Guido wordt veertig jaar
Onderwijs vanuit de leer van de Zoon van God
Voor wie in of rond Rotterdam opgroeide en reformatorisch onderwijs volgde, is ‘de Guido’ een begrip. De eerste reformatorische school voor voortgezet onderwijs is veertig jaar oud. Wat doen we: dankbaar omzien of met zorg vooruitzien? Beter is nú het pand bewaren.
H elaas is de eerste associatie bij reformatorische scholen voor velen niet: onderwijs waarbij het Woord van God als gezagvol voor de lessen en het pedagogisch klimaat aanvaard wordt. Het imago van de diverse scholen in ons land is te veel gestempeld door discussie over toelating van een enkele leerling met een andere achtergrond, over wat een schoolbestuur van ouders mag vragen, over de visie op kledingregels, waarbij gisteren de broekrok in de mode was en vandaag de legging voor onnodige discussie zorgt. Met dat imago doen we dit onderwijs echter tekort en doen de scholen zichzelf tekort.
Grote steden
In augustus 1970 begonnen 104 leerlingen hun schoolleven aan het ‘Reformatorisch Atheneum’ en was de eerste school voor reformatorisch voortgezet onderwijs een feit. Rector werd de hervormde drs. M. Burggraaf, voorzitter van het schoolbestuur de hervormde ds. J.C. Stelwagen uit Delft. Door de fusie met de Willem Lodewijkmavo en de toewijzing van een havoafdeling ontstond twee jaar later de scholengemeenschap Guido de Brès met 566 leerlingen. Vreugdevol? Zeer ten dele, want de reden tot de oprichting was de innerlijke uitholling van veel protestants-christelijk onderwijs, waardoor de visie op de Bijbel wijzigde en een christelijke levensstijl teloor ging.
In 2010 telt de locatie Guido in Rotterdam-IJsselmonde 1600 leerlingen en is ze samen met de locaties Revius, Marnix en De Swaef onderdeel van het Wartburg College. Als enige van de vier grote steden in Nederland heeft Rotterdam voortgezet onderwijs waarin leerlingen gevormd worden op basis van Gods Woord en de belijdenis van de Reformatie. Al zijn verschillende kerken in de havenstad veertig jaar na de oprichting gesloten of in ledental sterk teruggelopen, de scholen zijn er gebleven. Dat is bijzonder.
Veroordeeld om de leer
De keuze om de naam van de opsteller van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis aan de school te verbinden, is meer dan een verwijzing naar het verleden. Guido de Brès sprak enkele uren voordat hij als martelaar zou sterven tot zijn medegevangenen: ‘Broeders, ik ben vandaag veroordeeld om de leer van de Zoon van God. Hij zij daarvoor geprezen, ik ben er zeer blij om.’ Zijn vreugde was groot, omdat ‘ik vandaag uitgenodigd ben tot de bruiloft van mijn Heere, de Zoon van God’.
Deze woorden raken ons. De Brès was hemelgericht en daarom maken zijn woorden op aarde nog altijd indruk. Hij is niet alleen de man die beleed dat hij alle bijbelboeken als heilig en canoniek aanvaardde, om ‘ons geloof daarnaar te richten en daarop te gronden, omdat de Heilige Geest getui-genis in onze harten geeft dat ze van God zijn, ’ hij heeft zelf ook geleden ‘om de leer van de Zoon van God’. Zal Guido de Brès ons ook inspireren als het blijven bij de leer van Christus in het christelijk onderwijs ons (grote) offers gaat kosten?
School met de Bijbel
Het Rotterdamse jubileum is een goede aanleiding om de kern van het christelijk onderwijs zoals dat vorm krijgt in de context van onze tijd voor het voetlicht te halen. Hoe wij nu herdenken, zegt immers vooral wat over onze verhouding tot het gedachtegoed van de oprichters van reformatorisch onderwijs, beter: tot het gedachtegoed van hen die zich vanaf de negentiende eeuw inzetten voor een school met de Bijbel.
Zou er nu iemand solliciteren als hij hoorde: ‘Een salaris kunnen we u als directeur niet bieden, maar we zullen zorgen dat u en uw gezin aan voedsel geen gebrek hebben.’ Tegen de achtergrond van deze historische opmerking uit 1851 is het een aanklacht dat mensen vanwege financiële motieven de overstap van het bedrijfsleven naar het christelijk onderwijs niet willen maken. Niet goed te praten!
Volgende week schrijven een oud-docent en oud-leerling.
‘Goed gedaan’
Als we veertig jaar Rotterdams reformatorisch onderwijs evalueren, gaat het om de vrucht voor de Heere. Vanwege de beloften van het Evangelie dat het Woord niet tevergeefs gezaaid wordt, is die vrucht er elke dag dat de Bijbel opengaat. Al zal er veel langs leerlingen heengegaan zijn, de plaats van de Bijbel in het onderwijs is niet te onderschatten. Wie vijf jaar leerling van de Guido de Brès was, heeft 1600 keer uit Gods Woord horen lezen, aan het begin van elke morgen en elke middag. We danken ook voor al die docenten die de gave ontvingen om de betekenis van bijbelwoorden voor hun vak onder woorden te brengen en zo leerlingen op basis van het Evangelie te vormen met het oog op hun plaats in de samenleving.
Voor zulk onderwijs mag de kerk nú dankbaar zijn. Beter dan achteromzien en vragen of we wel koers houden, beter dan bezorgd vooruit zien over de toekomst van het bijzonder onderwijs en het beleid van de overheid is het om nu te woekeren met onze talenten. De gelijkenis van de talenten staat in Mattheüs 25 in het kader van waakzaamheid. Totdat de Bruidegom terugkomt, dienen we de woorden van het Koninkrijk te vermenigvuldigen. Ook in het christelijk onderwijs moet gewoekerd worden om Gods Woord meer vrucht te laten dragen. Als dat het bestaansrecht van het onderwijs is en de hartstocht van docenten, zal er ooit tot schoolbestuurders, leerkrachten en ondersteunend personeel gezegd worden: ‘Goed gedaan, goede en trouwe slaaf, over weinig bent u getrouw geweest, over veel zal ik u aanstellen.’
Identificatiefiguren
Er zijn weinig dingen in de samenleving waar we zo blij van kunnen worden als van christelijk leraarschap. Waar de negentiende-eeuwse openbare school met de Bijbel er niet is en veel twintigste-eeuwse protestants-christelijke scholen door de moderne theologie geïnfecteerd zijn, krijgen de kinderen van de gemeente op veel plaats hun vorming binnen het noodverband van het reformatorisch onderwijs. Leraren die in godsdienstig opzicht identificatiefiguren zijn omdat ze Gods omzien naar mensen representeren, zullen van beslissende betekenis zijn in het leven van jonge mensen. Die belofte heeft het christelijk onderwijs mee!
Ondertussen kunnen leerkrachten door hun woorden en wandel voor leerlingen ook een verhindering zijn. Die zwarte kant is er aan reformatorisch onderwijs evenzeer.
Nieuw elan
Jaren van opbouw en uitbouw liggen achter het reformatorisch onderwijs. De zorg om bevoegde docenten – al zal dat vast een blijvend aandachtspunt zijn – en geschikte onderwijsmethoden kenmerkten de eerste jaren. Nu zijn we gewend aan een netwerk van reformatorische scholen, wat de inhoudelijke betrokkenheid van ouders eerder zal af dan toe laten nemen.
In onze dagen mogen we bidden om een nieuw elan voor christelijke docenten, gevoed door de persoonlijke omgang met God en betrokken op jongeren die opgroeien in een gefragmenteerde wereld. We zien daarbij uit naar schoolbestuurders die het eigen karakter van een christelijke onderwijsinstelling bewaken, die beseffen dat de interkerkelijke school geen verlengstuk is van de kerkelijke gemeenschap waartoe ze zelf behoren. Binnen de christelijke gemeente mogen we jonge mensen stimuleren om te kiezen voor het christelijk onderwijs, mogen we ouders handvatten aanreiken om tot een verantwoorde schoolkeuze te komen en op basis van hun doopbelofte hoofd- en bijzaken goed te onderscheiden.
Fronten
De toekomst van het reformatorisch onderwijs is gelieerd aan de reformatorische zuil. Immers, onbedoeld heeft deze vorm van onderwijs het isolement van reformatorische christenen bevorderd en geleid tot versmalling, tot een discussie over wie er nog wel en wie niet meer tot ‘onze kring’ hoort. Op die wijze woekeren we niet met ontvangen talenten, integendeel.
Als we anno 2010 de fronten voor het christelijk onderwijs zien, doen we niet beter dan te luisteren naar het testament van Guido de Brès: te blijven bij de leer van de Zoon van God. Immers, ‘wie in de leer van Christus blijft, heeft zowel de Vader als de Zoon.’ (2Joh.9b) Deze belijdende uitspraak te vertalen naar het klaslokaal en de docentenkamer, dat is de opgave van onze tijd. Dan merken ouders en overheid waarin het verschil zit.
P.J. Vergunst
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's