Gedoopt in het ziekenhuis
ALLES MET ORDE - VRAGEN OVER DE KERKORDE
Kerkordelijke vragen zijn vaak voluit pastorale aangelegenheden, zoals het verlangen van ouders om hun adoptiekind nog eens officieel te laten dopen. De eerdere doop gebeurde door een verpleegkundige in het ziekenhuis.
Een echtpaar mocht onlangs een adoptiekind ontvangen. Het meisje blijkt bij haar geboorte in Polen de zogenaamde nooddoop gekregen te hebben, uitgevoerd door een verpleegster in het ziekenhuis. De vraag is nu of zij nog officieel, in een ambtelijke doopbediening, gedoopt moet worden. De Nederlandse ouders zouden graag hun kindje ten doop willen houden en menen dat daar ook reden toe is, omdat een doop door een verpleegster toch anders is dan door een ambtsdrager. De vraag is nu: is het kerkordelijk nodig of zuiver om dit kind nogmaals te dopen?
Noodsituatie
Bij een antwoord op deze vraag zijn verschillende aspecten van belang. Voorwaarde voor erkenning van een doop elders is onder meer dat deze moet zijn bediend door iemand die in die bewuste kerkelijke kring – in dit geval de Rooms-Katholieke Kerk – daartoe bevoegdheid bezat. Het Wetboek van Canoniek Recht bepaalt dat ‘in geval van nood, gelijk welke mens die door de vereiste intentie geleid wordt' het doopsel mag toedienen (861-2). In een noodsituatie is een verpleegster in de Rooms-Katholieke Kerk dus volledig bevoegd om te dopen. Bovendien wordt een nooddoop, als het betrokken kind niet overlijdt, altijd ‘aangevuld' met een ritueel in de kerk door de priester. Op zichzelf kunnen we dus zeggen: het kind is gedoopt en dan geldt het uitgangspunt ‘gedoopt is gedoopt'.
Belovende God
De Reformatie verzette zich sterk tegen ‘opnieuw dopen', ook als die doop binnen de Rooms-Katholieke Kerk is bediend – Calvijn en Luther waren zelf ook ‘rooms' gedoopt. De waarde en kracht van de doop hangen niet aan de waardigheid van de bedienaar maar aan de belovende God. De waardigheid van degene die doopt voegt niets toe of doet niets af aan het sacrament. Bij een brief doet het er niet toe wie de bezorger is als we de afzender maar herkennen, ‘zo moet het voor ons voldoende zijn dat we de hand en het zegel van onze Heere in zijn sacrament herkennen, door welke overbrenger ze dan ook mogen gebracht worden' (Calvijn, Institutie, IV-XV-16).
Doopbewijs
Er zijn wel een paar zaken om op te letten. Ten eerste hoort er een doopbewijs aanwezig te zijn, verstrekt vanwege de Rooms-Katholieke Kerk. Hoe kunnen we anders weten dat de doop is bediend? In dit geval is een doopverklaring afgegeven door het ziekenhuis, wat de zaak wel lastiger maakt.
Verder is onduidelijk of door de ouder(s) om de doop is gevraagd of er in elk geval mee ingestemd. Dat is in de Rooms-Katholieke Kerk weliswaar een vereiste, maar het canoniek wetboek bepaalt dat ‘een kind van rooms-katholieke ouders, en zelfs van niet-katholieke, in stervensgevaar geoorloofd wordt gedoopt, ook als de ouders dit niet willen' (868-2).
Het Pastoraal Advies inzake de Heilige Doop van de hervormde synode (1960) zegt dat ‘een doop die buiten medeweten of zelfs tegen de wil van de ouders aan hun kind is bediend moeilijk door de hervormde kerkenraad erkend (kan) worden. Het dopen van zo'n kind in de hervormde gemeente is dus toegestaan en aan te bevelen, indien de ouders dit oprecht begeren. De moeilijkheden die zich bij toepassing van deze algemene regel kunnen voordoen, dienen door de kerkenraad van geval tot geval in zijn pastorale zorg te worden benaderd om tot een zo goed mogelijke oplossing te komen.'
Pastorale wijsheid
De hoofdregel is dus dat er geen (her)doop behoort plaats te vinden als mensen de bedoeling hadden de doop naar Christus' bevel te voltrekken en als er een officiële doopverklaring is. In dit soort gecompliceerde situaties komt het er voor een kerkenraad op aan in pastorale wijsheid een oplossing te zoeken. Als er ernstige twijfel bestaat of de doop op een wettige wijze is toegediend, kan dat ertoe leiden dat het kind alsnog gedoopt wordt in het midden van de gemeente. Komt de kerkenraad tot de conclusie dat het kind de doop al heeft ontvangen – ook al is het in de vorm van een nooddoop –, dan is het zaak de begrijpelijke verlangens van de (adoptie)ouders serieus te nemen. Ze zouden bijvoorbeeld aan de ouders tegemoet kunnen komen door in een zegenviering het kind op te nemen als dooplid in de gemeente en daarbij aan de doop te herinneren. Daarbij kunnen zegenend de handen op het kind of het gezin worden gelegd. Maar daar komt dan geen water aan te pas en geen herhaling van de doopformule. Zo kan herinnerd worden aan de beloften die God in de doop (ook aan dit kind) verzegeld heeft. De dooperkenning wordt dan als het ware in de kerkdienst uitgesproken en bevestigd.
P. van den Heuvel
Eerdere bijdragen aan deze rubriek zijn te vinden op www.kerkrecht.nl.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 november 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's