PVV in perspectief
H et is natuurlijk hachelijk om in deze rubriek over de politieke actualiteit te schrijven. Als dit nummer verschijnt is misschien wel duidelijk of er een kabinet met gedoogsteun van de PVV komt of juist niet. Wat hier volgt gaat dan ook verder dan de waan van de dag en wil helpen de huidige instabiele politieke situatie te analyseren.
NRC Handelsblad had onlangs een gesprek met de Leidse hoogleraar vaderlandse geschiedenis Henk te Velde, die regelmatig publiceert over het populisme in de politiek en de stijl van politiek bedrijven. Hij trekt een opvallende parallel.
Nieuwkomers die verandering willen, zo schrijft u, weten die alleen te bewerkstelligen als ze bestaande regels en tradities goed kennen.
‘Als je effect wilt hebben in de Tweede Kamer, kun je niet zeggen: we trekken ons helemaal niets aan van de regels. Wij zijn nieuwe politiek en we zullen het eens allemaal anders doen. Dat leidt tot niets, behalve natuurlijk als je in één keer met een meerderheid binnenkomt, den heb je een soort revolutie, een onwaarschijnlijk scenario. De LPF kwam binnen met 26 zetels. De PVV met 24 zetels. Dat heeft schrik en opwinding veroorzaakt, maar is natuurlijk nog steeds slechts een zesde van de zetels. Wil je iets bereiken, dan moet je het spel meespelen.’
En dat doet Wilders dus?
‘Anders dan de LPF’ers destijds, brengt hij een enorme ervaring mee. Hij kent de trucjes. Hij toont ook de ruwheid en de botheid van iemand die weet hoeveel daarvan effectief is in de Kamer. Het is gedoseerde botheid. Interessant is hoe hij, de zogenaamde nieuwkomer, met zijn PVV te maken kreeg met een nieuwe Kamervoorzitter, Gerdi Verbeet, die aanzienlijk minder ervaring had dan hijzelf. Daar heeft hij mede zijn grote succes aan te danken. Want vergeet niet: zonder Tweede Kamer is Wilders niets. (…)’ In uw boek (‘Van regentenmentaliteit tot populisme’, GvM) trekt u de vergelijking met Abraham Kuyper, de voorman van ‘de kleine luyden’, oprichter van de Anti-Revolutionaire Partij.
‘De eerste keer dat Kuyper in de Kamer kwam, in de jaren zeventig van de 19e eeuw, voelde hij zich als een kat in een vreemd pakhuis en werd letterlijk tijdenlang overspannen. Als predikant was hij gewoon een bepaalde toonsoort aan te slaan en die werkte totaal niet tussen al die keurig formulerende juristen in de Tweede Kamer. De publieke uitstraling van het parlement begon toen ook pas net, dat is niet te vergelijken met nu. Het was een wereldje in én op zichzelf.
Toen Kuyper twintig jaar later voor de tweede keer in de Kamer kwam, was alles anders. Hij kwam binnen op de vleugels van een grote beweging, een beetje zoals Fortuyn. Hij was ook enorm charismatisch, in de zin dat mensen zich persoonlijk met hem verbonden voelden, in een soort religieuze band, wat je ook wel bij Fortuyn zag. Uiteindelijk reikte zijn invloed tot buiten de eigen kring. Hij werd allengs door zijn liberale tegenstanders als een soort schreeuwlelijk gezien, met onmiskenbare verdiensten voor de Nederlandse samenleving. (…)’
Te Velde ziet meer overeenkomsten tussen de recente opmars van Fortuyn en Wilders en de tijd van Kuyper.
‘Wat je nu natuurlijk wel ziet, is het gescheld op een andere bevolkingsgroep. Dat zag je (…) ook in de jaren zeventig van de 19e eeuw. Kuyper heeft er lang over gedaan om een politieke strategie uit te vogelen. (…) Hij deed dat op gevoel. Kijken wat werkt en dat dan inzetten. Zo heeft hij een tijdje gefulmineerd tegen joden, als vijanden van de calvinistische kern van het vaderland. Maar later heeft hij dat grotendeels laten vallen. Het werkte niet. Zijn antikatholicisme werkte daarentegen wel. (…) Maar uiteindelijk matigde hij dat ook weer, toen hij een bondgenootschap sloot met de katholieken.’
In historisch perspectief is er dus niet direct sprake van een nieuw verschijnsel, lijkt Te Velde te zeggen en daarmee relativeert hij de ophef over de PVV.
In het Nederlands Dagblad wordt een heel andere toon aangeslagen in een gesprek dat Marcel ten Hooven voerde met twee politieke erfgenamen van Kuyper: ChristenUniesenator Egbert Schuurman en Eerste Kamerlid Rob van de Beeten (CDA). Is er nog toekomst voor christelijke partijen? Prof. Schuurman signaleert een cultuurcrisis.
‘Wij zitten met de politiek in het moeras doordat wij met onze cultuur in het moeras zitten. De verlichtingscultuur heeft de werkelijkheid waarin wij leven smal en ondiep gemaakt, materialistisch en weinig spiritueel. De westerse mens heeft in deze verlichtingscultuur tot het uiterste van de vrijheid geleefd en al zijn technische en economische mogelijkheden uitgebuit. Nu keert zowel de ongebreidelde vrijheid als die technische en economische grenzeloosheid zich tegen hem, in de vorm van allerlei crises. We hebben de morele crisis, de financiële en economische crisis, de milieucrisis, de energie-, voedsel-, water-, klimaatcrisis. (…)’
Welke boodschap hebben partijen op christelijke grondslag bij dit verhaal? Schuurman: ‘In hun geloofsovertuiging zit besloten dat christenen oog hebben voor de niet-materiële dimensies in onze werkelijkheid. Christelijke politici moeten dat oog aan anderen lenen. Zij kunnen wijzen op de noodzaak van een synthese tussen het technische en het organische. We hoeven geen afstand te doen van alle technische en economische verworvenheden, ook niet van de nanotechnologie en genetische manipulatietechnieken, als we ze maar in dienst stellen van het leven, van het planten-, dieren- en mensenrijk. Dat zou bijvoorbeeld betekenen dat de strijd tussen de biologische en de industriële landbouw ten voordele van de biologische wordt beslist. Met zo’n verhaal zouden christelijke politici een samenhangend toekomstbeeld hebben, waarmee ze zich
teweer kunnen stellen tegen verlichtingsdenkers die de crises met nóg meer verlichting willen bestrijden.’
Hoe oordeelt u in dit licht over de campagne? Schuurman: ‘Helaas ging het vooral over de miezerige dingen, waardoor de PVV van Wilders de ruimte kreeg. Ik vind de PVV zó vreselijk, zó antidemocratisch, zó bedreigend voor de geestelijke vrijheid. Je kunt wel zeggen dat Wilders de onlustgevoelens verwoordt, het heimwee, de angst voor wat komen gaat, maar daarmee staat hij wel met de rug naar de toekomst en loopt hij weg voor de uitdagingen waarvoor de crises ons stellen. Christelijke politici zouden daar dat organische wereldbeeld tegenover kunnen zetten. Wij hebben zoveel waarop wij kunnen terugvallen. (…)’
Van de Beeten: ‘Hoewel ik ontvankelijk ben voor de cultuurkritiek in de analyse van Egbert, ben ik dat zeker niet voor het cultuurpessimisme dat er óók uit spreekt. Integendeel, ik ben niet zonder optimisme, voor nu en straks. Er zijn onmiskenbaar crises op het terrein van klimaat, water, voedsel, maar even onmiskenbaar is er een groot bewustzijn van de urgentie om daar iets aan te doen, zeker in dat deel van de wereld dat in grote mate voor die crises verantwoordelijk is. Ik bespeur bijna nergens een pluk-de-daghouding. (...) De discussie gaat niet over de vraag óf we er wat aan moeten doen, maar over de vraag wat, tegen welke offers en op welke termijn. Dat vind ik hoopgevend. Het demonstreert dat het morele bewustzijn gewoon zijn werk doet.’
Dat is niet als het ware door de Verlichting weggesaneerd. Van de Beeten: ‘Exact! Het is nog steeds volop werkzaam onder mensen en in de samenleving. (…)
Wat ik bespeur in het verhaal van Egbert is dat hij moreel leiderschap vraagt van de politiek. Daar stel ik tegenover dat je ook weer niet al te hoge eisen aan de politiek moet stellen. Ik kan me vinden in de opvatting van politiek filosoof Karl Popper dat de politiek tot taak heeft om vermijdbaar leed te verminderen. Dus niet alle leed uit te bannen, zelfs niet alle vermijdbare leed uit te bannen, nee, niet meer dan vermijdbaar leed te verminderen.
Op het moment dat de politiek meer wil doen dan dat, gaat ze haar mogelijkheden te buiten en steekt de verleiding de kop op om naar dictatoriale middelen te grijpen. Op het moment dat de politiek daarentegen minder doet, dan is het einde van de democratie nabij en komen we óók in een dictatuur terecht. (…)’
Wanneer het gaat om moreel leiderschap ziet Van de Beeten een belangrijke taak voor de kerk.
‘(…) En dan constateer ik dat dit instituut ernstig is verzwakt. Het kost de kerk moeite aansluiting te vinden bij het moderne levensgevoel in Europa, bij de moderne samenleving, bij de wetenschap. Daardoor raakt de kerk in een isolement en dreigt zij een sektarische positie in te nemen. Dat vind ik ernstig. Christelijke politiek zal het moeilijker krijgen zonder een actieve rol en een actieve inspirerende inbreng van kerken in de samenleving.’
Moeten we de opkomst van populistische partijen (in het licht van Kuyper) relativeren? Wat mag er eigenlijk van de politiek worden verwacht? Is onze cultuurcrisis te wijten aan de Verlichting of aan ons individualisme? Belangrijke vragen die kerk en (christelijke) politieke partijen heel wat huiswerk bezorgen.
G. van Meijeren
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's