BOEKBESPREKING
Woordherhaling in 1 Samuël niet zonder betekenis
Dr. Henk Post In strijd met de roeping der vrouw. De Staatkundig Gereformeerde Partij en het vrouwenkiesrecht. Uitg. Groen, Heerenveen; 400 blz; € 24, 50Ds. Marius Noorloos Leven uit de Bron. Via geloofsopbouw naar gemeenteopbouw Uitg. Kok, Kampen; 195 blz.; € 17, 50.In de Bijbel worden woorden vaak herhaald. Dat is niet toevallig. De herhaling van het woord prikkelt de herinnering aan de vorige keer dat we het woord lazen. Zo komt een verband tussen de tekst die je nu leest en die je eerder las.
Dr. Henk Post In strijd met de roeping der vrouw. De Staatkundig Gereformeerde Partij en het vrouwenkiesrecht. Uitg. Groen, Heerenveen; 400 blz; € 24, 50
In het voorjaar van 2009 promoveerde dr. H. Post voor de derde keer, nu op een studie over het vrouwenkiesrecht bij de SGP. Ruim een jaar later is de handelseditie van het proefschrift verschenen. Alvorens de auteur aan het eigenlijke thema toe is, geeft hij uitvoerig aandacht
aan de kiesrechtstrijd in de jaren tussen 1870 en 1919. Het ging om algemeen kiesrecht, dat door Kuyper met zijn ARP nog werd ingevuld als ‘huismanskiesrecht’: de man als hoofd van het gezin kwam het kiesrecht toe. Toen het algemeen kiesrecht was
ingevoerd, duurde het nog veertien jaar voordat de ARP formeel goedkeurde dat ook de vrouw mocht stemmen. En pas in 1953 was de ARP bereid het passieve kiesrecht voor de vrouw te aanvaarden en vrouwen te kandideren. In dit hoofdstuk zegt Post ook dat de socialist P.J. Troelstra zich in de strijd om het algemeen kiesrecht ontpopte als ‘een eerste-klas propagandist’. Recent noteerde ik overigens uit de biografie over Troelstra van Piet Hagen dat Troelstra streed voor het algemeen kiesrecht, maar intussen opmerkte dat hij zich wel een keer zou moeten bedenken als dat ook voor vrouwen zou gelden.
Uitvoerig laat de auteur de geschiedenis van het kiesrecht voor het voetlicht komen, met aandacht voor de verschillende politieke stromingen, tegen de achtergrond ook van theologisch gefundeerde principia in christelijke kring. De vervolghoofdstukken hebben als titel ‘Verzet opgegeven en gehandhaafd 1920-1966’ en ‘Voortgaande emancipatie van de vrouw 1967-1989’.
De SGP komt prominent in beeld in het hoofdstuk over ‘voortgaande emancipatie’. Daarna volgen hoofdstukken ‘Strijd om de vrouw in de SGP 1990-1996’ en ‘De vrouw toegelaten tot de SGP 1997-2008’. De partij was jarenlang tegen het actieve kiesrecht voor de vrouw, maar in toenemende mate gingen vrouwen stemmen en werd dat standpunt prijsgegeven, overigens pas in 1989.
Onder ds. H.G. Abma als voorzitter profileerden zich twee vleugels, de ene door de auteur omschreven als ‘revolutionaire’ rechterflank. Er ging zich een strijd voltrekken over het lidmaatschap van de vrouw, met mevrouw R. Grabijn-van Putten als prominente voorvechter voor dat lidmaatschap. Zij was in 1984 toegelaten als lid van de Haagse kiesvereniging van de SGP. Minutieus volgt Post de ontwikkelingen op de voet, die uiteindelijk uitlopen op toelating van de vrouw als lid in 2006, met als argument dat een politieke partij ‘tot het private en niet tot het publieke domein behoorde, zoals daarvoor de mening was’. Maar uiteindelijk komt nu de SGP met afwijzing van het passieve kiesrecht van de vrouw meer en meer in een isolement, terwijl zich bovendien een tweedeling op dit punt binnen de partij voltrekt.
Al lezend werd ik er nog weer aan herinnerd hoe ik het vrouwenstandpunt van de SGP niet deel(de). In 1993, toen in de SGP nog weer eens was besloten geen vrouw als lid toe te laten, schreef ik in het RD dat bijbelteksten waarop de SGP zich beriep, uitsluitend betrekking hadden op de vrouw in het kerkelijke ambt. Ds. C. Blenk, K. Bokma (toen directeur van het RD), de christelijke gereformeerde ds. J. Westerink en ondergetekende schreven toen een Open Brief aan de besturen van SGP, GPV en RPF over onenigheid tussen die partijen wat betreft een gezamenlijke lijst bij de Europese verkiezingen. Post schrijft: ‘Zij wilden er geen enkele onduidelijkheid over laten bestaan dat zij van oordeel waren dat politieke betrokkenheid van de vrouw niet strijdig was met “Schrift en belijdenis”, waarbij zij doelden op de bijbel en de daarvan afgeleide gereformeerde geloofsbelijdenis.’ Het was een prestigekwestie geworden.
Post sluit zijn boek af met de vraag hoe het de SGP verder zal gaan. Hij wijst erop dat standpuntwijzigingen (vrouwenkiesrecht en lidmaatschap) tot stand kwamen onder druk van de seculiere samenleving, ontwikkelingen in andere partijen, rechterlijke uitspraken (over subsidiëring) en overheidsbeleid.
Met het besluit om vrouwen het lidmaatschap van de partij toe te kennen toont de SGP naar zijn oordeel echter aan ‘dat zij wil moderniseren, maar in haar eigen tempo’. Ontwikkelingen in de achterban, vooruitstrevend of behoudend, zullen ook bepalend zijn voor de toekomst.
Uiteraard kon de auteur nog geen aandacht geven aan de uitspraak van de Hoge Raad waarmee de SGP gedwongen dreigt te worden vrouwen te kandideren bij verkiezingen.
Afgezien van het kwalijke van deze uitspraak, waarmee immers verenigingen en partijen het recht dreigt te worden ontnomen om een eigen invulling te geven aan hun principia, zou deze uitspraak ook remmend kunnen werken op de bezinning binnen de SGP zelf.
De partij weet zich momenteel (hoe lang? ) enerzijds immers verzekerd van een zekere underdogpositie met sympathieën van ongedachte zijde, terwijl anderzijds de mogelijkheid dreigt van het rechten van de rug, vanwege deze uitspraak. Dan wordt het opnieuw een prestigekwestie.
Post zegt ter afronding dat de ‘theologischideologische, sociaal-culturele en politiekjuridische factoren’ nauw met elkaar verweven zijn en elkaar versterken in het proces van standpuntontwikkeling. Het theologische aspect moet dan naar mijn oordeel wel eerst tot een goed einde worden gebracht.
Als het gaat over de publieke aanvallen op het vrouwenstandpunt wordt al te gemakkelijk gezegd dat een beroep op de Schrift niet meer mag. Hoe valide is hier het Schriftberoep?
De auteur heeft met dit proefschrift de literatuur over religie en politiek binnen de gereformeerde gezindte verrijkt, toegespitst op het hot item van de positie van de vrouw in het publieke domein. De literatuur die is aangeboord maakt het boek tot een nuttig naslagwerk.
Rest te vermelden dat het boek fraai is uitgegeven, in gebonden uitvoering. Op de cover prijkt (veelzeggend) de afbeelding van een ets van Gustav Doré uit 1865 over de profetes Debora.
J. van der Graaf, Huizen
Ds. Marius Noorloos Leven uit de Bron. Via geloofsopbouw naar gemeenteopbouw Uitg. Kok, Kampen; 195 blz.; € 17, 50.
Dit inmiddels in brede kring bekende boek van de enthousiaste ‘gemeenteopbouwer’ ds. Marius Noorloos is in een nieuwe, herziene editie op de markt gekomen. Het boek biedt een concrete
handreiking voor geloofsbezinning, die uitmondt in een plan voor gemeenteopbouw. Vele kerkenraden zijn er met vreugde en vrucht mee aan de slag geweest en ook deze editie zal zijn weg wel vinden.
Ds. Noorloos wil ons meenemen op een weg van ABC
naar CBA. Dat wil zeggen: eerst Communicatie, dan Bezinning en ten slotte Activiteit, en niet de omgekeerde volgorde ABC, die vaak in de praktijk wordt gehanteerd. Het hart van de zaak is een zaak van het hart, zo zegt de auteur het zijn leermeester J. Firet na. Het gaat in de gemeente allereerst om het hart hebben voor de Heer, dan voor elkaar als volgelingen van de Heer en ten slotte voor het werk van de Heer in en voor de wereld.
De helft van het boek bestaat uit bijlagen, ondermeer over het visiedocument van de Protestantse Kerk, Leren leven van verwondering, gidsen voor groothuisbezoek, als gezin de weg van God gaan, bruggen bouwen naar de buitenwereld, constructief omgaan met onderlinge verschillen en geschillen, enzovoort.
Al met al is het een zeer praktisch boek dat toch nergens pragmatisch wordt, maar de principiële lijn vasthoudt. De hartversterking vanuit het samen luisteren naar het Woord en het voeren van geloofsgesprekken, zet de toon die de muziek van verantwoorde gemeenteopbouw maakt.
J. Hoek, Veenendaal
In de Bijbel worden woorden vaak herhaald. Dat is niet toevallig. De herhaling van het woord prikkelt de herinnering aan de vorige keer dat we het woord lazen. Zo komt een verband tussen de tekst die je nu leest en die je eerder las.
W oordherhaling kan voorkomen in hetzelfde vers, tussen twee verzen en zelfs na meerdere verzen. Ook kan het woord hoofdstukken later weer opduiken en kunnen woorden zelfs verbanden leggen tussen bijbelboeken. De woordherhaling heeft verschillende functies in de tekst. Ik noem er een aantal.
Ketens
De woordherhaling kan de functie hebben om een tekst aaneen te rijgen als kralen aan een ketting. In 1 Samuël 1:3-9 vinden we het volgende patroon: vers 3 is met 4 door ‘offeren’ verbonden. Vers 4 is met 5 door ‘deel’ verbonden. Vers 5 is met 6 door ‘baarmoeder’ verbonden. Vers 6 is met 7 door ‘tergen’ verbonden. Vers 7 met 8 door ‘wenen’. Vers 8 met 9 door ‘eten’.
3 Deze man nu ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren de HEERE der heirscharen te Silo; en aldaar waren priesters des HEEREN, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli. 4 En het geschiedde op dien dag, als Elkana offerde, zo gaf hij aan Peninna, zijn huisvrouw, en aan al haar zonen en haar dochteren, delen. 5 Maar aan Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij had Hanna lief; doch de HEERE had haar baarmoeder toegesloten. 6 En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat de HEERE haar baarmoe-der toegesloten had. 7 En alzo deed hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het huis des HEEREN, zo tergde zij haar alzo; daarom weende zij en at niet. 8 Toen zeide Elkana, haar man: Hanna, waarom weent gij, en waarom eet gij niet, en waarom is uw hart kwalijk gesteld? Ben ik u niet beter dan tien zonen? 9 Toen stond Hanna op, nadat hij gegeten en nadat hij gedronken had te Silo.
Er zijn nog meer woorden die zich herhalen in dit stukje tekst, maar het gaat nu om het verschijnsel van de ketenvorming.
Nadruk
Door woordherhaling kan een zaak of persoon nadruk krijgen, waardoor deze kleur en betekenis krijgt. Zo lezen we in 1 Samuël 1:11, in het gebed van Hanna driemaal het woord ‘Uw dienstmaagd’, om aan te geven hoezeer Hanna zich verootmoedigt. En zij beloofde een gelofte en zeide: HEERE der heirscharen, zo Gij eenmaal de ellende Uwer dienstmaagd aanziet, en mijner gedenkt, en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat de HEERE geven al de dagen zijns levens en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen. Een parallel van deze vernedering vinden we in 1 Samuël 25:24-31, waar Abigaïl zich verootmoedigt voor David en zichzelf vijfmaal ‘Uw dienstmaagd’ noemt.
Persoon schilderen
Ook kunnen namen herhaald worden om een persoon te schilderen. In 1 Samuël 1:9-17 lezen we over Eli, onder andere hoe hij waarneemt, denkt en spreekt. 1. Eli zit bij een deurpost van de tempel in vers 9. 2. Hij ziet in vers 12 de mond van Hanna bewegen. 3. In vers 13 wordt duidelijk dat Eli denkt dat ze dronken zal zijn. 4. Geïrriteerd barst hij uit tegen Hanna in vers 14. De heftige reactie die Eli hier heeft, wordt begrijpelijk als in 1 Samuël 2:12-25 meer wordt verteld over de wantoestanden in het huis van God en de machteloosheid van Eli daarin. Op een bijzondere wijze krijgen we zicht op nuances in het karakter van Eli. 5. Na Hanna’s reactie reageert Eli in vers 17 liefdevol, gunnend en ambtelijk.
Begin en eind
Woordherhaling is vaak het instrument waarmee de bijbelse auteur zijn tekst afbakent. In 1 Samuël 20-28 is het begin en het einde van het tekstgedeelte aangegeven door de herhaling van de woorden ‘HEERE’ en ‘gebeden’. We vinden deze twee woorden zowel in vers 20 als in vers 28. In mijn Bijbel staat er boven het tekstgedeelte: ‘Geboorte van Samuël’, maar er had dus ook boven kunnen staan: ‘Van de HEERE gebeden’.
20 En het geschiedde, na verloop van dagen dat Hanna bevrucht werd, en baarde een zoon en zij noemde zijn naam Samuel: Want, zeide zij, ik heb hem van de HEERE gebeden.
28 Daarom heb ik hem ook de HEERE overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; hij is van de HEERE gebeden. En hij bad aldaar de HEERE aan.
In de Lofzang van Hanna, in 1 Samuël 2:1-10, is het begin en het eind van het lied gemarkeerd door de woorden ‘hoorn’ en ‘verhogen’. We vinden deze woorden in vers 1 en in vers 10. Het begin en het eind van de lofzang van Hanna wordt ook nog aangegeven doordat de naam van de HEERE tweemaal genoemd wordt in vers 1 en 10. Het lied had dus ook genoemd kunnen > >
worden: ‘De HEERE zal de hoorn verhogen’. 1Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart springt van vreugde op in de HEERE; mijn hoorn is verhoogd in de HEERE; 10 Die met de HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in de hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en de hoorn Zijns Gezalfden verhogen.
Parallelle teksten
Een probleem voor uitleggers is in 1 Samuël 1: 28 de zin ‘En hij bad aldaar de HEERE aan’. Wie is deze ‘hij’? Volgens de kanttekening van de Statenvertaling is dit van toepassing op Samuël, Eli of Elkana en Hanna.
Wat is hier het geval? Een woord kan een begin of een eindpunt van een tekstgedeelte markeren om te laten zien dat twee tekstgedeelten een vergelijkbare functie hebben. Dit is het geval met vers 1-19 en 20-28. Deze twee gedeelten moeten gezien worden als een tweeluik met parallelle elementen.
Deze tekstgedeelten beginnen allebei met de blik op het nageslacht en eindigen allebei met de aanbidding voor de terugkeer naar Rama. De terugkeer naar Rama valt door de onderbreking voor de Lofzang van Hanna nu in 1 Samuël 2:11.
In vers 1 en vers 20 is het zich herhalende woord ‘zoon’.
1 Daar was een man van Ramathaimzofim, van het gebergte van Efraim, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.
20 En het geschiedde, na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht werd, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Samuel: Want, zeide zij, ik heb hem van de HEERE gebeden. In vers 19 en vers 28 is het zich herhalende woord ‘aanbidden’.
19 En zij stonden des morgens vroeg op, en zij aanbaden voor het aangezicht des HEEREN, en zij keerden weer, en kwamen tot hun huis te Rama. En Elkana bekende zijn huisvrouw Hanna, en de HEERE gedacht aan haar.
28 Daarom heb ik hem ook de HEERE overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; hij is van de HEERE gebeden. En hij bad aldaar de HEERE aan.
Hoewel vers 19 een meervoud is, is het duidelijk dat hier Elkana en zijn gezin worden bedoeld en daarom moeten we concluderen uit de herhaling dat Elkana in vers 28 aanbidt.
Onderwerp
Een ander probleem is het onderwerp in 1 Samuël 1:7. In het Hebreeuws vinden we vaak wisselingen in het onderwerp zonder dat altijd duidelijk is wie het onderwerp is.
En alzo deed hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het huis des HEEREN, zo tergde zij haar alzo; daarom weende zij en at niet.
Het eerste onderwerp, ‘hij’, is natuurlijk Elkana, het derde onderwerp is Peninna, dat blijkt uit vers
6 door de herhaling van het woord ‘tergen’. Het vierde onderwerp, ‘zij’, is Hanna, dat blijkt uit de herhaling van het woord ‘wenen’ in vers 8, maar het tweede onderwerp ‘zij’: is dat
nu Hanna of Peninna? Wie is die zij die opging naar het huis des HEEREN? Om dat probleem te begrijpen kijken we naar de volgende keer dat het huis des HEEREN weer in beeld komt.
We lezen in 1 Samuël 1:24 dat Hanna de kleine Samuël naar het huis des HEEREN brengt. Zij is de ‘zij’ die verbonden wordt aan het huis des HEEREN. Daarom kunnen we uit de woordherhaling concluderen dat Hanna ook de ‘zij’ is die hier in dit tweede onderwerp in vers 7 wordt bedoeld. Zij wordt al vanaf vers 7 in een bijzondere relatie tot het huis des HEEREN gebracht.
Verschillende hoofdstukken
Tussen het zich herhalende woord zitten soms meerdere hoofdstukken. Zo heeft het woord ‘mantel’ in Samuël een belangrijke betekenis.
De betekenis van het woord ontvouwt zich in de geschiedenissen. De eerste keer dat er sprake is van een mantel is in 1 Samuël 2:19. Hanna neemt ieder jaar een kleine mantel voor hem mee (de Statenvertaling vertaalt hier ‘een kleine rok’, mogelijk naar aanleiding van vers 18, maar het gaat hier niet om de linnen lijfrok maar om een mantel). Samuël wordt hier gepresenteerd als een ‘manteldrager’; zijn mantel wordt ieder jaar een beetje groter.
De tweede keer dat het woord ‘mantel’ ter sprake komt, is in 1 Samuël 15:27, nadat Saul het bevel van de HEERE om de Amalekieten te verbannen ongehoorzaam is geweest. Als Samuël dan wegloopt, grijpt Saul hem bij zijn mantel, waardoor een stuk afscheurt. Samuël zegt dan dat de HEERE het koninkrijk van hem heeft afge-
scheurd. De mantel wordt hier symbool van het koningschap bij de gratie Gods want Samuël draagt de mantel.
De derde keer is 1 Samuël 18:4, als Jonathan zijn
mantel uittrekt en die aan David geeft. Hier schemert door de symbolische handeling heen dat de troonopvolger Jonathan het koninkrijk aan David overgeeft.
De vierde keer dat de mantel ter sprake komt, is als Saul zich terugtrekt in een spelonk bij En-Gedi. We vinden deze geschiedenis in 1 Samuël 24. In vers 5 snijdt David een slip van de mantel van Saul af en het is door de woordherhaling dat we nu direct begrijpen dat deze daad het verlies van het koningschap symboliseert. Saul zegt zelf nu ook in vers 21 dat hij nu zeker weet dat David koning zal worden over Israël.
De laatste keer dat het in 1 Samuël over een mantel gaat, is bij het bezoek van de vermomde Saul aan de waarzegster te Endor. We lezen deze geschiedenis in 1 Samuël 28. In vers 12 komt de waarzegster er
tot haar schrik plotseling achter dat ze met Saul van doen heeft.
Hoe weet ze dat? Laten we verder lezen! Want nadat Saul de vrouw heeft gerustgesteld, vraagt hij aan haar: Wat ziet gij? Eigenlijk vraagt Saul: Wat hebt gij gezien? En dan zegt zij dat ze een oude man in een mantel ziet. De mantel en de manteldrager Samuël is gedurende de lezing van het boek 1 Samuël de verwijzing geworden naar het falen van het koningschap van Saul.
Toen de waarzegster Samuël zag opkomen bekleed met een mantel dacht ze direct aan Saul. Die man die haar hier bezoekt zal toch Saul niet zijn bedenkt ze. En plotseling begrijpt ze dat ze met Saul van doen heeft en ze geeft een schreeuw van schrik.
Zo blijkt dat het kleine manteltje dat Hanna ieder jaar brengt een functie te hebben in het geheel van het boek. Het begint met de manteldrager en het boek eindigt er mee. Het woord mantel omvat als een accolade het boek 1 Samuël.
Davids hart sloeg hem
Ik kom nog even terug op de situatie in de spelonk van En-Gedi. We lezen in 1 Samuël 24:6 dat nadat David de slip van Sauls mantel heeft afgesneden zijn hart hem slaat. We komen de uitdrukking precies zo nog een keer tegen. En wel in de geschiedenis van de volkstelling in 2 Samuël 24:10.
Daar wordt de betekenis van deze uitdrukking uitgelegd, omdat David zegt tegen de HEERE: ik heb zeer gezondigd. Dat zijn hart hem sloeg, betekent dus dat hij zich schuldig weet omdat hij iets verkeerds doet.
We begrijpen nu waarom Davids hart hem slaat als hij de slip van Sauls mantel snijdt in de grot van En-Gedi. Hij zondigt door zelf het koninkrijk van Israël symbolisch van Saul af te snijden in plaats van dit aan de HEERE over te laten.
Duidelijk is dat aandacht voor het herhaalde woord in Samuël – en in heel de Bijbel – waardevol is. Voor wie er oog voor heeft, kan een heel nieuwe wereld opengaan. Het is een hulpmiddel voor de persoonlijke bijbelstudie.
M.A. Post
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's