De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zondaar en rechtvaardige

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zondaar en rechtvaardige

Openingswoord predikantencontio 2011

10 minuten leestijd

De eigenlijke tweestrijd in het leven van het geloof blijft die welke Paulus in Romeinen 7 beschrijft. Dat is echte strijd, oorlog.

Voor mijn lijst Frans las ik destijds een treurspel van hem. Later kwam ik zijn naam tegen in het Liedboek. Ik heb het over de bekende zeventiendeeeuwse tragediedichter Jean Racine, opgevoed bij de jansenisten in Port-Royal. De invloed daarvan is hij nooit meer kwijtgeraakt, ook al leidde hij vele jaren een mondain leven; hij kwam echter tot inkeer. De cantique die van hem opgenomen is in het Liedboek, heeft mij altijd aangesproken. ‘Mon Dieu, quelle guerre cruelle!’ luidt in mooi Frans de eerste zin. Letterlijk: ‘Mijn God, wat een gruwelijke oorlog. Ik vind – zo gaat het verder – twee mannen in mij.’ Jan Wit maakte er in zijn herdichting van: ‘Mijn God, gewapend tot de tanden / voeren twee mannen in mij strijd: / één wil dat ik te rechter tijd / voor U in liefde zal ontbranden, / de ander wil Uw recht aanranden / en drijft mij tot opstandigheid.’ Het zijn woorden uit het leven gegrepen, uit het gelóófsleven. Én uit de Schrift.

Tweestrijd
Als predikanten herkennen we er ons ongetwijfeld in. Op allerlei manieren voeren we immers een tweestrijd, meer of minder heftig. Welke tijd besteed je aan het gezin en welke aan de gemeente? Wanneer gaat je huwelijk voor en wanneer dat ene bezoek dat al zo lang op je lijstje staat? Je zit deze week nogal vol: neem je een oude preek of zet je toch een nieuwe in de steigers? Kies je binnenkort voor de vergadering van de classis, waar je ettelijke tijd niet meer geweest bent, of voor de bestudering van een hoofdstuk uit het boek dat je per se wilt doorwerken, omdat je anders theologisch opdroogt? Nee, we zullen van dit alles niet direct zeggen: ‘quelle guerre cruelle!’ Maar dat het altijd even soepel loopt, dat ook niet. Wel dienen we deze tweestrijd vanuit een zekere nuchterheid te bezien. Ook wij zijn immers geroepen in het zweet van ons aanschijn ons brood te eten. Omdat dit woord voor ons meestentijds niet zo letterlijk in vervulling gaat, behalve op een warme zomerzondag, denk ik dat dat bij ons als voorgangers de geschetste vorm krijgt. Sommige van deze dilemma’s horen bij het ambt, andere zijn gegeven met dit ondermaanse.

Tegelijk
De eigenlijke tweestrijd is en blijft echter de paulinische van Romeinen 7. Augustinus heeft er middenin gezeten. Denk maar aan het woord concupiscentia (begeerte), dat regelmatig in zijn theologiseren opduikt. Natuurlijk komt ook Kohlbrugge in onze gedachten. Cirkelt heel zijn prediking niet om de ‘guerre cruelle’? Racine werd er getuige zijn cantique eveneens door verscheurd. ‘Naar werken van vrede haak ik, / maar ’t goede dat ik wil verzaak ik’, dichtte hij in navolging van Paulus. Vooral dient in dit verband de naam van Luther te klinken met zijn bekende simul iustus ac peccator, tegelijk zondaar en rechtvaardige. Ik ken geen spannender en diepere verwoording van de tweekamp van Racines mannen dan deze van de reformator uit Wittenberg. Hebben wij ook niet dagelijks met dit duel te maken? Enerzijds hoort het ambt van predikant bij een van de mooiste taken in Gods Koninkrijk. Niet vanwege het aanzien of iets dergelijks; dat ontneemt onze Zender ons anno 2011 te enen male. Maar is het heil ooit dichterbij dan wanneer je het verkondigen mag? De aanvechtingen omtrent het Godsbestaan, omtrent je aandeel in Christus, omtrent de vervulling met de Heilige Geest worden op de preekstoel maar ook tijdens het pastoraat meer dan eens doorbroken en overstegen. Hoezeer mag je voor jezelf de kracht van de sacramenten ervaren bij de toediening van de doop en bij de uitreiking van brood en wijn. Nota bene óns overkomt dat! Anderzijds zit je met je vlees, je domineesvlees. Dat is bar lastig vlees, waarvan de mortificatio (doding) ons niet makkelijk afgaat. We lopen aan tegen onze eerzucht, tegen ons gebrek aan zelfverloochening, tegen subtiele narcistische trekjes, tegen onze neiging routineus te handelen, tegen de armzaligheid van onze gebeden, niet het minst in onze eigen binnenkamer. Een ieder van ons zal vanuit zijn zelfkennis wel iets aan deze lijst weten toe te voegen. Tegelijk zondaar en rechtvaardige. O zo vermoeiend en o zo vertroostend. Met Job zeggen we: ‘O God, waarom toch gaat U steeds mijn ongerechtigheid na en wat speurt U naar mijn zonden?’ Als wil hij zeggen: komt daar nu nooit een einde aan? En wij verzuchten: wanneer kan mijn bediening eindelijk eens een keer gaaf en zonder bijgedachten en zonder bijbedoelingen zijn? Nogmaals Job: ‘Wat hebt Gij met mij voor? Nochtans weet ik dat ik rechtvaardig verklaard zal worden. O God, stel U Zelf borg voor mij.’

Levensader
Prachtig heeft over dit alles geschreven Rudolf Hermann, in de eerste helft van de vorige eeuw een befaamd Lutherkenner. Van zijn hand is de monografie Luthers These ‘Gerecht und Sünder zugleich’. Daarin laat hij zien welke diepe sporen het zondaar-zijn trekt in het leven van een gerechtvaardigde goddeloze. De vergeving der zonden heeft bij Luther – zo laat Hermann duidelijk oplichten – een alles uitdelgende kracht. ‘Voor God is het zo, als was jij zonder zonde.’ En wat er nog aan zonden in je leven resteert, heeft Hij op de dodenlijst gezet. Mooi wordt gepreciseerd wat er in de vergeving gebeurt: omdat ik mij met al m’n lek en gebrek tot God wend, raak ik mijn alleen-zijn met de zonde kwijt en word ik afgeholpen van een bestaan dat volop gevuld is met zonde en een dik ‘ik’; ik wil niet langer God terzijde schuiven. Het linke, ‘das Todbringende’ van de zonde is namelijk niet zozeer dat ik tegen God rebelleer, maar dat ik niet met Hem wil rekenen en Hem negeer, waardoor ik met mijn zonde alleen blijf. Zodra ik echter met mijn zonde voor God treed, wordt dit alles doorbroken en is de zonde van haar levensader afgesneden. Zulke grote dingen richt de vergeving uit! Zij brengt ons in de tegenwoordigheid van God, Die alles in allen wil zijn, dus ook in mijn zonde. Aan zulk theologiseren haal ik mijn hart op.

Drastisch
Evenwel, ook na de alles uitdelgende vergeving blijft de zonde. Dat is gegeven met het simul, het tegelijk. De boom van ons leven is niet veroordeeld om te verdorren, maar hij is allerminst gezond. Want de zonde blijft overeenkomstig haar natuur, ook na ontvangen genade, dezelfde. Enigszins drastisch zegt Luther: neem een christen zónder zijn gerechtigheid in Christus, dan vind je bij hem, ook al was hij de allerheiligste, niet slechts onreinheid, maar de inktzwarte verf van de boze. Want de zonde is niet een macht die slechts levendig is, slechts werkzaam is, slechts tegendraads is, maar zij raast en tiert en neemt gevangen; zij doet dat in de gelovige nog driester dan in de ongelovige. Wat er zich dus afspeelt tussen die twee mannen in mij, is geen simpel wapengekletter, geen edel duel, maar echte strijd, oorlog. Ik wíl dat niet, maar het is wel de realiteit. Luther is psycholoog genoeg om aan te geven dat dit niet strijk en zet het geval is; maar de wapens houden we toch steeds in de aanslag. En hij is Schrifttheoloog genoeg om erop te hameren dat we in dit alles dankzij Christus meer dan overwinnaar zijn; maar de zonde in de wedergeboren christen is dezelfde als in de oude mens. Soms zou je zelfs denken dat het voor de zonde niets uitmaakt dat de vergeving het over haar voor het zeggen heeft: zozeer laat ze zich gelden in de vernieuwde mens.

Bemoediging
Op deze manier is Luther bezig de zondeleer, ook van een Augustinus, aan te scherpen; bijna zou je zeggen: te verabsoluteren. Hermann laat dat op gedegen wijze zien, wanneer hij de reformator in diens gedachtegang volgt, hem bevraagt, van hem leert. Ons lukt het niet dat nu even gedegen te doen. Al ligt hier natuurlijk een belangrijk geloofsgoed, dat erom vraagt voortdurend in de prediking verwerkt te worden en de gemeente bij te brengen. Ook heden ten dage, al ervaart niet iedereen de actualiteit van het simul. Terwijl het zo ter zake is! Ik sta hier vooral bij stil ter onderlinge bemoediging. Vallen wij onszelf niet telkens tegen, juist in de bediening? Onze eerste remedie is dikwijls dat we onze stand ophouden. Maar we hebben al even zovele keren ontdekt dat dit geen afdoend en probaat middel is. Integendeel. Zou ons geloofsleven niet aan kracht winnen, als we accepteren dat wij als ‘onvrome’ dienaren ons in de richting van de hemelpoort begeven? Hoe meer we dat beseffen, hoe meer we gaan lijken op de goede en getrouwe dienstknecht uit de gelijkenis van de talenten. Wat kreeg hij te horen bij de hemelpoort? ‘Over weinig zijt gij getrouw geweest.’ Het gaat dus niet om veel. Als dat weinige zich zou beperken tot de wetenschap tegelijk zondaar en rechtvaardige te zijn, is dat weinige genoeg.

Vorderen
Onderwijl gaat de strijd van de twee mannen in ons verder. In de verwoording van Racine: ‘De ene, afgezant van ’t kwade, / wil aardse lust en aardse eer.’ Maar ‘d’ ander, vol geest en vol genade, / daalde uit de hemel tot mij neer.’ Inderdaad, tot míj. Uit die zekerheid leven wij als dienaren des Woords. Een zekerheid die alles te maken heeft met het feit dat Hem Die uit de hemel tot ons is neergedaald, de zege beschoren is. Vanuit dat perspectief strijden wij de goede strijd van het geloof. Deze strijd is er een teken van dat de zonde door de genade van de vergeving getroffen is en dat de zondaar door God gerechtvaardigd is. In deze strijd vorderen we ook. Bijvoorbeeld omdat we wandelen in goede werken, die God voorbereid heeft. Of omdat op psychisch vlak sprake is van heling. Of omdat we als predikanten onafhankelijker worden van mensen, daar we met Paulus weten dat onze Kurios Zelf het is Die ons beoordeelt. Of omdat we met dezelfde apostel leren onderscheiden tussen ons ik en de zonde die in ons woont. Wat met name vordert, is de tijd en wel de tijd dat Christus komt. Dat stempelt ons leven hier en nu, omdat wij ons met hart en ziel en in al ons doen en laten uitstrekken naar de toekomst van Hem Die eenmaal voor ons is gestorven en opgestaan. Trefzeker vat Hermann Luthers visie samen, wanneer hij stelt dat ‘vorderen’ bij Luther niet zozeer een kwaliteitsbegrip is alswel een tijdsbegrip.

Gebed
Dat zich uitstrekken blijft vanwege het simul wel met horten en stoten gaan. Daarom verootmoedigen we ons telkens en zoeken wij, ons leven lang, onze gerechtigheid buiten onszelf in Christus. Want we verbeelden ons niet het gegrepen te hebben, maar we zijn gegrepen, door Christus Zelf. Het is vooral in het gebed dat dit alles gestalte krijgt. Opnieuw formuleert Hermann kernachtig en eenvoudig: vorderen betekent bidden. Daarin liggen alle momenten waar het om gaat opgesloten. Immers, wanneer wij bidden, eigenen wij ons het leven toe dat God in het vleesgeworden Woord heeft geopenbaard en zijn wij gericht op de toekomst. Dan erkennen wij ook dat wij hart en wil niet in eigen hand hebben, maar dat wij slechts door God Zelf en aan Zijn hand tot onze eigenlijke bestemming kunnen komen. En belijden wij dat onze oude Adam zou moeten verdrinken, maar dat hij veel te goed kan zwemmen. Al met al kun je zeggen dat ons gebed deel uitmaakt van onze dagelijkse bekering. Luther spreekt in dit verband van een perseverantia in conversione, een volharding in de bekering. De these van tegelijk zondaar en rechtvaardig mondt dus uit in het apostolisch vermaan, ook aan ons adres: bid zonder ophouden. Waar zouden we als voorgangers blijven, wanneer het gebed niet het gebinte vormde van ons ambtelijk en persoonlijk bezig- zijn? Dan werd het met het simul niets. Er komt echter een tijd dat het simul toch heeft afgedaan. Godzijdank. Tot die tijd bidden we met Racine:
Kom mijn verscheurde hart genezen,
o Heer, door Uw genade groot;
ik ben het zelf die weerstand bood.
Herstel de eenheid van mijn wezen
en laat U dienen en U vrezen
wie eens een slaaf was van de dood.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Zondaar en rechtvaardige

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's