Hoezo, kindernevendienst?
Geloofsopvoeding en eredienst [1]
Het onderwerp ‘kind en eredienst’ is de laatste jaren een steeds dringender punt van bespreking geworden. Veel gemeenten zijn ertoe overgegaan om een kindernevendienst te houden. Wat zit er achter deze ontwikkeling?
I n de Bijbel lezen we niet van een aparte plaats voor kinderen in de eredienst of tempeldienst. Ook in de geschiedenis zien we dat er in de kerk eeuwenlang geen aparte aandacht aan kinderen is geschonken. Dat is vandaag wel anders. Ook de verwachtingen ten aanzien van de prediking in de richting van kinderen zijn toegenomen. Ik moet zeggen dat ik dit als predikant als een toenemende druk ben gaan ervaren, gepaard gaande met gevoelens van falen naar kinderen, ouders en kerkenraden toe. Ik denk dat veel predikanten dit zullen herkennen.
Ouders
Het is tijd om het in dit verband eens te hebben over de verantwoordelijkheid van de ouders. Het is van wezenlijk belang dat zij meer aandacht geven aan de geloofsopvoeding. Het onderwerp ‘kind en eredienst’ kunnen wij namelijk niet los zien van de opvoeding en van de vraag hoe ouders aan hun verantwoordelijkheid ten aanzien van het gemeente zijn gestalte geven. Daarom staat er boven deze korte serie artikelen niet ‘kind en eredienst’ maar ‘geloofsopvoeding en eredienst’. Het gaat namelijk niet alleen om de vraag of en hoe in de eredienst aandacht aan de kinderen wordt gegeven, maar ook om de vraag hoe ouders in het geloof en in de kerk staan en hoe zij hun kinderen hierin opvoeden en tot voorbeeld zijn.
Ik wil beginnen met, toegespitst op ons onderwerp, vier ingrijpende veranderingen te noemen die, met name in de afgelopen vijftig à zestig jaar, hebben plaatsgevonden:
Gezinsklimaat
Functieverlies van het gezin is de eerste verandering. Vanuit de geschiedenis gezien stellen we vast dat het gezin steeds meer zijn functie verliest. Dat begon al toen andere opvoeders dan de ouders in beeld kwamen, onder andere door de oprichting van scholen. Hierdoor werd de opvoeding voor een deel uitbesteed. Dat functieverlies is in onze tijd toegenomen door werkende moeders. Veel kinderen worden naar crèches gebracht en brengen daar een belangrijk deel van de week door.
Het gezinsklimaat is hierdoor sterk veranderd. Hierbij laat het individualisme zich gelden. Ook de vaak overheersende plaats die de media en het internet hebben ingenomen. De geloofsopvoeding heeft hierdoor in veel christelijke gezinnen een schrale en marginale plaats gekregen. Er wordt steeds minder in de geloofsopvoeding geïnvesteerd. Dat is te merken aan het toenemende gebrek aan bijbelkennis bij kinderen en jongeren. We zien een verzwakking van de geestelijke en sociale structuur van het gezin, met als gevolg:
a) een gebrek aan nestwarmte die kinderen zo dringend nodig hebben;
b) veel eenzaamheid onder kinderen en jongeren;
c) relatieproblematiek (huwelijksproblemen, scheidingen, met als gevolg veel eenoudergezinnen en gezinnen met kinderen van verschillende ouders), met allerlei trauma’s die daarmee te maken hebben.
Weinig betrokken leerkracht
De tweede verandering die valt waar te nemen, betreft de scholen. De secularisatie heeft binnen het christelijk onderwijs een stuk verwatering en vervaging van identiteit met zich meegebracht. Het godsdienstig element werd steeds zwakker. Veel leerkrachten toonden en tonen zich niet of weinig persoonlijk betrokken bij kerk en geloof. Hierdoor is een vacuüm ontstaan ten aanzien van de geloofsopvoeding, met als gevolg dat kinderen door leerkrachten als medeopvoeders minder worden bevestigd en minder vertrouwd worden gemaakt met de betekenis van het geloof en van de kerk. Van hieruit is het ontstaan van reformatorische en evangelische scholen te verklaren.
Ontstaan van jeugdcultuur
Het ontstaan van een jeugdcultuur is de derde ontwikkeling. In de tijd van de Bijbel was er geen jeugdcultuur. Bij de volken in het algemeen is deze niet te vinden. De jeugdcultuur is een vrucht van westerse bodem, die zo’n twee eeuwen geleden is ontkiemd maar pas echt is gegroeid in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Cultuurhistorisch speelt mee dat jongeren door de ontwikkelingen op de terreinen van wetenschap en techniek steeds later volwassen worden. Dat heeft te maken met het gegeven dat:
a) de opleidingsmogelijkheden zeer toegenomen zijn. Jongeren hebben vele jaren nodig om zich op hun volwassenheid voor te bereiden en om zelfstandig hun plekje in de samenleving in te nemen.
b) de samenleving ingewikkelder
is geworden. Er zijn zo veel keuzemogelijkheden. Steeds dienen zich nieuwe terreinen aan.
De ontwikkeling van de jeugdcultuur komt na de Tweede Wereldoorlog echt goed op gang. Al gauw blijkt dat er niet sprake is van één jeugdcultuur maar van een diversiteit van subculturen.
Deze zijn te onderscheiden aan de hand van onder andere godsdienst, sociale achtergrond, muziek, kleding en taal.
Het ontstaan van jeugdculturen heeft er mede toe geleid dat de verwachtingen ten aanzien van aandacht voor kinderen en jongeren binnen de kerk groter zijn geworden. Deze verwachtingen betroffen eerst de plaats van het jeugdwerk in de gemeente. Later ook de eredienst. Ging het eerst om jeugddiensten, in toenemende mate ging het niet meer over de jeugd in het algemeen maar vooral over de kinderen. Ouders zijn steeds meer gaan verwachten ten aanzien van het kind in de eredienst. In dezelfde toenemende mate zijn predikanten en kerkenraden voor de vraag gesteld hoe zij aan deze verwachtingen moeten tegemoetkomen.
Diep of oppervlakkig
De toenemende aandacht voor het kind heeft ook te maken met de verschuiving in onze cultuur van het wezenlijke naar het functionele – de laatste verandering die ik hier noem.
Bij het wezenlijke gaat het om dieptevragen, bij het functionele om vragen die aan de oppervlakte liggen. De zichtbare dingen liggen aan de oppervlakte. Daar houdt het functionele denken zich mee bezig. We zien dat in:
a) het nutsdenken waar onze samenleving van doortrokken is. Wat gedaan wordt, moet nuttig zijn. Wat niet nuttig is, is niet zinvol. Het nutsdenken komt tot uiting in de aandacht voor het functionele.
b) de beeldcultuur waarin wij leven. Beelden vragen aandacht voor het concrete, het zichtbare. De beeldcultuur bevordert het functionele denken.
c) de marktcultuur die wij kennen.
Beeldcultuur en marktcultuur gaan samen. Het oog ziet veel. Er zijn veel keuzemogelijkheden en er is veel te verkrijgen. Behoeften kunnen makkelijk worden bevredigd. De beeld- en marktcultuur roepen ontzettend veel prikkels op. Media, reclame en internet zijn verleidende communicatiemiddelen en tegelijk doorgeefluiken. We hoeven niet meer naar de markt, de markt komt naar ons toe.
De veelheid aan prikkels en beelden veroorzaakt veel onrust. Ook in gezinnen. Vaak ontbreekt de rust om stil te zijn voor een goed gesprek en bezinning.
Saai
In vergelijking met wat in onze cultuur aan de orde is, wordt onze eredienst – met name door kinderen en jongeren – als saai ervaren.
Of de eredienst ook saai is, hangt af van de vraag of we haar beoordelen naar haar wezen of naar haar functionaliteit. In functionele zin, in vergelijking met wat in onze marktcultuur aangeboden wordt, mag een eredienst misschien saai zijn, maar is dat ook zo als het gaat om de essentie van wat er in de eredienst gebeurt? Ja, preken kunnen saai zijn. Maar hierbij mag de vraag gesteld worden wat je van een preek verwacht. Verwacht je dat de preek alleen maar functioneel of ook verdiepend van karakter is? Functioneel: hapklare brokken, praktische tips voor het alledaagse leven (met het gevaar van wetticisme en moralisme).
Verdiepend: graven in het Woord, helder Schriftonderricht, ingaand op zinvragen, prikkelend om zelf de Schrift te onderzoeken en om zelfstandig en in eigen verantwoordelijkheid de vertaalslag naar het alledaagse leven te maken.
Het verdiepende en het functionele kunnen natuurlijk samengaan. Dat is ook de bedoeling van de prediking. Ik wil dan ook geen tegenstelling maken. Maar ik constateer dat in onze tijd de verwachtingen ten aanzien van de prediking meer op het vlak van het functionele liggen dan op het vlak van verdiepend onderricht. Preken moeten niet alleen kindvriendelijk maar vooral praktisch zijn. De vraag is of aan deze verwachtingen tegemoetgekomen kan of moet worden. Wordt er in de lijn van deze ontwikkeling niet meer op de vertólking van het Woord gefocust dan op het Woord zelf ?
C.G. Geluk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 2010
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 2010
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's