BOEKBESPREKINGEN
Leon van den Broeke Classis in crisis. Om de classicale toekomst. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 172 blz.; € 17, 50.Ds. P. van der Kraan Noem mij bij mijn diepste naam. Dagboek rond de Heilige Doop. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen; 192 blz.; € 14, 90.
Leon van den Broeke Classis in crisis. Om de classicale toekomst. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer; 172 blz.; € 17, 50.
Dr. C.L. (Leon) van den Broeke vult met dit boek over de toekomst van de classis een leemte op. Anders dan in zijn proefschrift Een geschiedenis van de classis, richt hij zich op de praktijk en slaat een nieuwe weg in door
te onderzoeken hoe ambtsdragers zelf over de classicale vergadering denken. De ondertitel, om de classicale toekomst, laat zien dat hij meer wil bieden dan een beschrijving. Het boek kent drie hoofddelen,
achtereenvolgens de huidige, de ideale en de toekomstige classicale vergadering. In het eerste deel toont hij door middel van de analyse van één classicale vergadering en een steekproef onder zes andere aan dat afgevaardigden niet zo tevreden zijn over het functioneren. Er is veel absentie en niet allen zien de zin van de classis in.
In ‘de ideale classicale vergadering’ kijkt Van den Broeke met name naar de synode te Emden in 1571 en de huidige tijd. ‘Emden’ introduceert de classis met als kerntaken: visiteren, predikanten examineren en preken bespreken. Het aspect van ontmoeting en bezinning komt volgens hem pas in 1951 in de Nederlandse Hervormde Kerk naar voren. Ik vond echter in het Algemeen Reglement van 1852 dat er wel over geestelijke zaken gesproken mocht worden.
Onder de titel ‘het ideaal van 2008’ beschrijft hij vervolgens de visie van de Taakgroep Classicaal Beleid (TCB). Van den Broeke geeft in het derde deel aan hoe de classicale vergadering van de toekomst zou moeten zijn om uit de huidige crisis te komen, waarbij hij steunt op Een vitale en aantrekkelijke gemeente van dr. J. Hendriks (Kampen, 1991). In de hoofdstukken gaat het om de omgang met en van mensen, de leiding, doelen en taken en de identiteit. Bij dat laatste komt hij tot een pleidooi voor een ‘conciliair beraad’ in de vergadering zelf maar ook door de vergadering georganiseerd.
Ten slotte geeft hij praktische aanwijzingen. De classicale vergadering heeft zin, maar een andere aanpak is nodig. Ik citeer de laatste alinea: ‘Voor de classicale vergadering en de classis zal slechts plaats zijn in de kerk van de toekomst wanneer er een mentaliteitsverandering in het belang van de regionale geloofsgemeenschap op gang komt en er een gezamenlijk plan van aanpak ontstaat, zowel op het niveau van de (wijk) gemeenten als van de landelijke kerk. De toekomst zal onthullen of de classicale vergadering en de classis op de klippen lopen of dat ze op volle kracht verder varen.’ We vinden hier geen leer over de classicale vergadering. Het boek is immers gericht op de praktijk, het functioneren. Het is nuttig voor classicale vergaderingen om het zo te lezen en zichzelf te toetsen. Ook voor andere geïnteresseerden geeft de schrijver veel om over na te denken als het gaat om het kerk zijn. Tegenover de neiging zich terug te trekken in eigen kring herinnert dit boek ons dat we ‘een heilige, algemeen christelijke kerk’ geloven en die is niet alleen (in) onze eigen gemeente.
Ik heb wel een aantal kritische opmerkingen. Het boek is knap geschreven. In weinig woorden wordt veel gezegd. Maar bij elk onderdeel is een terugblik die te vaak alleen een herhaling is. Verder is Van den Broeke onzorgvuldig met betrekking tot de Brede Studiecommissie en haar opvolger, de Stuurgroep Werk in de Wijngaard, en de plaats die de Taakgroep Classicaal Beleid inneemt. Soms lijkt hij stuurgroep en taakgroep te verwarren, onder andere als het gaat over de pastor pastorum (herder voor herders). Ook werd onze taakgroep in 2008 ingesteld en niet in 2006.
De taakgroep onderzocht niet de classicale vergadering als zodanig en gaf ook geen ideaal, maar beantwoordde de vraag of zij extra taken erbij kon hebben vanwege de beoogde samenwerking van predikanten en kerkelijk werkers en van gemeenten. Het antwoord was negatief, omdat er nu al te grote druk op deze vergaderingen staat. De taakgroep zocht een oplossing in een aanpassing van de bestaande samenwerkingsvorm, de algemene classicale vergadering, die Van den Broeke te veel ziet als een ‘hogere’ vergadering.
Het is niet de bedoeling om bestuurlijke taken bij de classicale vergaderingen zelf weg te nemen, maar om de krachten te bundelen voor die bestuurlijke taken, die nu al voor het grootste deel bij de breed moderamina liggen. Waar men vroeger in de grote vergaderingen vrijuit over personen sprak, kan dat zo niet meer. De maatschappelijke ontwikkelingen vragen om meer voorzichtigheid met de privacy als over personen gesproken moet worden.
Anders dan Van den Broeke doet vermoeden waren de regionale colleges er al voor 2004 in de Nederlandse Hervormde Kerk. In zijn dissertatie is de auteur nog terughoudend, maar nu stelt hij dat ‘classis’ de betekenis van ‘vloot’ heeft. Het beeld trekt hij ver door in zijn slothoofdstuk. Het is een interessante vraag wie als eerste aan deze betekenis heeft gedacht. De oude benaming uit de zestiende eeuw wijst eerder op de grondbetekenis van het Latijnse woord: een classe, een (bij elkaar horende) groep, zoals een (school)klas of een klasse. Wanneer de kerk gesymboliseerd wordt door een schip, dan kan een deel van Christus’ kerk niet een vloot zijn. En bij een vloot kan een schip wegvaren en toch schip blijven, maar het behoren tot de klasse behoort tot de identiteit.
J. van Beelen, Veenendaal
Ds. P. van der Kraan Noem mij bij mijn diepste naam. Dagboek rond de Heilige Doop. Uitg. De Groot Goudriaan, Kampen; 192 blz.; € 14, 90.
In lijn met zijn boek over het avondmaalsformulier schreef ds. P. van der Kraan nu ook een dagboek over het doopformulier. In drie weken kan de lezer zich, al mediterend, de
rijke inhoud van het formulier (en daarmee van de doop zelf ) toeeigenen. Dit kunnen weken tussen geboorte en doopdienst zijn – dan vindt het boek zijn bestemming bij jonge ouders. Maar de sterkste
kant van het boek is dat het álle gedoopten bij de doopvont terugbrengt om dagelijks te leven uit de doop en het genadeverbond. Moeten wij niet iedere dag door onze doop kruipen? En spreken het testament en zijn zegel niet iedere dag de hoogste en rijkste woorden? Wie het gereformeerd belijden rond de doop kent, zal niet direct veel nieuwe dingen tegenkomen, maar vindt in dit boek wel een goed middel tot persoonlijke verwerking van de doop. En dat met een schitterende titel.
Ik maak alleen een kanttekening bij het vaak gebruikte werkwoord willen: dat de doop een uitdrukking is van Gods wil. Dat is de doop ook, maar modale werkwoorden verzwakken bij veelvuldig gebruik de boodschap. Want willen is nog geen zullen, en uitgerekend in dat zullen schuilt voor het geloof de kracht en de troost van de doop. In de doop wil God Zich niet verbinden met de zondaar, maar doet Hij het ook daadwerkelijk. Dat geeft de nekslag aan alle vrijblijvendheid, maar de doorslag in hevige strijd en aanvechting.
A.J. Mensink, Krimpen aan den IJssel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's