Na 2013 ook nog TDD
Waarom hebben steeds meer kinderen een label?
ADHD, PDD, dyscalculie, dyslexie, ODD, hoogebegaafheid, zwakbegaafdheid, HSP, NLD en na 2013 ook nog TDD. In iedere klas zitten wel een paar kinderen die een diagnose, etiket of label hebben.
Mijn eigen kinderen horen ook bij de groep met een etiket. Misschien hadden ze dertig jaar geleden hun diploma wel gehaald zonder dat ze door een psycholoog onderzocht waren. Want hoewel het aantal kinderen met een diagnose fors is gestegen, is het waarschijnlijk niet zo dat kinderen heel anders zijn dan ze vroeger waren. Er zijn wel andere dingen veranderd, zoals de maatschappij en het onderwijs. Mogelijk ligt het aan het feit dat er tegenwoordig veel meer kinderen worden gediagnosticeerd. Jarenlang werd gedacht dat ongeveer vier op de 10.000 mensen een stoornis in het autistisch spectrum hadden. Nu gaat men ervan uit dat het om een op de honderd mensen gaat, dat wil zeggen 100 op de 10.000. Bij ADHD is de stijging veel minder sterk; in mijn leerboek Kinderpsychiatrie uit 1986 wordt gezegd dat 1-2 procent van de kinderen ADHD heeft. Tegenwoordig zou ongeveer 5 procent deze diagnose hebben. Het aantal patiënten met ADHD dat medicatie gebruikt, is de laatste jaren wel behoorlijk gestegen.
Leerplichtwet
Timo Bolt beschrijft in zijn boek Van zenuwachtigheid tot hyperactief. Een andere kijk op ADHD hoe er de afgelopen 100 jaar tegen ADHD en de voorlopers van ADHD aangekeken is. Ook probeert hij de manier waarop we nu met ADHD omgaan te verklaren. Het is een leerzaam boek voor iedereen die vragen heeft bij de huidige stand van zaken. Interessant is bijvoorbeeld dat hij laat zien dat dokters zich gingen bezighouden met drukke kinderen in de periode dat de leerplichtwet werd ingevoerd. Drukke kinderen konden niet meer thuisgehouden worden, maar moesten naar school. Daardoor werden deze drukke kinderen opeens gedwongen om iets te doen wat ze moeilijk vinden, namelijk opletten en stilzitten. Het is dus voor een deel zo dat de schoolsituatie ook een diagnose kan oproepen. Al wil dat natuurlijk niet zeggen dat er zonder school geen kinderen zouden zijn met een diagnose. Timo Bolt beschrijft de manier waarop onze maatschappij vandaag met ADHD omgaat aan de hand van vijf begrippen: mode, moderne tijd, medische vooruitgang, medicalisering en misère. Ik denk dat deze begrippen ook gebruikt kunnen worden om meer in het algemeen te verklaren waarom kinderen ook vaker gediagnosticeerd of geclassificeerd worden. Voor mijzelf waren het in ieder geval kapstokken waardoor ik beter begrijp wat er de laatste jaren op dit gebied gebeurt.
Mode
Het diagnosticeren of etiketteren wordt gezien als iets van onze tijd. Zelf denk ik dat er altijd al kinderen hebben bestaan met problemen, maar dat die vroeger minder snel aanleiding waren om professionele hulp te zoeken. Misschien was dat wel omdat er minder bekendheid was over allerlei aandoeningen en de gevolgen ervan. Tegenwoordig vinden ouders gemakkelijker dan vroeger informatie over allerlei aandoeningen. Opvoedingsbladen, maar ook vrouwenmagazines, en mogelijk een medium als De Waarheidsvriend, televisie en internet spelen daarbij een belangrijke rol. Er staan vragenlijsten op het internet waarmee je je eigen kind kunt ‘diagnosticeren’. In artikelen staat vaak dat het belangrijk is erachter te komen wat er met je kind aan de hand is. Ouders zullen daardoor eerder geneigd zijn hulp te vragen voor een kind dat problemen heeft. Bij ADHD speelt nog mee dat methylfenidaat of ritalin vanaf de jaren negentig door steeds meer artsen werd voorgeschreven. Sindsdien wordt er over ADHD geschreven dat het een behandelbare aandoening is waar je medicatie en hulp voor kunt krijgen. De laatste paar jaar heeft de manier waarop financiering geregeld is ook gezorgd voor een toename in de vraag om een diagnose. Een diagnose is tot 2012 nodig om op school een ‘rugzakje’ te krijgen. Scholen vragen daarom soms ouders om hun kind te laten diagnosticeren als zij zien dat een kind meer hulp op school nodig heeft. Ouders zijn daar eerlijk over en vertellen dan dat zij eigenlijk alleen maar voor een diagnose komen, omdat de school graag zo’n rugzakje voor het kind wil. Voor sommige ouders zelf is belangrijk dat zij een PGB (persoonsgebonden budget) kunnen krijgen als hun kind een diagnose heeft. Daardoor kunnen zij bijvoorbeeld extra begeleiding betalen als dat nodig is. Maar om een PGB te krijgen, is wel een diagnose nodig. Ik heb zelf het idee dat door de financiële voordelen die een diagnose heeft de nadelen van een diagnose niet altijd meer gezien worden.
Moderne tijd
In 1900 werd geschreven dat de snelle veranderingen in de samenleving veel eiste van kinderen. Dat wordt nu ook gezegd. Maar lag vroeger de nadruk in de maatschappij meer op de verbetering van de maatschappij, tegenwoordig ligt de nadruk op het maakbare individu. Er wordt minder makkelijk dan vroeger geaccepteerd dat een kind lastig is of een probleem heeft, zonder dat precies bekend is wat de moeilijkheid volgens deskundigen is. Er wordt eerder hulp gezocht om dat mensen het beste willen voor hun kind en omdat de prestatie-eisen hoger zijn worden. Een vriend van mij heeft volgens mij dyslexie, maar dat is nooit vastgesteld. Hij ging van de lts, naar de mts en daarna naar de hts. Als hij mij een e-mail stuurt, staan daar altijd taalfouten in. Nu zou de diagnose dyslexie wel eens gesteld kunnen worden. Er zullen niet veel ouders meer zijn die hun kind naar het vmbo laten gaan, als het met extra hulp ook naar het vwo zou kunnen. Behalve dat speelt dat er minder tolerantie is voor afwijkend gedrag. Was een kind vroeger verlegen of stug, tegenwoordig wordt meteen gevraagd of hij geen PDD-nos heeft. Soms lijkt het dat een kind tegenwoordig alleen maar ‘anders’ mag zijn, als er ook een etiket is. Bij het Centrum Autisme heb ik een 40-jarige man gediagnosticeerd die vrij ernstig beperkt was door zijn autisme. Toen ik vroeg hoe het in zijn jeugd gegaan was en waarom zijn ouders geen hulp hadden gezocht, vertelde hij dat hij op een rustige dorpsschool zat en dat er ook neefjes en nichtjes op school zaten. Hij werd gewoon uitgenodigd voor verjaardagsfeestjes en voelde zich niet echt een buitenstaander. Zijn gedrag werd door zijn omgeving en misschien daardoor ook wel door zijn ouders geaccepteerd.
Medische vooruitgang
Er is vooruitgang in wat we weten over aandoeningen en behandelingen. Van ouderbegeleiding bij kinderen met ADHD is bijvoorbeeld bewezen dat het helpt. Datzelfde geldt voor sommige gedragstherapeutische programma’s voor autisme. Over dyslexie en dyscalculie weet ik minder, maar ook daarvoor zijn therapieën die echt helpen. Het is niet gek dat, als het aanbod van behandelingen groter wordt, ook de vraag om diagnostiek groeit. En dat kan alleen maar gezien worden als een vooruitgang. In Engeland is minder aandacht voor ADHD en autisme bij volwassenen als in Nederland, merkte ik toen ik daar werkte. Ik heb daar een jonge vrouw gediagnosticeerd met ADHD. Zij was vijf keer van school gestuurd en was verschillende keren met politie in aanraking gekomen. Bovendien had zij altijd geldproblemen omdat zij steeds haar dure mobiel met abonnement verloor. Haar ouders waren dankbaar dat niet alles op het conto van een mislukte opvoeding werd geschreven. De vrouw kreeg hulp om haar leven meer structuur te geven. Ik zie dat als een verbetering.
Medicalisering
De gerenommeerde Amerikaanse psychiater Allen Frances waarschuwt voor overdiagnosticering. Dat doet hij al wat langer, maar ook in een recent nummer van Medisch Contact, het tijdschrift voor Nederlandse artsen. Hij voelt zich voor een deel verantwoordelijk voor de stijging in het aantal kinderen met de diagnose ADHD en autisme, doordat hij voorzitter was van de commissie die de criteria voor deze diagnoses hebben verruimd. Hij zou een en ander willen terugdraaien als dat zou kunnen. Frances heeft het gevoel dat normaal gedrag steeds vaker abnormaal genoemd wordt en dat veel kinderen nu ten onrechte met de diagnose ADHD of autisme rondlopen. Een ander voorbeeld van normaal gedrag dat tot abnormaal bestempeld wordt, is de nieuwe classificatie TDD die mogelijk in 2013 wordt ingevoerd. Onder TDD gaan kinderen vallen die vaak boos en ongelukkig zijn. Ouders met kinderen die vaak woedeaanvallen en driftbuien hebben, zijn belast met een zware taak. Van hen wordt veel gevraagd als opvoeders. Een aantal van deze vaders en moeders kan vast hulp gebruiken bij de opvoeding, maar zou dat alleen kunnen als zij het nieuwe label krijgen? Wat voegt het toe deze kinderen met het label TDD door het leven te laten gaan? Dat zijn vragen die naar mijn idee niet alleen aan psychiaters gesteld moeten worden, maar ook aan andere groepen in de samenleving.
Misère
Timo Bolt eindigt zijn verklaring over de ontwikkeling van ADHD met het begrip misère. Hij bedoelt daarmee dat ouders, leerkrachten en hulpverleners over het algemeen gedreven worden door oprechte zorg voor een kind in nood. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor ADHD, maar ook voor de andere diagnoses, classifiaties, etiketten en labels. Vaak wordt er pas een IQ-onderzoek gedaan als de leerkracht of een hulpverlener het gevoel heeft dat een kind overvraagd wordt in het geval van zwakbegaafdheid. Of als kinderen geen zin meer hebben in school, onbegrepen gedragsproblemen vertonen of zich depressief uiten in het geval van hoogbegaafheid. Kinderen die onderzocht worden op autisme hebben vaak problemen met motoriek. Ze hebben geen aansluiting bij andere kinderen en kunnen snel boos worden. Er zijn daarom klachten die de aanleiding zijn om een kind te laten onderzoeken. Ook als besloten wordt om geen diagnose te stellen, omdat een kind te weinig kenmerken van autisme heeft, blijven de problemen die aanleiding waren om hulp te zoeken wel bestaan. Dan zal er gekeken moeten worden waarom een kind zich ongelukkig voelt en of de ouders van dat kind zo goed mogelijk geholpen kunnen worden.
Vrijwilligers
Voor mij is het de vraag of de zorg voor dit soort kinderen niet te veel wordt uitbesteed aan professionele hulpverleners. In de kerk in Engeland waar wij lid van waren, was het geregeld dat ieder ‘bijzonder’ kind vier vrijwilligers kon krijgen, voor iedere zondag in de maand een. Deze persoon was dan verantwoordelijk voor het kind tijdens de kerkdienst, zodat de ouders rustig de kerkdienst konden bijwonen. Het leuke was dat de vrijwilligers soms echt betrokken raakten bij het gezin en dat zij ook doordeweeks gevraagd werden als oppas, of als mensen die opgebeld werden als er een probleem was. Dit alles gebeurde zonder PGB, gewoon omdat mensen medemensen nodig hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 2011
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 januari 2011
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's