse oorlog om bij een Amerikaans bombardement. Hierdoor wordt zij het kind van een ‘martelaar van de Vrijheidsoorlog van het Vaderland’. En zij trouwt vervolgens met Chang-bo, een belangrijke functionaris van de partij. Song ontwikkelt zich steeds meer tot een van Kim Il-sungs ‘betere mensen’. Barbara Demick beschrijft hoe het er in Noord- Korea aan toe gaat onder zijn bewind en dat van zijn zoon.
Wat Kim ll-sung onderscheidde van andere misdadige dictators uit de twintigste eeuw, was zijn vermogen om de kracht van het geloof te gebruiken. Toen hij aan de macht kwam, liet hij de kerken sluiten, verbood hij de bijbel, deporteerde hij gelovigen naar afgelegen gebieden en gebruikte hij christelijke beeldspraak en leerstellingen om zichzelf te propageren. Nieuwslezers spraken met verstikte stem over Kim Il-sung en Kim Jong-il, op dezelfde manier als pinksterpredikanten. In Noord-Koreaanse kranten stonden verhalen over bovennatuurlijke verschijnselen. Er werd beweerd dat stormachtige zeeën tot bedaren kwamen toen zeelui op een zinkend schip liederen zongen waarmee ze Kim Il-sung loofden. Toen Kim Jong-il naar de dmz, de gedemilitariseerde zone ging, daalde er een mysterieuze mist neer die hem beschermde tegen Zuid-Koreaanse sluipschutters. Hij liet bomen bloeien en sneeuw smelten. Als Kim Il-sung God was, dan was Kim Jong-il de zoon van God. Net als bij Jezus Christus werd beweerd dat de geboorte van Kim Jong-il was aangekondigd door een stralende ster, en ook door de verschijning van een prachtige dubbele regenboog.
Bij mevrouw Song thuis hing, zoals in alle huizen, een ingelijst portret van Kim ll-sung op een verder lege muur. Het was mensen niet toegestaan iets anders aan die muur te hangen, zelfs geen foto’s van hun eigen bloedverwanten. Kim Il-sung was alle familie die je nodig had. De Arbeiderspartij distribueerde de portretten gratis, samen met een witte doek die in een doos onder de portretten kon worden opgeborgen. De doek mocht alleen worden gebruikt om de portretten mee schoon te maken.
Ongeveer één keer per maand kwamen er inspecteurs van de Politie voor de Handhaving van Publieke Normen langs om te controleren of de portretten schoon waren. Mevrouw Song had de dreiging van inspecties niet nodig om haar portretten te onderhouden. Ze probeerde te leven in overeenstemming met de leerstellingen van Kim Il-sung.
Op een dag komt haar echtgenoot Chang-bo in aanraking met de politie. Samen met zijn vrouw keek hij naar de televisie. Het gezin van mevrouw Song was een van de weinige die over een eigen toestel beschikten. In 1989 kostte een tv zo’n 175 dollar (drie maandsalarissen).
Mevrouw Song en haar man waren trots op hun televisie. Meestal lieten ze de deur van hun appartement openstaan wanneer het toestel aanstond zodat de buren binnen konden komen om mee te kijken. Het programma waardoor Chang-bo in moeilijkheden kwam, was een onschuldige rapportage over een schoenenfabriek die rubberlaarzen produceerde voor het regenseizoen. Er werden arbeiders getoond die gemotiveerd en efficiënt aan een lopende band stonden te werken, waar de laarzen met duizenden tegelijk van afkwamen. ‘Ha. Als er zo veel laarzen zijn, hoe komt het dan dat mijn kinderen nooit een paar hebben gekregen? ’ lachte Chang-bo hardop. Mevrouw Song is er nooit achter gekomen wie van de buren hen heeft verraden. (…) Afgaand op de verhalen van vluchtelingen is er minimaal één informant op elke vijftig mensen – meer dan de beruchte Oost-Duitse Stasi er had. (…)
Het verhoor van Chang-bo duurde drie dagen. Uiteindelijk besloot de politieke politie hem niet verder te vervolgen en hem zonder aanklacht wij te laten. Toen hij weer thuiskwam, kreeg hij een hevige uitbrander van zijn vrouw te verduren, die bijna nog zwaarder was dan het verhoor. Het ging mevrouw Song er niet alleen om dat haar man oneerbiedig was geweest jegens de regering; voor het eerst in haar leven had ze echte angst gevoeld.
Ook de Rus Aleksandr Ogorodnikov (1950) weet uit ervaring wat het betekent op te groeien in onvrijheid. In CV.Koers (mei) staat een interview met hem naar aanleiding van een boek over zijn leven.
Ogorodnikov groeit op in een atheïstisch gezin en ontwikkelt zich tot een fanatieke communist. Hij organiseert onder andere acties om jongeren de toegang tot de kerk te ontzeggen.
Pas als hij gaat werken in een fabriek en later hoofd wordt van de gemeentelijke sportafdeling, begint de absurditeit van het Sovjetsysteem tot hem door te dringen. ‘De realiteit maakte mij stap voor stap duidelijk dat het communisme gestoeld was op een vals idee. De ideologie was gebouwd op de onderdrukking van mensen, het had geen positieve idealen’, vertelt Ogorodnikov. Het af-
zweren van het communisme waar hij eerder zo fel voor streed, bracht hem echter in een identiteitscrisis. De ideologie werd ons toegediend, je kreeg het gevoerd als moedermelk. Het wegvallen daarvan was dus existentieel; mijn wereldbeeld, mijn leven stortte ermee in.’ In zijn zoektocht naar zin belandt hij uiteindelijk op de filmacademie in Moskou, waar hij boeken van Boris Pasternak en Fjodor Dostojevski in handen krijgt. Die brengen hem op een spoor van godsbesef, vertelt hij. Wanneer hij met medestudenten in het geheim de film Il vangelo secondo Matteo kijkt, een verfilming van het Matteüsevangelie, maakt dat diepe indruk. ‘Die film bracht me van een abstract godsidee naar de levende Christus.’
Ogorodnikov gaat geheime gespreksgroepen organiseren die leiden tot de oprichting van een christelijk seminarie. In 1978 wordt hij gearresteerd op verdenking van een ‘parasitaire levenswijze’. Omdat hij een aanbod tot vrijlating in ruil voor het herroepen van zijn verleden weigert, wordt hij veroordeeld tot zes jaar strikt regime en vijf jaar interne verbanning.
Na zijn straf te hebben uitgezeten wordt Ogorodnikov politiek actief om zich vervolgens voornamelijk op humanitaire projecten te gaan toeleggen. Het einde van het communisme brengt hem weliswaar verlichting, maar tot op de dag van vandaag wordt hij in de gaten gehouden en zijn leven bemoeilijkt.
Over zijn levensverhaal heeft Peter van Klinken een gesprek met Ogorodnikov.
Uw leven lijkt wel gespeend van twijfel. Hebt u nooit gedacht uw strijd op te geven?
‘Jawel, er is wel twijfel geweest. Gedurende mijn jaren in de Goelag (de beruchte strafkampen, GvM) waren er heel moeilijke momenten. Vooral de gedachte dat het voor altijd zou kunnen zijn was heel zwaar. Er was geen enkele hoop dat ik nog vrij zou komen. De cel was een soort graf, er was heel weinig daglicht, alleen maar een kleine opening in het plafond. Contact met de buitenwereld was er niet. Er waren maanden dat ik niet sprak omdat ik totaal geïsoleerd was. Daarmee wilden ze me breken: in een ideologische oorlog is het woord het wapen.’ (…)
Hebt u de mensen die u hebben verdrukt en gemarteld vergeven?
‘Ja, absoluut. Ik heb ze allemaal vergeven. Toen ik in 1992 een stapel papieren en documenten terugkreeg, heeft de geheime dienst mij verteld dat ze regelmatig bewakers en ondervragers moesten vervangen omdat die merkten dat ik vergevingsgezind tegenover iedereen was. Daardoor kregen ze gewetensbezwaren en moest de KGB hen vervangen.’
U zei eens dat het een voorrecht is om te lijden en zelfs dat geloven geen zin heeft zonder te lijden. Heeft het dan nog zin om nu te geloven?
‘De rol van martelaar is heel belangrijk in het geloof. Daar hoeft niet per se een verschrikkelijke omstandigheid voor te zijn, je hoeft daarvoor niet in een kamp te zitten, maar je kiest een bepaalde weg en blijft die volgen. Ik geef af en toe lezingen voor protestantse kerken in de Verenigde Staten en als ik daar spreek, merk ik dat mensen deze rol zijn vergeten, dat het naar de achtergrond is verdwenen.’
Hoe kun je tegenwoordig dan nog martelaar zijn?
‘Ik zie een aantal voorbeelden in het Westen waarbij het echt gevaarlijk wordt om martelaar te zijn: een priester die in zijn preek zei dat homoseksualiteit een zonde is, heeft bijvoorbeeld opsluiting gekregen. Of vrouwelijke bedienden die een kruisje dragen en dat niet mogen doen. Ik zie in het Westen een tendens van het verbannen van de religie uit het openbare leven. In die zin zijn we allemaal martelaren.’
We staan aan de vooravond van de Tweede Kamerverkiezingen; een gebeurtenis die ons nog op een andere manier bepaalt bij het voorrecht vrij te zijn. De verhalen van mevrouw Song en Aleksandr Ogorodnikov stellen ons de vraag wat we met onze vrijheid doen.
G. van Meijeren
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's