Omgaan met de dood
I n het welhaast klassieke gedicht De gestorvene verwoordt Ida Gerhardt de pijn om wie ons door de dood is ontvallen. Als het moest zou de dichter zeven maal op handen en voeten om de aarde gaan, om die ene te groeten.
Zeven maal om de aarde gaan, als het zou moeten op handen en voeten; zeven maal, om die éne te groeten die daar lachend te wachten zou staan. Zeven maal om de aarde gaan. Zeven maal over de zeeën te gaan, schraal in de kleren, wat zou het mij deren, kon uit de dood ik die éne doen keren. Zeven maal over de zeeën te gaan – zeven maal, om met zijn tweeën te staan.
Zo heel dicht bij de laatste zondag van het kerkelijk jaar waarop veel gemeenten de gestorvenen gedenken, verscheen er een belangwekkend nummer over omgaan met de dood, een gezamenlijke uitgave van De Reformatie en Opbouw, achtereenvolgens uit de kring van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt en Nederlands Gereformeerde Kerken. Hierin komen allerlei facetten van omgang met de dood aan bod. Onder andere de vraag waar onze geliefde doden zijn. Wat zegt de Schrift daarover? De vragen (organisatorisch, missionair) die opkomen rond een uitvaart; het verlangen in onze postmoderne cultuur naar contact met de doden; Calvijn over het toekomstige leven, goede boeken en films. Maar ook persoonlijke verhalen van mensen die een geliefde moeten missen.
Hier volgt het verhaal van Hans en Karin de Noord uit Drachten, die dit jaar samen met hun familie en vrienden hun 25-jarig huwelijksfeest vierden. Ondanks het grote aantal gasten was het duidelijk merkbaar dat hun zoon Roel er niet bij was. Of was hij op een bepaalde manier toch aanwezig?
Voor Hans en Karin stond het vast dat zo’n dag niet zonder Roel kon. Karin: ‘Het feest was niet compleet zonder de bewoners, hun ouders en het personeel van ’t Skûtsje, het huis waar Roel zijn laatste jaren heeft gewoond’. Hans: ‘Onze dag begon ook met Roel. ’s Morgens zijn wij eerst samen naar het graf geweest.’
Roel is op 22-jarige leeftijd overleden. Wisten jullie dat hij niet oud zou worden? ’Daar heeft geen enkele arts iets over gezegd. Wel wisten wij altijd dat hij kwetsbaar was. Hij is geboren na een zwangerschap van 29 weken. Waarschijnlijk heeft hij bij de geboorte een hersenbloeding gehad. De eerste dagen van zijn leven was hij heel ziek en kreeg hij meerdere hersenbloedingen. Ook is hij een aantal malen gereanimeerd vanwege hartstilstanden. Na vijf dagen vroeg de arts: ‘Zal ik bij een volgende hartstilstand maar niet meer reanimeren of wilt u een zwaar gehandicapt kind? ’ Onze uitdrukkelijke wens was om te blijven vechten voor zijn leven. Vanaf dat moment ging het beter, hoewel Roel zwak bleef. Lopen bleek onmogelijk. Praten lukte evenmin, hij kon alleen maar met veel moeite ja en nee zeggen en communiceren met behulp van zijn spraakcomputer. Natuurlijk hielden we er altijd rekening mee dat hij niet oud zou worden. Daarom hebben we elke minuut intens met hem geleefd. (…)
Hoewel Roels begrip waarschijnlijk niet verder kwam dan dat van een kind van zes jaar, begreep hij veel: ‘Al heel vroeg kwamen er mensen – vaak juffen – bij ons thuis die uit de bijbel vertelden en met hem zongen. Dat vond hij geweldig. Ook van de aangepaste catechisaties en kerkdiensten genoot hij. Hij begreep wie zijn Vader in de hemel was en op Hem vertrouwde hij volledig. Hij wilde dan ook graag belijdenis doen met zijn zus Mirjam. Heel bijzonder was dat hij na de vragen veel duidelijker ‘ja!’ zei dan op welk moment ook. (…)
In ’t Skûtsje heeft hij een mooie tijd gehad, alleen het laatste jaar was zwaar voor hem. Als je hem vroeg of hij naar de Here Jezus wilde, was er weer zijn duidelijke ‘ja!’. Op 15 april 2008 ging die wens in vervulling. In zijn slaap is hij heel rustig naar zijn Heiland gegaan.’
Hoe gingen jullie om met dit verlies? ‘De eerste week was heel bijzonder. In ’t Skûtsje was voelbaar dat Roel een belangrijke plaats had ingenomen. De ontroerende reacties van andere bewoners waren voor ons heel troostvol. Op zijn kamer ontdekten we een tegeltje dat hij van zijn zus had gekregen. Daarop stond de tekst uit 1 Samuël 16:7, over God die niet – zoals mensen – naar het uiterlijk, maar naar het hart kijkt. Daar heeft de dominee toen over gepreekt. In die samenkomst hebben de bewoners van ’t Skûtsje Roels lied ‘Samen in de naam van Jezus’ gezongen. Dat was indrukwekkend.’
En na die eerste week? ‘Dan blijft het verdriet, maar dat wordt getemperd doordat we weten dat Roel nu verlost is van al zijn beperkingen. Wel staan we anders in het leven. Waar je schat is, is ook je hart. Dat levert soms tegenstrijdige gevoelens op. Aan de ene kant hang je minder aan het leven hier, omdat je graag naar hem toe wilt. Aan de andere kant zijn er de momenten dat je hem zo graag weer bij je wilt hebben. Nog steeds zijn wij intensief betrokken bij ’t Skûtsje, wat van beide kanten goed voelt. Wat we jammer vinden is dat veel mensen het moeilijk vinden met ons het gesprek aan te gaan over Roel.’
Wat zouden jullie die mensen willen adviseren? ‘Ga gewoon naar mensen toe die getroffen zijn door een groot verdriet. Stel je vragen en luister. Je krijgt dan vaak geen verdrietig verhaal te horen, want het gaat over het leven van de overledene. Het vertellen van dat verhaal geeft iedere keer weer een opluchting. En vooral als je leeft op basis van het geloof is het brengen van zo’n bezoek zo gemakkelijk. Neem je Bijbel mee, lees een stukje en bid. Dat doet erg goed, ook al gebeurt het stamelend.’
In dit bijzondere nummer over omgaan met de dood staan nog meer persoonlijke ervaringen. Hier volgen er nog twee, eerst het relaas van de hoogbejaarde J.H. Alberts (Utrecht).
Als je 88 jaar bent, weet je dat je in de voorste gelederen staat en dat de Here je zo
kan wegnemen. Alleen wist ik dat op m’n achttiende ook al. Dat was in 1940. Mede omdat ik net als ons hele gezin betrokken was bij het verzet, was het leven erg broos geworden.
Nu had ik een gelovige tante, tante Anna, en ik was haar jochie. Tante wist wel waar ik me mee bezig hield en elke keer als ik bij haar kwam, kon ze niet nalaten me toe te voegen: ‘Jochie, pas toch op, wees toch voorzichtig.’ Toen heb ik een keer tegen haar gezegd: ‘Tante Anna, nu bent u zo’n gelovige vrouw en toch maakt u zich elke keer weer zoveel zorgen. Wat kan mij nu overkomen? Ze kunnen me hoogstens pakken en doodschieten. Nu, wat dan nog? ’ Daar had tante niet van terug.
Ik wil maar zeggen: als je je in geloof aan de Here hebt overgegeven, dan mag dat geen theoretische aangelegenheid zijn. Je mag genieten van elke dag die de Here je geeft, maar je moet ook elke dag bereid zijn de Here te ontmoeten wanneer Hij je tot Zich roept.’
Oma Margé Bultinga beschrijft het verlies van haar kleindochter Emma.
Als ik het telefoonnummer herken, die zaterdagochtend in februari 2003, slaat mijn hart een slag over. Het is het nummer van onze oudste zoon en schoondochter. Hun zwangerschap is bijna voldragen. De klank van de stem van onze zoon smoort gejuich in de kiem. De baby is nog niet geboren en al wel gestorven. Na een lange nacht hoor ik dat Emma geboren is. Die zondagmorgen zijn we bij onze verdrietige, moegestreden kinderen, met naast hen het wiegje met de mooiste baby van de wereld, zo koud, zo dood.
Dan komt de begrafenisdienst. (…) Als ik daaraan terugdenk, zie ik nog het beeld van onze kinderen die het kistje met Emma droegen. Ik hoor het lied dat onze tweede zoon zong, de muziek die vrienden maakten. Ik denk aan het zingen van het lied ‘Heer, U bent altijd bij mij’, een lied dat ik nu pas, na zoveel jaar, zonder tranen kan zingen. Ik herinner me de preek over Psalm 139, een preek vol troost over God die er is en er zal zijn. Die troost is er steeds geweest in de afgelopen jaren. Na Emma zijn drie gezonde zonen geboren. En toch, het blijft, het verlangen, het zo graag willen weten: wat voor meisje zou Emma geworden zijn?
Het is bijzonder zinvol om op de laatste zondag van het kerkelijk jaar de namen te noemen van hen – zegt het geloof – die ons zijn voorgegaan. Het geeft ruimte om ook met het gemis en het verlangen te wonen in de beschutting van de Allerhoogste. Ik sluit af met een gedicht van Judith Herzberg waarin dat gemis (opnieuw) trefzeker wordt verwoord.
Toen ging de telefoon. Zo heerlijk, dacht ik dat jij thuis bent. Ik slaap nog even door. Jij neemt wel op, ik hoorde je spreken. Hij rinkelde en rinkelde, totdat ik wakker werd en rende. Verdriet om sterven is bekend verdriet van scheiden niet geacht. En doden weten niet, hoe ze ontbreken.
G. van Meijeren
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 2010
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's