BOEKBESPREKINGEN
Johannes Calvijn De eeuwige voorbeschikking Gods. Uitg. Boom, Amsterdam; 224 blz.; € 35, 90.Gerard Dekker Heeft de kerk zichzelf overleefd? Uitg. Meinema, Zoetermeer; 243 blz.; € 19, 90.
Johannes Calvijn De eeuwige voorbeschikking Gods. Uitg. Boom, Amsterdam; 224 blz.; € 35, 90.
Uitgeverij Boom heeft als bijdrage aan het Calvijnjaar het boek De eeuwige voorbeschikking Gods laten verschijnen. Hierin krijgt de reformator Johannes Calvijn zelf het woord over een omstreden thema uit zijn theologie. Dit waardeer ik als een keuze van niveau.
Ieder die vanwege diens verkiezingsleer kritiek wil leveren op Calvijn, moet eerst maar eens kennis nemen van dit boek. Om zijn leer te onderbouwen bespreekt Calvijn veel bijbelteksten. Verder noemt hij de standpunten van zijn tegenstanders en weerlegt die. De bezwaren tegen de
leer van de uitverkiezing die je heden ten dage hoort, werden blijkbaar destijds ook naar voren gebracht. Calvijn behandelt ze stuk voor stuk. Het zijn dezelfde tegenwerpingen als waar catechisanten mee komen, indien de catecheet het onderwerp ten minste aan de orde stelt. Want veel hervormde jongeren zijn er nauwelijks mee bekend. Ik heb de indruk dat er tegenwoordig in de hervormd-gereformeerde prediking zelden wordt gesproken over de uitverkiezing tot zaligheid. Waarschijnlijk is dit zwijgen een reactie op negatieve gevoelens rondom dit thema, deels voortkomend uit de prediking binnen andere kerken, deels uit een vervlogen verleden. In dit verband is het interessant hoe Calvijn reageert op de tegenwerping dat het voldoende is geloof en bekering te prediken, zonder te spreken over de uitverkiezing (blz.20). Voor de reformator ligt het eenvoudig: als God erover spreekt, acht Hij dat bevorderlijk voor ons en mogen wij er niet over zwijgen.
Er zijn veel treffende uitspraken te citeren. Ik kies voor deze: ‘Het is natuurlijk waar dat God goed naar ons kijkt wanneer Hij ons uitverkiest, maar wat vindt Hij in ons? Niets dan ellende en armoede, en dat beweegt Hem tot medelijden. Maar die ellende treft Hij in alle mensen aan, en toch heeft Hij slechts erbarmen met wie Hem goeddunkt. En waarom? Wij kennen de reden niet, en het zij ons voldoende [...] dat God ons heeft uitverkoren volgens het voornemen dat Hij bij zichzelf heeft overwogen.’ (blz.5) Dit citaat maakt duidelijk dat de uitverkiezing niet een willekeurige greep uit een pot knikkers is. Het betreft een bewogen én overwogen daad van de levende God. Natuurlijk kijkt Hij goed naar ons! Maar verder kunnen we er niet achter komen.
Deze kwaliteitsuitgave bevat drie vertaalde geschriften van Calvijn. Ten eerste de Consensus van Genève, dat is besproken in een bijeenkomst van Geneefse predikanten (1551). De hoofdtekst is De eeuwige voorbeschikking Gods (1552). Tot slot zijn er twee preken (1555) opgenomen over 2 Timotheüs 1:8-10. Hierin krijgt het kerkvolk uitvoerig te horen hoe wij zeker zijn van ons uitverkiezing.
Calvijn noemt Jezus Christus ‘de waarachtige spiegel, waarin we onze uitverkiezing moeten aanschouwen.’ Hij zegt er echter nog veel meer over. De zekerheid is er alleen in het geloof als bezegeling door de Heilige Geest in het hart. ‘Want het volstaat niet dat onze oren tuiten door de stem van een mens [...]; het gaat erom dat God iets in ons innerlijk bewerkstelligt, en op verborgen wijze tot ons spreekt door middel van Zijn Heilige Geest.’ De uitverkiezing is de oorspronkelijke akte, waarvan we een onfeilbaar bewijsstuk krijgen door de kennis van het evangelie én door het geloof.
In de inleiding geeft dr. W. Balke een kundige toelichting. Hij plaatst de geschriften in hun historische context en verdedigt Calvijn tegenover allerlei misverstanden. Balke vindt zelf dat Calvijn verkiezing en verwerping te veel gelijkstelt. Ik betwijfel zeer of deze kritische noot recht doet aan de opgenomen geschriften. Balke bezigt hierbij de term ‘dubbele predestinatie’. Dr. W. de Greef heeft er in Theologia Reformata (juni 2010) op gewezen dat deze term zeker niet van Calvijn zelf is.
Pikant is ten slotte de reden waarom de Bijbel wordt geciteerd uit de ‘relatief oude Bijbelvertaling’ van het NBG (1951). Hiervoor is gekozen omdat de NBV (2004) ‘te veel woorden onherkenbaar maakt die voor het verstaan van Calvijns betoog van cruciaal belang zijn.’ Nota bene. Mijn conclusie: de NBV ondermijnt de gereformeerde theologie.
A.N. van der Wind, Hollandscheveld
Gerard Dekker Heeft de kerk zichzelf overleefd? Uitg. Meinema, Zoetermeer; 243 blz.; € 19, 90.
De emeritus hoogleraar godsdienstsociologie G. Dekker gaat in Heeft de kerk zichzelf overleefd? in op een aantal vragen: a. of de kerken zoals ze nu bestaan wel toekomst hebben, omdat zowel de kerk als de christelijke godsdienst zich aangepast heeft aan het heersende culturele klimaat; b. waarom de kerk in haar huidige functioneren door velen die er niet (meer) toe behoren, toch positief gewaardeerd wordt; c. en hoe de kerk zich in de huidige samenleving wil opstellen?
Hij behandelt deze vragen tegen de achtergrond van de aan de filosoof Van Peursen ontleende stelling dat de kerk zichzelf overleefd heeft. Waarom heeft de kerk het moeilijk? Kernactiviteit is haar omgang met God en Zijn Woord, maar ze ontwikkelt zich steeds meer tot een nuttige maatschappelijke instelling en krijgt dán te maken met de scheiding van kerk en staat.
Dekker maakt in een uitvoerig exposé duidelijk dat voor zover religie in het openbare leven wordt toegelaten, deze radicaal van karakter veranderd is. Het gaat dan om een godsdienstigheid die zich bij de heersende waarden neergelegd heeft. En nu de samenleving onafhankelijker van de godsdienst geworden is – onder andere door de sociale zekerheid – kan de individuele mens ook zonder godsdienst aan het maatschappelijk leven deelnemen. Wil de christelijke godsdienst serieus genomen worden, dan moet ze aan de ‘eisen’ van de samenleving voldoen.
Dekker is er kritisch over als de kerk per se haar invloed in de samenleving wil houden. Als voorbeeld noemt hij het plan om als christenen samen met één auto te doen, Churchwheels. De kerk doet dan echter wat anderen onder de naam Greenwheels al doen. De vele aandacht voor het organisatorische zelfbehoud van de kerk noemt de auteur terecht in ‘flagrante strijd met de oorspronkelijke bedoelingen van het optreden van de kerk’. Wat dan, als de kerk functie na functie verliest?
De godsdienstsocioloog pleit voor twee kerkvormen, de kerk als geloofsgemeenschap – waarin het gaat om wie God en Christus voor ons zijn – en de kerk als sociaal en moreel instituut – waarin het gaat om waarden en normen voor het samenleven. Hij pleit daarbij voor twee organisatievormen. Waar het huidige kerkelijke instituut geen invloed op de samenleving kan uitoefe-
nen, kunnen deskundige kerkleden dat in samenwerking met niet-kerkleden wel. Ik kan hierin met de auteur niet meegaan. Hoe sympathiek zijn goed opgebouwde redenering ook is die leidt tot zijn visie op de toekomst van de kerk en zijn afwijzing van het voor de maatschappij relevant willen zijn, je moet er
niet aan denken dat na alle activiteit rond de kerkorde en de dienstencentra van de afgelopen jaren, de Protestantse Kerk opnieuw gereorganiseerd zou worden. Laten we vooral de eerste en de tweede tafel van de wet niet uit elkaar trekken. Horen Wie God is enerzijds en naar Zijn geboden leven en die vertalen naar het gewone leven anderzijds, moet een plaats blijven houden binnen de plaatselijke gemeente. Dat leven in de gemeente zal de landelijke kerk dienen te stimuleren, om zo vanuit het Evangelie de samenleving te dienen.
P.J. Vergunst
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 oktober 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's